Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY9373

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-10-2006
Datum publicatie
04-10-2006
Zaaknummer
200601635/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 november 2005 heeft verweerder op grond van Verordening 259/93/EEG van 1 februari 1993, betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap (hierna: de Verordening) bezwaar gemaakt tegen de voorgenomen overbrenging van gebruikte motor- en systeemolie van België naar Nederland.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200601635/1.

Datum uitspraak: 4 oktober 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante A], gevestigd te [plaats], en [appellante B] gevestigd te [plaats]

en

de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 23 november 2005 heeft verweerder op grond van Verordening 259/93/EEG van 1 februari 1993, betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap (hierna: de Verordening) bezwaar gemaakt tegen de voorgenomen overbrenging van gebruikte motor- en systeemolie van België naar Nederland.

Bij besluit van 19 januari 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 23 november 2005 herroepen en daarvoor in de plaats ingestemd met de voorgenomen overbrenging.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 28 februari 2006, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 11 april 2006.

Bij besluit van 30 mei 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft verweerder het besluit van 19 januari 2006 ingetrokken en het bezwaarschrift van appellanten opnieuw gegrond verklaard. Voorts heeft verweerder in dit besluit het verzoek van appellanten om vergoeding van de kosten die verband houden met het maken van bezwaar, afgewezen.

Bij brief van 1 juni 2006, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op dezelfde dag, hebben appellanten naar aanleiding van dit besluit de gronden van hun beroep nader aangevuld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 september 2006, waar verweerder, vertegenwoordigd door mr. J.E. den Hartog-van 't Zelfde, werkzaam bij SenterNovem, is verschenen. Appellanten zijn in verband met een door verweerder doorgevoerde beleidswijziging met bericht van verhindering niet verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Bij het primaire besluit van 23 november 2005 heeft verweerder op grond van de Verordening bezwaar gemaakt tegen het voornemen van [appellante B] om 4.500.000 kilogram (5.000.000 liter) gebruikte motor- en systeemolie voor nuttige toepassing over te brengen naar [appellante A] in de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2006. Verweerder heeft bezwaar gemaakt tegen de voorgenomen overbrenging, omdat hij van mening is dat de kennisgeving op een aantal punten niet in overeenstemming is met de Verordening.

   Bij besluit van 19 januari 2006 heeft verweerder het bezwaar van appellanten gericht tegen het besluit van 23 november 2005 gegrond verklaard en ingestemd met de voorgenomen overbrenging.

2.2.    Ingevolge artikel 6:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht brengt het aanhangig zijn van bezwaar of beroep tegen een besluit geen verandering in een los van het bezwaar of beroep reeds bestaande bevoegdheid tot intrekking of wijziging van dat besluit.

   In artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat, indien een bestuursorgaan een besluit heeft genomen als bedoeld in artikel 6:18, het bezwaar of beroep geacht wordt mede te zijn gericht tegen het nieuwe besluit, tenzij dat besluit aan het bezwaar of beroep geheel tegemoet komt.

2.2.1.    Onder intrekking van het besluit van 19 januari 2006 heeft verweerder op 30 mei 2006 een nieuw besluit genomen, waarbij het bezwaarschrift van appellanten opnieuw gegrond is verklaard. Bij ditzelfde besluit heeft verweerder het verzoek van appellanten om vergoeding van de kosten van bezwaar afgewezen. Het besluit van 30 mei 2006 moet worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht, zodat ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van die wet het beroep moet worden geacht mede betrekking te hebben op dat besluit.

2.3.    Appellanten voeren allereerst aan - kort weergegeven - dat hun bezwaar weliswaar gegrond is verklaard en de voorgestane overbrenging is toegestaan, doch dat verweerder zowel in de considerans als in het dictum van het bestreden besluit heeft vermeld dat hij na deze overbrenging niet meer zal toestaan dergelijke transporten uit te voeren op basis van een kennisgeving als in dit geval is gedaan. Nu dit eveneens in het dictum van het bestreden besluit is opgenomen, is dit op rechtsgevolg gericht en heeft dit directe gevolgen voor de toekomstige bedrijfsvoering, aldus appellanten. Zij wijzen er in dit verband nog op dat de wijze van overbrenging die door hen wordt gehanteerd in overeenstemming is met de Verordening. Op dit punt dient hetgeen zij in hun aanvullende bezwaarschrift naar voren hebben gebracht, als herhaald en ingelast te worden beschouwd.

2.3.1.    De Afdeling overweegt als volgt.

   De onderdelen van het besluit waar dit deel van het beroep tegen is gericht, zijn uitsluitend opgenomen in de overwegingen van het besluit en in een slotmededeling onder het kopje "Ten overvloede". Daarin attendeert verweerder appellanten erop dat hij een kennisgeving als die welke ditmaal is gedaan, in voorkomende volgende gevallen niet meer zal accepteren. Het gaat om de aankondiging van een toekomstig beleidstandpunt, dat niet is gericht op rechtsgevolg en dat - anders dan appellanten stellen - geen onderdeel uitmaakt van het dictum van het bestreden besluit. Het beroep moet derhalve in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard.

2.4.    Appellanten kunnen zich niet vinden in de afwijzing van hun verzoek om vergoeding van de kosten die zij in verband met de behandeling van het bezwaar hebben moeten maken. Zij zijn van mening dat het besluit van 23 november 2005 wordt herroepen wegens aan verweerder te wijten onrechtmatigheid.

2.4.1.    Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover hier van belang, worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

2.4.2.    Het bezwaar van appellanten is bij besluit van 19 januari 2006 gegrond verklaard. Het primaire besluit is daarbij herroepen. In het wijzigingsbesluit van 30 mei 2006 zijn de gegrondverklaring en herroeping in stand gebleven.

   Bij uitspraak van de Voorzitter van 28 december 2005 in zaak no. 200509821/1 is het primaire besluit geschorst. De Voorzitter heeft daarbij onder meer overwogen, dat gebleken is dat verweerder niet eerder bezwaar heeft gemaakt tegen een voorgenomen overbrenging van afvalstoffen vanwege de omstandigheid dat deze overbrenging niet aanvangt vanaf één locatie, zoals appellanten hebben beoogd met hun kennisgeving. Volgens de Voorzitter had het in de rede gelegen om belanghebbenden voorafgaand aan deze wijziging van een bestendige bestuurspraktijk hiervan in kennis te stellen. Dit is echter niet gebeurd.

   Onder meer naar aanleiding van voornoemde uitspraak van de Voorzitter heeft verweerder het bezwaar van appellanten bij besluit van 19 januari 2006 gegrond verklaard. Daarnaast is het bezwaar van appellanten door verweerder gegrond verklaard vanwege de omstandigheid dat appellanten de in dat verband aanvankelijk ontbrekende dan wel onvolledige documenten alsnog aan verweerder hebben overgelegd respectievelijk hebben aangevuld. Hierbij gaat het om een verklaring van de bevoegde autoriteit van het land van verzending met betrekking tot het stellen van financiële zekerheid, het contract tussen de kennisgever en de ontvanger alsmede het kennisgevingsformulier.

2.4.3.    Ten aanzien van het overleggen respectievelijk aanvullen door appellanten van de ontbrekende en onvolledige documenten is het besluit van 23 november 2005 herroepen wegens veranderde feiten en omstandigheden, niet wegens aan verweerder te wijten onrechtmatigheid. Om die reden heeft verweerder het verzoek om vergoeding van de desbetreffende kosten in zoverre terecht afgewezen. Ten aanzien van de overige aspecten is het primaire besluit niet herroepen wegens sedertdien gewijzigde omstandigheden, maar op grond van nadere inzichten van verweerder in wat rechtens juist is. Nu verweerder heeft miskend dat het primaire besluit in zoverre is herroepen wegens aan hem te wijten onrechtmatigheid, is het beroep in zoverre gegrond. Verweerder dient op na te melden wijze te worden veroordeeld in de kosten die appellanten in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs hebben moeten maken. Gelet op het voorgaande behoeft verweerder niet alsnog te beslissen op het verzoek van appellanten.

2.5.    Het beroep is, voor zover ontvankelijk, gegrond.

2.6.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het betreft het standpunt van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer ten aanzien van toekomstige transporten van afvalstoffen;

II.    verklaart het beroep voor het overige gegrond;

III.    vernietigt het besluit van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 30 mei 2006, kenmerk JZ/EVOA_JZ/060698/BPA, voor zover bij dit besluit het verzoek van appellanten om vergoeding van hun proceskosten in de bezwaarprocedure is afgewezen;

IV.    veroordeelt de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het bezwaar en beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 966,00 (zegge: negenhonderdzesenzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) aan appellanten onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

V.    gelast dat de Staat der Nederlanden (het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 276,00 (zegge: tweehonderdzesenzeventig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt    w.g. Van Hardeveld

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2006

312-443.