Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY9387

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-10-2006
Datum publicatie
04-10-2006
Zaaknummer
200600134/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 augustus 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Liesveld (hierna: het college) een aanvraag van [vergunninghoudster] (hierna: de besloten vennootschap) om verlening van een monumentenvergunning voor het wijzigen van het [pand] en de bijbehorende schuur, gevestigd aan het adres [locatie] te [plaats] ingewilligd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200600134/1.

Datum uitspraak: 4 oktober 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/199 van de rechtbank Dordrecht van 25 november 2005 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Liesveld.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 16 augustus 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Liesveld (hierna: het college) een aanvraag van [vergunninghoudster] (hierna: de besloten vennootschap) om verlening van een monumentenvergunning voor het wijzigen van het [pand] en de bijbehorende schuur, gevestigd aan het adres [locatie] te [plaats] ingewilligd.

Bij besluit van 5 januari 2005 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 november 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Dordrecht (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 januari 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 31 januari 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 10 maart 2006 heeft de besloten vennootschap desgevraagd van antwoord gediend.

Bij brief van 20 maart 2006 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 31 mei 2006 heeft de besloten vennootschap nadere stukken ingediend.

Bij brief van 1 juni 2006 heeft appellant nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 juni 2006, waar appellant, bijgestaan door mr. A. van Diermen, het college, vertegenwoordigd door C. Benschop, werkzaam bij de gemeente Liesveld, en de besloten vennootschap, vertegenwoordigd door A.J. Bikker, bijgestaan door mr. R.G. Degenaar, advocaat te Gorinchem, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 11, tweede lid, van de Monumentenwet 1988 is het verboden zonder of in afwijking van een vergunning:

a.    een beschermd monument af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen;

b.     een beschermd monument te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze, waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.    

2.2.    De besloten vennootschap heeft een aanvraag ingediend om verlening van een monumentenvergunning voor het wijzigen van het beschermd monument [pand]. De wijziging betreft herstel- en verbeteringswerkzaamheden aan het casco van [pand] en de bijbehorende schuur, gericht op de bouwkundige instandhouding van het monument met het oog op het toekomstige gebruik als woonhuis.

2.3.    Appellant is eigenaar van de naast [pand] gelegen woning.

2.3.1.    De Rijksdienst voor de Monumentenzorg (hierna: de Rijksdienst) heeft ter zake van het plan op 29 juli 2004 positief geadviseerd, behoudens de beoogde toepassing van dubbele beglazing. De Rijksdienst heeft geoordeeld dat, hoewel het aanvankelijk ingediende plan sterk uitging van vernieuwen, de nieuw ingediende stukken op een zorgvuldiger aanpak wijzen, waarbij wordt uitgegaan van behoud van bestaand materiaal en partieel herstel. De Rijksdienst kan dan ook instemmen met het plan indien een dergelijke werkwijze wordt aangehouden. Volgens de Rijksdienst bestaan er uit het oogpunt van de monumentenzorg mitsdien geen bezwaren tegen de uitvoering van het plan. De Rijksdienst acht het voor de duidelijkheid wel van belang dat, eventueel na nadere beoordeling na het plaatsen van steigers, de werkzaamheden in een goed te keuren bestek of een werkomschrijving worden vastgelegd, alvorens met het herstelwerk wordt gestart.

2.3.2.    Bij besluit van 16 augustus 2004 heeft het college de vergunning verleend. Aan de vergunning is het voorschrift verbonden dat het toepassen van dubbel glas niet is toegestaan en dat, alvorens met het herstelwerk wordt gestart, een bestek of een uitgebreide werkomschrijving wordt gemaakt en dat goedkeuring daarvan wordt verkregen van het college.

   Bij besluit van 5 januari 2005 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het college heeft in dat besluit onder meer aangegeven dat de besloten vennootschap een werkomschrijving heeft gemaakt en dat deze op 16 november 2004 door het college is goedgekeurd.

2.4.    Voorop gesteld dient te worden dat het hoger beroep zich blijkens het geschrift van 4 januari 2006 uitsluitend richt tegen de uitspraak van de rechtbank, voor zover daarbij het beroep, gericht tegen de gehandhaafde verlening van de monumentenvergunning, ongegrond is verklaard. Hetgeen appellant omtrent de inhoud van de werkomschrijving heeft betoogd, kan in de onderhavige procedure derhalve niet aan de orde komen.

2.5.    Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college het besluit van 5 januari 2005 onvoldoende heeft gemotiveerd, nu dit besluit afwijkt van het advies van de Rijksdienst. Voorts is dit besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid, omdat onvoldoende vast stond of de restauratie conform het advies van de Rijksdienst zou worden uitgevoerd. Appellant betoogt voorts dat de uitvoering van de restauratie ook daadwerkelijk afwijkt van het advies van de Rijksdienst en wijst daartoe op een door de vennootschap overgelegde notitie van architectenbureau Rokus Visser te Schoonhoven, gedateerd 27 december 2005. Verder klaagt appellant dat de besloten vennootschap bij de opneming van de gebreken aan [pand] ten onrechte ladders heeft gebruikt in plaats van steigers.

2.5.1.    Het betoog van appellant slaagt niet. Anders dan appellant betoogt, heeft het college bij het nemen van het besluit van 5 januari 2005, strekkend tot handhaving van de verleende vergunning, alle voorwaarden en opmerkingen die in het advies van de Rijksdienst zijn gemaakt in aanmerking genomen. Het betoog van appellant ziet voor het overige op de uitvoering van de vergunde werkzaamheden en kan derhalve niet leiden tot het oordeel dat de verleende vergunning onrechtmatig is.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. J.H.B. van der Meer en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. T.E. Larsson-van Reijsen, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek    w.g. Larsson-van Reijsen

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2006

344.