Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY9402

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-10-2006
Datum publicatie
04-10-2006
Zaaknummer
200601565/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 januari 2005 heeft de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR) het rijbewijs van appellant ongeldig verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200601565/1

Datum uitspraak: 4 oktober 2006.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. 05/3092 van de rechtbank Breda van 17 januari 2006 in het geding tussen:

appellant

en

de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 28 januari 2005 heeft de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR) het rijbewijs van appellant ongeldig verklaard.

Bij besluit van 21 juli 2005 heeft het CBR het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 januari 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 23 februari 2006, bij de Raad van State ingekomen op 24 februari 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 20 april 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 19 mei 2006 heeft het CBR van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 juli 2006, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. F. Wubbena, advocaat te Oosterhout, en dr. E. Sanders, klinisch chemicus, en het CBR, vertegenwoordigd door J.A. Stelt-Launspach, juridisch medewerker bij de divisie Vorderingen van het CBR, en W. van Os, medisch adviseur bij de divisie Vorderingen, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 134, eerste lid, in samenhang met artikel 131, eerste en tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de wet), voor zover thans van belang, stelt het CBR, na ontvangst van de bevindingen van de deskundige of deskundigen, de uitslag van het onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid vast.

   Ingevolge artikel 134, tweede lid, van de wet, voor zover thans van belang, besluit het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs indien de uitslag van het onderzoek daartoe aanleiding geeft.

   Ingevolge artikel 134, derde lid, van de wet deelt het CBR, indien het van oordeel is dat de vastgestelde uitslag van het onderzoek grond oplevert voor ongeldigverklaring van het rijbewijs, het voornemen tot ongeldigverklaring mede aan de houder, tevens onder mededeling van de bevoegdheid van de betrokkene om binnen twee weken een tweede onderzoek te verlangen.

   Ingevolge artikel 12 van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid, zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, besluit het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs indien de uitslag van het onderzoek inhoudt dat betrokkene niet voldoet aan het bepaalde in de Regeling eisen geschiktheid 2000.

   In artikel 2 van de Regeling eisen geschiktheid 2000 (hierna: de Regeling) is bepaald dat de eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen worden vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage.

   In die bijlage is in paragraaf 8.8 ("Misbruik van psychoactieve middelen (zoals alcohol en drugs)") bepaald dat voor de beoordeling of sprake is van misbruik van psychoactieve middelen een specialistisch rapport is vereist. Personen die misbruik maken van dergelijke middelen zijn zonder meer ongeschikt. Indien zij aannemelijk of aantoonbaar zijn gestopt met dit misbruik, dient een recidiefvrije periode van een jaar te zijn gepasseerd voordat zij door middel van een herkeuring - op basis van een specialistisch rapport - geschikt kunnen worden geacht. Een strenge opstelling van de keurend arts is aangewezen, gezien de gevaren die het gebruik van deze middelen oplevert voor de verkeersveiligheid.

2.2.    Een door het CBR verzocht onderzoek naar de rijgeschiktheid wordt uitgevoerd door een onafhankelijk psychiater, die, als medisch specialist, op basis van psychiatrisch, lichamelijk en laboratoriumonderzoek vaststelt of sprake is van alcoholmisbruik. Daarbij pleegt de psychiater de zogeheten DSM-IV criteria, een classificatiesysteem van psychiatrische afwijkingen, te hanteren, maar kan hij ook buiten de DSM-IV classificatie om, op basis van alle verkregen gegevens in onderlinge samenhang bezien, komen tot het oordeel dat sprake is van alcoholmisbruik.

2.3.    Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 28 januari 2005 heeft het CBR het rijbewijs van appellant ongeldig verklaard op grond van de overweging dat uit onderzoek is gebleken dat hij niet voldoet aan de eisen van geschiktheid, waaraan hij gezien het aan hem afgegeven rijbewijs moet voldoen. Appellant heeft op 26 augustus 2004 een eerste en op 11 december 2004 een tweede onderzoek ondergaan. De resultaten zijn door beide keurend artsen vastgelegd in een verslag van bevindingen. Zowel bij het eerste als bij het tweede onderzoek is bij betrokkene de diagnose alcoholmisbruik gesteld in termen van de DSM-IV classificatie. Voorts komen beide keurend artsen tot de psychiatrische diagnose alcoholmisbruik op basis van alle klinisch relevante gegevens.

   Op grond hiervan heeft het CBR geconcludeerd dat paragraaf 8.8. van de bijlage bij de Regeling op appellant van toepassing is.

2.4.    Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de onderzoeken van 26 augustus 2004 en 11 december 2004 niet met de vereiste zorgvuldigheid zijn uitgevoerd, zodat op grond hiervan niet kan worden geconcludeerd dat sprake is geweest van alcoholmisbruik. Daartoe voert hij aan dat zijn woorden onjuist of uit hun context in de verslagen van de onderzoeken zijn vermeld.

   Voorts betoogt appellant dat enkel op basis van een bij het eerste onderzoek geconstateerd verhoogd percentage carbohydraat-deficiënt transferrine (hierna: %CDT-waarde) tot alcoholmisbruik is geconcludeerd en dat de daarbij tijdens het eerste onderzoek gebruikte methode om de %CDT-waarde te meten, de Axis-Shieldmethode, onnauwkeurig en verouderd is, terwijl er een meer betrouwbare methode voorhanden is.

   Tot slot verzoekt appellant middels toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) om vergoeding van de schade die hij stelt te hebben geleden omdat hij gedurende enige tijd geen auto heeft kunnen rijden.

2.4.1.    De Afdeling stelt voorop dat beide onderzoeken zijn uitgevoerd door psychiaters, die ieder voor zich en onafhankelijk van elkaar, op grond van de resultaten van hun onderzoek de diagnose misbruik van alcohol volgens de DSM-IV classificatie hebben gesteld. Anders dan appellant heeft gesteld, is deze diagnose bij het eerste onderzoek niet uitsluitend gebaseerd op de hoogte van de gemeten %CDT-waarde. De rechtbank heeft terecht overwogen dat in dit geval sprake was van een combinatie van factoren: naast de bij het eerste onderzoek gemeten verhoogde %CDT-waarde, zijn tevens het hoge adem/alcoholgehalte bij de aanhouding en de gegevens uit de anamnese, waaruit tolerantie voor alcohol blijkt, en het lichamelijk en psychiatrisch onderzoek in de beoordeling meegenomen.

2.4.2.    Met de rechtbank is de Afdeling voorts van oordeel dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de bij het eerste onderzoek gemeten %CDT-waarde niet als één van de hulpmiddelen heeft mogen dienen om tot de diagnose te komen omdat daarbij de Axis-Shieldmethode is gebruikt. Uit de stukken en het onderzoek ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de Axis-Shieldmethode een voor de bepaling van de %CDT-waarde geaccepteerde methode is, die in de door het CBR ingeschakelde laboratoria wordt toegepast. Deze methode is, aldus de deskundigen van het CBR, voor 95% van de gevallen betrouwbaar. De onbetrouwbaarheid van 5% kan deels worden verklaard doordat bij 2 tot 3% van de bevolking een van nature verhoogde %CDT-waarde voorkomt. Van dergelijke genetische transferrinevarianten was bij appellant, gelet op het feit dat bij het tweede onderzoek geen verhoogde waarde is geconstateerd, geen sprake. Ter zitting in hoger beroep is door het CBR niet ontkend dat er inmiddels een andere methode voor het vaststellen van de %CDT-waarde beschikbaar is, de zogenoemde HPLC-methode, die voor 98% van de gevallen betrouwbaar kan worden geacht. Bij het nemen van het besluit op bezwaar bestond evenwel geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van de uitkomst van het eerste laboratoriumonderzoek te twijfelen. Bij gebruik van de Axis-Shieldmethode wordt een veiligheidsmechanisme ingebouwd in die zin dat in de betrokken laboratoria een duplometing plaatsvindt bij een uitslag van %CDT-waarden tussen 2.5 en 3.0. In dit geval bestond geen aanleiding voor een duplometing daar de %CDT-waarde boven de 3.0 lag. Het betoog van appellant ten aanzien van de betrouwbaarheid van de Axis-Shieldmethode met de verwijzing naar literatuur en een beschouwing daarover van dr. E. Sanders, klinisch chemicus, doet daarom geen afbreuk aan de conclusies in de rapporten die het CBR aan het gehandhaafde besluit van 28 januari 2005 ten grondslag heeft gelegd. Daarbij is ook van belang dat de te hoge %CDT-waarde in het bloed van appellant tijdens het eerste onderzoek niet is weerlegd door de resultaten van een tegenonderzoek op basis van het bloedmonster uit het eerste onderzoek. Ook anderszins is niet gebleken dat de rapporten van de twee keuringsartsen niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen of onvoldoende draagkrachtig zijn gemotiveerd.

   Nu uit deze rapporten volgt dat appellant niet voldeed aan de geschiktheidseisen, heeft het CBR terecht besloten tot ongeldigverklaring van het rijbewijs. De rechtbank heeft het beroep van appellant dan ook terecht ongegrond verklaard. Gelet hierop is toepassing van artikel 8:73 van de Awb niet aan de orde.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen    w.g. Klein

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2006.

176-440.