Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY9377

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-10-2006
Datum publicatie
04-10-2006
Zaaknummer
200508272/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 oktober 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Renkum (hierna: het college) het verzoek van appellant afgewezen om handhavend op te treden tegen het niet op juiste wijze nakomen van een bij besluit van 2 november 1999 aan de eigenaar van het perceel Balijeweg 4 te Wolfheze of diens rechtsopvolger opgelegde plicht tot het herplanten van twee inlandse eiken op dit perceel en tegen het niet op juiste wijze uitvoeren van een bij besluit van 6 juni 1997 verleende vergunning voor het kappen van 11 bomen op een perceel gelegen tussen de percelen Balijeweg 2 en 4 te Wolfheze.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200508272/1.

Datum uitspraak: 4 oktober 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/353 EN 05/803 van de rechtbank Arnhem van 22 augustus 2005 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Renkum.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 7 oktober 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Renkum (hierna: het college) het verzoek van appellant afgewezen om handhavend op te treden tegen het niet op juiste wijze nakomen van een bij besluit van 2 november 1999 aan de eigenaar van het perceel Balijeweg 4 te Wolfheze of diens rechtsopvolger opgelegde plicht tot het herplanten van twee inlandse eiken op dit perceel en tegen het niet op juiste wijze uitvoeren van een bij besluit van 6 juni 1997 verleende vergunning voor het kappen van 11 bomen op een perceel gelegen tussen de percelen Balijeweg 2 en 4 te Wolfheze.

Bij besluit van 16 januari 2003 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 juli 2004 heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat het college een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van het in de uitspraak overwogene.

Bij besluit van 15 maart 2005 heeft het college het bezwaar wederom ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 augustus 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 27 september 2005, bij faxbericht bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 24 november 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 26 oktober 2005, aangevuld bij brief van 19 december 2005, heeft het college van antwoord gediend.

Tevens zijn nadere stukken van appellant ontvangen. Deze zijn aan het college toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 augustus 2006. Het college is met bericht niet verschenen. Appellant is evenmin verschenen.

2.    Overwegingen

2.1    Thans is uitsluitend in geschil het deel van de aangevallen uitspraak houdende ongegrondverklaring van het beroep tegen het besluit van het college van 15 maart 2005, waarbij het besluit van 7 oktober 2002 is gehandhaafd. Bij dit laatste besluit heeft het college, voor zover thans van belang, geweigerd handhavende maatregelen te treffen ter zake van het niet op juiste wijze uitvoeren van de bij besluit van 6 juni 1997 verleende en thans onherroepelijke kapvergunning. De rechtbank heeft onder meer overwogen dat het college terecht tot de conclusie is gekomen dat de uitvoering van de kapvergunning is gecontroleerd en correct uitgevoerd is bevonden.

2.2    Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet de rechtmatigheid heeft beoordeeld van het Groenstructuurplan en het ter plaatse geldende bestemmingsplan waaraan, naar appellant stelt, bij het verlenen van de kapvergunning diende te worden getoetst. Niet onderzocht is of een zorgvuldige belangenafweging bij het nemen van het bestreden besluit heeft plaatsgevonden, aldus appellant. In dit verband wijst hij op het oordeel van de Nationale Ombudsman dat de bestuursrechter in de betreffende situatie structuurplannen en bestemmingsplannen op rechtmatigheid dient te toetsen met het oog op de te onderzoeken zorgvuldigheid inzake de  belangenafweging.

2.2.1    Hetgeen appellant heeft aangevoerd heeft betrekking op de vraag of het college de kapvergunning van 6 juni 1997 kon verlenen. Appellant verliest daarbij uit het oog dat de kapvergunning onherroepelijk is geworden en geen onderwerp van geschil (meer) is. Aan een beoordeling van de rechtmatigheid van het Groenstructuurplan en het bestemmingsplan, zo deze al bij de beoordeling van de vergunningaanvraag zouden moeten worden betrokken, komt de Afdeling daarom niet toe.

2.3    Voorts betoogt appellant dat in strijd met het gelijkheidsbeginsel  aan hem geen kapvergunning zonder herplantingsplicht wordt verleend terwijl aan anderen wel een kapvergunning zonder het opleggen van een herplantingsplicht wordt verleend.

   Dit niet nader geconcretiseerde betoog kan evenmin slagen, reeds omdat het geen betrekking heeft op hetgeen thans in geschil is.

2.4    Gelet op het vorenstaande en nu niet anderszins is gebleken heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat de kapvergunning van 6 juni 1997 correct is uitgevoerd.

2.5    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. van Altena    w.g. Groenendijk

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2006

164-515.