Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY9386

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-09-2006
Datum publicatie
04-10-2006
Zaaknummer
200605553/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 januari 2006 heeft verweerder een last onder dwangsom opgelegd aan verzoekster. De dwangsom is vastgesteld per overtreding van: -     artikel 10.60, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer in samenhang met artikel 18, eerste lid, van de Verordening 259/93/EEG van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap (hierna: de Verordening); -    artikel 10.60, eerste lid, van de Wet milieubeheer in samenhang met artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a, b en/of e, en artikel 15 van de Verordening en met artikel 1 en artikel 2 van de Verordening 1420/1999; -    artikel 10.60, eerste lid, van de Wet milieubeheer in samenhang met artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a, b en/of e, de artikelen 6 t/m 8, artikel 10 en artikel 15 van de Verordening en met artikel 1 van de Verordening 1547/1999.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200605553/2.

Datum uitspraak: 27 september 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Socar Shipping Agency B.V.", gevestigd te Lelystad,

verzoekster,

en

de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 19 januari 2006 heeft verweerder een last onder dwangsom opgelegd aan verzoekster. De dwangsom is vastgesteld per overtreding van: -     artikel 10.60, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer in samenhang met artikel 18, eerste lid, van de Verordening 259/93/EEG van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap (hierna: de Verordening); -    artikel 10.60, eerste lid, van de Wet milieubeheer in samenhang met artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a, b en/of e, en artikel 15 van de Verordening en met artikel 1 en artikel 2 van de Verordening 1420/1999; -    artikel 10.60, eerste lid, van de Wet milieubeheer in samenhang met artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a, b en/of e, de artikelen 6 t/m 8, artikel 10 en artikel 15 van de Verordening en met artikel 1 van de Verordening 1547/1999.

Bij besluit van 16 juni 2006, op dezelfde dag verzonden, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 26 juli 2006, bij de Raad van State ingekomen op 28 juli 2006, beroep ingesteld.

Bij brief van 27 juli 2006, bij de Raad van State ingekomen op 28 juli 2006, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 15 september 2006, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. F.J.M. Wolbers, advocaat te Arnhem, en J. Kroon, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. W. Huiberts en drs. M.E. Oderkerk, ambtenaren van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    Aan de opgelegde last onder dwangsom heeft verweerder ten grondslag gelegd dat verzoekster doende was minimaal achttien afgedankte en defecte televisies over te brengen van Nederland naar [land], zonder dat daartoe een kennisgeving was gedaan, zoals vereist in de Verordening.

2.3.    Verzoekster betoogt dat verweerder de last onder dwangsom ten onrechte heeft opgelegd. Hiertoe voert zij onder meer aan dat zij als douane-exporteur niet als overtreder kan worden aangemerkt, gelet op haar administratieve rol op afstand. Zij is niet verantwoordelijk voor het doen van een kennisgeving in het kader van de uitvoer en haar kan niet worden verweten dat in strijd met het uitvoerverbod naar niet-OESO-landen en/of ACS-landen vermeende gevaarlijke afvalstoffen zijn uitgevoerd, aldus verzoekster. Verder betwist zij dat de in het geding zijnde televisies beschouwd dienen te worden als afvalstoffen. Daarnaast geeft verweerder ten onrechte niet aan hoe zij uitvoering kan geven aan de last, gelet op de algemeenheid daarvan, aldus verzoekster.

2.4.    Naar het oordeel van de Voorzitter leent deze procedure zich niet voor de beantwoording van principiële vragen ten aanzien van de toepassing van de Verordening, zoals de vraag in hoeverre verzoekster als douane-expediteur verantwoordelijk is voor het doen van een kennisgeving in het kader van de uitvoer, de vraag naar de verwijtbaarheid van verzoekster ten aanzien van het uitvoeren van vermeende gevaarlijke afvalstoffen in strijd met het uitvoerverbod naar niet-OESO-landen en/of ACS-landen en de vraag of de in het geding zijnde televisies als afvalstoffen dienen te worden aangemerkt. De Afdeling zal deze vragen zonodig in de bodemprocedure moeten beantwoorden.

   In reactie op de concrete aanleiding tot het opleggen van de onderhavige last onder dwangsom, te weten de uitvoer van afgedankte en defecte televisies naar [land], heeft verzoekster verschillende maatregelen genomen. Zij heeft haar samenwerking met de betreffende exporteur, ETC, beëindigd. Daarnaast hanteert zij een strenge personele instructie ten aanzien van de regels omtrent het overbrengen van goederen en een strenge controle op de aanwezigheid van potentieel afval. De Voorzitter acht het risico voor verzoekster op het verbeuren van dwangsommen relatief groot, gelet op de algemeenheid van de opgelegde last. Hij houdt ook rekening met het feit dat verweerder in een eerdere fase heeft toegezegd geen verbeurde dwangsommen te zullen innen voordat op het bezwaarschrift was beslist. Het vorenstaande in aanmerking nemende en nu niet is gebleken van zwaarwegende milieubelangen die zich daartegen verzetten, ziet de Voorzitter, bij afweging van de betrokken belangen, aanleiding tot het treffen van de hierna te melden voorlopige voorziening. De overige gronden van verzoekster behoeven gelet hierop geen bespreking.

   Voorts ziet de Voorzitter aanleiding om te bevorderen dat de Afdeling het beroep tegen het bestreden besluit zo spoedig mogelijk zal behandelen.

2.5.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening de besluiten van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 16 juni 2006, kenmerk VI BZ 2006275810 en van 19 januari 2006, kenmerk VI/NW/2006226194/RN;

II.    veroordeelt de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer tot vergoeding van bij verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 675,77 (zegge: zeshonderdvijfenzeventig euro en zevenenzeventig cent), waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) aan verzoekster onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

III.    gelast dat de Staat der Nederlanden (het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) aan verzoekster het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 281,00 (zegge: tweehonderdéénentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt    w.g. De Vink

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 september 2006

154-493.