Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY8946

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-09-2006
Datum publicatie
27-09-2006
Zaaknummer
200508475/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 januari 2005 heeft de stadsdeelraad van het stadsdeel Oost/Watergraafsmeer van de gemeente Amsterdam, op voorstel van het stadsdeelbestuur van 23 november 2004, het bestemmingsplan "De Eenhoorn" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 7.2
Wet milieubeheer 7.17
Wet milieubeheer 7.19
Besluit milieu-effectrapportage 1994
Besluit milieu-effectrapportage 1994 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2007/29 met annotatie van Pieters/ Van Velsen
Module Ruimtelijke ordening 2006/1579

Uitspraak

200508475/1.

Datum uitspraak: 27 september 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 31 januari 2005 heeft de stadsdeelraad van het stadsdeel Oost/Watergraafsmeer van de gemeente Amsterdam, op voorstel van het stadsdeelbestuur van 23 november 2004, het bestemmingsplan "De Eenhoorn" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 23 augustus 2005, kenmerk 2005-10460, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief van 30 september 2005, bij de Raad van State ingekomen op 5 oktober 2005, en [appellanten sub 2] bij brief van 6 oktober 2005, bij de Raad van State ingekomen op 7 oktober 2005, beroep ingesteld.

Bij brief van 30 januari 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 12 april 2006. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van de stadsdeelraad van het stadsdeel Oost/Watergraafsmeer. Dit stuk is aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 juni 2006, waar [appellant sub 1], in persoon, [appellanten sub 2], in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. J.C. Ellerman, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord de stadsdeelraad van het stadsdeel Oost/Watergraafsmeer, vertegenwoordigd door mr. E.A. Minderhoud, advocaat te Amsterdam, mr. S.F.M. Hijsen en ir. J.J.M. van de Ven, ambtenaren van het stadsdeel, drs. F.H. Bruens en drs. H.M. Misset, medewerkers van Van Riezen & Partners, ir. A. Vos, medewerker van het Ingenieursbureau Amsterdam en drs. P.J. Siderius, ambtenaar van de gemeente Amsterdam.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht, zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten, op dit geding van toepassing blijft.

Ontvankelijkheid

2.2.    [appellant sub 2B] heeft geen zienswijze tegen het ontwerp-plan ingebracht bij de stadsdeelraad.

   Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, onder d, en 56, tweede lid, gelezen in samenhang met de artikelen 23, eerste lid, en 27, eerste en tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten, door degene die tegen het ontwerp-plan tijdig een zienswijze bij de stadsdeelraad heeft ingebracht.

   Dit is slechts anders voor zover de stadsdeelraad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, voor zover het besluit van het college van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest een zienswijze in te brengen.

   Geen van deze omstandigheden, voor zover hier van belang, doet zich voor. Het beroep van [appellanten sub 2], voor zover ingediend door [appellant sub 2B], is dan ook niet-ontvankelijk.

Toetsingskader van de Afdeling

2.3.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de stadsdeelraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Het bestemmingsplan

2.4.    Het plan voorziet in de herontwikkeling van het gebied tussen de Wibautstraat, Ringdijk, Nobelweg en Gooiseweg tot een hoogwaardig gemengd woon- en werkgebied in hoge dichtheden. Het plangebied is opgedeeld in negen kavels, A tot en met I. Voor die delen van het plangebied waarvoor geen ontwikkelingen zijn voorzien, is de bestaande situatie vastgelegd. Voor de te ontwikkelen gebieden zijn de kavels waarvoor nog geen concrete initiatieven voorhanden zijn bestemd als "Uit te werken gemengde doeleinden". Voor de kavels A, D en I zijn eindbestemmingen opgenomen, omdat daarvoor al wel concrete bouwinitiatieven voorhanden zijn.

De instemming met de reactie van het stadsdeelbestuur op de bedenkingen

Het standpunt van appellant

2.5.    [appellant sub A] stelt in beroep dat het bestreden besluit in strijd is met het bepaalde in artikel 3:46 van de Awb omdat verweerder slechts heeft ingestemd met de reactie van het stadsdeelbestuur op zijn bedenkingen, zonder hierbij een eigen oordeel te geven en voorts zonder te motiveren waarom deze reactie wordt onderschreven.

Het standpunt van verweerder

2.5.1.    Verweerder heeft ingestemd met de reactie van het stadsdeelbestuur op de door appellant ingebrachte bedenkingen en heeft deze in het bestreden besluit overgenomen.

Het oordeel van de Afdeling

2.5.2.    Nu verweerder in het besluit heeft aangegeven met de reactie van het stadsdeelbestuur op de bedenkingen te kunnen instemmen en hij de reactie heeft overgenomen in het besluit, dient deze reactie te worden beschouwd als het standpunt van verweerder met betrekking tot de bij hem ingebrachte bedenkingen.

Het volgen van een dergelijke handelwijze leidt niet op voorhand tot de conclusie dat verweerder zich niet - mede naar aanleiding van door appellant ingebrachte bedenkingen - een eigen oordeel heeft gevormd omtrent hetgeen een belangenafweging in het kader van een goede ruimtelijke ordening vereist. Evenmin wordt geoordeeld dat het volgen van een dergelijke handelwijze op voorhand tot de conclusie dient te leiden dat het besluit niet berust op een deugdelijke motivering. De Afdeling overweegt dat in beginsel geen wettelijke bepaling of algemeen rechtsbeginsel aan een dergelijke handelwijze in de weg staat. Niet is gebleken dat dat in dit geval anders is.

   Gezien het vorenstaande ziet de Afdeling in de omstandigheid dat verweerder in het besluit heeft aangegeven in te kunnen stemmen met de reactie van het stadsdeelbestuur op de door appellant ingebrachte bedenkingen geen aanleiding te oordelen dat het bestreden besluit reeds daarom, gelet op het in rechtsoverweging 2.3. geformuleerde toetsingskader van de Afdeling, voor vernietiging in aanmerking zou komen.

Luchtkwaliteit

Het standpunt van appellanten

2.6.    [appellant sub 1] en [appellant sub 2A] stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het bestemmingsplan omdat het plan in strijd is met het Besluit luchtkwaliteit. [appellant sub 1] stelt dat de rapporten over de luchtkwaliteit van het Ingenieursbedrijf Amsterdam (hierna: het IBA), gedateerd 11 mei 2005 en 5 augustus 2005, en het ontwerp-actieplan ten onrechte niet ter inzage hebben gelegen en dat hij hierdoor zijn beroep ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit niet goed kan motiveren. [appellant sub 2A] betoogt dat op de Gooiseweg, het Prins Bernhardplein en de Wibautstraat de normen voor zwevende deeltjes (PM10) tussen 2005 en 2010 niet gehaald kunnen worden en dat vanaf 2010 de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie voor stikstofdioxide overschreden zal worden. Voorts is onvoldoende rekening gehouden met de groei van het autoverkeer ten gevolge van de voorziene ontwikkelingen in het plan, aldus [appellant sub 2A].

Het standpunt van verweerder

2.6.1.    Verweerder heeft het plan in zoverre niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en heeft het plan goedgekeurd. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de rapporten van het IBA blijkt dat in de periode van 1 januari 2005 tot 1 januari 2009 de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie voor zwevende deeltjes (PM10) op twee plaatsen meer dan 35 maal per kalenderjaar wordt overschreden. Op grond van de door het stadsdeelbestuur aan hem verstrekte informatie heeft verweerder geconcludeerd dat de uitvoering van het plan niet tot een toename van de overschrijding van deze grenswaarde zal leiden.

De vaststelling van de feiten

2.6.2.    Uit artikel 37 van het Besluit luchtkwaliteit 2005 (hierna: het Blk 2005) volgt dat het Blk 2005 op dit geding van toepassing is.

2.6.3.    Ingevolge artikel 7, eerste lid, van het Blk 2005 nemen bestuursorganen bij de uitoefening van bevoegdheden dan wel bij toepassing van wettelijke voorschriften die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, de in paragraaf 2 genoemde grenswaarden voor onder meer stikstofdioxide en zwevende deeltjes (PM10) in acht.

   In artikel 7, derde lid, aanhef en onder a, is bepaald dat de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden, in afwijking van dat lid, mede kunnen worden uitgeoefend indien de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of tenminste gelijk blijft.

   Ingevolge artikel 15, eerste lid, onder b, van het Blk 2005 geldt voor stikstofdioxide een grenswaarde van 40 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie, uiterlijk op 1 januari 2010, en een grenswaarde van 200 microgram per m3 als uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal achttien maal per kalenderjaar mag worden overschreden.

   Ingevolge artikel 20 van het Blk 2005 geldt voor zwevende deeltjes (PM10) een grenswaarde van 40 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie en een grenswaarde van 50 microgram per m3 als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal vijfendertig maal per kalenderjaar mag worden overschreden.

2.6.4.    In de plantoelichting staat dat onderzoek is verricht naar de luchtkwaliteit. Geconstateerd is dat aan de grenswaarden voor zwevende deeltjes (PM10), zoals die in het toen geldende Besluit luchtkwaliteit 2001 waren opgenomen, niet wordt voldaan. De maximaal toegestane vierentwintig-uurgemiddelde concentratie zwevende deeltjes (PM10) wordt ten hoogste 56 dagen overschreden. De ontwikkelingen in het plangebied zorgen niet voor een meetbaar grotere overschrijding van de grenswaarden voor de concentraties zwevende deeltjes (PM10). Voorts wordt in de plantoelichting geconcludeerd dat door de ontwikkeling van het plangebied het verkeer op de Wibautstraat en de Nobelweg zal toenemen, maar dat dit zal niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden voor stikstofdioxide.

2.6.5.    Door het IBA is in opdracht van stadsdeelbestuur onderzoek gedaan naar de luchtkwaliteit. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Onderzoek luchtkwaliteit ten behoeve van bestemmingsplan De Eenhoorn", gedateerd 11 mei 2005 (hierna: het eerste IBA-rapport).

   In het eerste IBA-rapport staat dat alleen onderzoek is gedaan naar stikstofdioxide en zwevende deeltjes (PM10) en dat voor de achtergrondwaarden gebruik is gemaakt van de meetgegevens van de Geneeskundige en Gezondheidsdienst Amsterdam. Geconcludeerd wordt dat de grenswaarden voor stikstofdioxide en zwevende deeltjes (PM10) niet worden overschreden.

   In het IBA-rapport, gedateerd 5 augustus 2005 (hierna: het tweede IBA-rapport), zijn de resultaten neergelegd van een aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit. Op basis van de uitgevoerde berekeningen wordt in dit rapport geconcludeerd dat tussen 2005 en 2009 de grenswaarde voor de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie voor zwevende deeltjes (PM10) op twee plaatsen wordt overschreden. Voor de Wibautstraat is dat tot 2009 en voor het Prins Bernhardplein is dat tot 2006. Voorts wordt geconcludeerd dat de grenswaarden voor stikstofdioxide ook in 2010 niet worden overschreden.

2.6.6.    Ter zitting is gebleken dat op 1 maart 2006 door de gemeenteraad een actieplan is vastgesteld, waarin wordt aangegeven op welke wijze in de gemeente Amsterdam zal worden voldaan aan de grenswaarden, zoals die in het Blk 2005 zijn opgenomen. Het actieplan bevat maatregelen die in de gemeente Amsterdam getroffen moeten worden. De Wibautstraat wordt in het actieplan niet tot de problematische straten van Amsterdam gerekend.

Het oordeel van de Afdeling

2.6.7.    Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het eerste IBA-rapport voorafgaand aan de hoorzitting bij verweerder van 28 juni 2005 samen met de zich op dat moment in het dossier bevindende stukken ter inzage heeft gelegen. [appellant sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het voor hem niet mogelijk was van het eerste IBA-rapport kennis te nemen. Voorts is gebleken dat het tweede IBA-rapport niet ter inzage heeft gelegen omdat het eerst na het nemen van het bestreden besluit is vastgesteld. Ter zitting is gebleken dat [appellant sub 1] voor de zitting kennis heeft genomen van voornoemd rapport en er op heeft kunnen reageren, zodat er geen aanleiding is te oordelen dat [appellant sub 1] in zijn processuele positie is benadeeld.

2.6.8.    Uit het tweede IBA-rapport blijkt dat tussen 2005 en 2009 de grenswaarde voor de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie voor zwevende deeltjes (PM10) in de Wibautstraat wordt overschreden en dat derhalve niet wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 7, eerste lid, van het Blk 2005. Gelet op artikel 7, derde lid, aanhef en onder a, van het Blk 2005, staat dit niet in de weg aan het uitoefenen van een bevoegdheid, zolang de concentratie van de betrokken stof in de buitenlucht als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheid niet verder toeneemt.

   Uit het tweede IBA-rapport blijkt voorts dat de concentratieberekeningen zijn uitgevoerd voor de jaren 2005 tot 2010, uitgaande van de situatie waarin het bestemmingsplan is gerealiseerd. Uit het rapport blijkt niet dat de autonome groei zonder de gevolgen van realisatie van het bestemmingsplan voor de luchtkwaliteit is onderzocht. Als gevolg hiervan is het niet mogelijk een vergelijking te maken tussen de gevolgen van autonome groei voor de luchtkwaliteit en de gevolgen van de realisatie van het bestemmingsplan voor de luchtkwaliteit ter plaatse van de Wibautstraat. Verweerder heeft in dit kader in navolging van het stadsdeelbestuur gesteld dat het niet nodig is een dergelijke vergelijking te maken omdat de maximale capaciteit van de Wibautstraat reeds is bereikt. Planrealisering leidt daarom niet tot een toename van verkeer op de Wibautstraat en dus niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse van die straat, aldus verweerder.

   Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de realisering van het bestemmingsplan per etmaal 1000 extra verkeersbewegingen met zich brengt. Ter zitting heeft het stadsdeelbestuur gesteld dat dit niet leidt tot extra verkeersbewegingen op de Wibautstraat. Er zal een nieuw verkeerskundig evenwicht ontstaan vanwege de omstandigheid dat de maximale capaciteit van de Wibautstraat is bereikt. Die straat kan niet meer verkeer verwerken dan thans reeds geschiedt, zodat er voor de luchtkwaliteit geen gevolgen kunnen zijn, aldus het stadsdeelbestuur.

   Vastgesteld wordt dat deze stelling niet met onderzoeksgegevens is onderbouwd. Zonder nadere onderbouwing acht de Afdeling deze stelling niet aannemelijk. Hoewel niet is uit te sluiten dat de aanname van verweerder en het stadsdeelbestuur juist is voor de spitsuren, acht de Afdeling deze aanname niet zonder meer aannemelijk voor de overige uren van de dag. Aannemelijk is dat de 1000 extra verkeersbewegingen niet uitsluitend zullen plaatsvinden tijdens spitsuren, maar ook op andere uren van de dag. Op die momenten kan de Wibautstraat wel meer verkeer verwerken, hetgeen van invloed kan zijn op de luchtkwaliteit ter plaatse. Zonder onderzoek daaromtrent kan niet worden beoordeeld wat de gevolgen zijn van de realisering van het bestemmingsplan voor de concentratie van de betrokken stof in de buitenlucht.

   Gelet hierop moet worden geconcludeerd dat verweerder, door het bestreden besluit te baseren op voornoemd rapport, zich er onvoldoende van heeft vergewist of, wat betreft de overschrijding ter plaatse van de Wibautstraat, aan het bepaalde in artikel 7, derde lid, aanhef en onder a, van het Blk 2005 kan worden voldaan.

   Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid en niet berust op een deugdelijke motivering.

2.6.9.    Wat betreft de stelling van [appellant sub 2A] dat vanaf 2010 de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie voor stikstofdioxide zal worden overschreden, overweegt de Afdeling dat in het tweede IBA-rapport is geconcludeerd dat de grenswaarden voor stikstofdioxide in 2010 niet worden overschreden. [appellant sub 2A] heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze conclusie onjuist of ontoereikend is en dat vanaf 2010 de concentratie stikstofdioxide in de buitenlucht als gevolg van de realisering van het bestemmingsplan zal toenemen.

Milieueffectrapport

Het standpunt van appellant

2.7.    [appellant sub 1] stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het bestemmingsplan omdat ten onrechte geen milieueffectrapport-beoordeling (hierna: mer-beoordeling) en geen milieueffectrapport (hierna: MER) zijn opgesteld. Hij voert hiertoe onder meer aan dat de omvang van de parkeervoorzieningen onbekend is, terwijl deze voorzieningen wel bij de berekening van de omvang van de bedrijfsvloeroppervlakte moet worden meegeteld.

Het standpunt van verweerder

2.7.1.    Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het opstellen van een mer-beoordeling en een MER in dit geval niet is vereist.

De vaststelling van de feiten

2.7.2.    Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer, in samenhang met artikel 2, eerste lid, van het Besluit milieu-effectrapportage 1994, zoals gewijzigd bij Besluit van 7 mei 1999 (verder: het Besluit m.e.r.), en bijlage-onderdeel C, onder 11.1, voor zover hier van belang, is de bouw van woningen, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een aaneengesloten gebied en 4000 of meer woningen bevat binnen de bebouwde kom, aangewezen als activiteit ten aanzien waarvan het maken van een MER verplicht is.

   Ingevolge artikel 7.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer, in samenhang met artikel 7.8b en 7.8d van de Wet milieubeheer en artikel 2, tweede lid, van het Besluit m.e.r., en bijlage-onderdeel D, onder 11.1, is de bouw van woningen in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat binnen de bebouwde kom een activiteit, ten aanzien waarvan moet worden bepaald of vanwege de bijzondere omstandigheden waaronder deze activiteit wordt ondernomen een MER moet worden gemaakt.

   Ingevolge artikel 7.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer, in samenhang met artikel 7.8b en 7.8d van de Wet milieubeheer en artikel 2, tweede lid, van het Besluit m.e.r., en bijlage-onderdeel D, onder 11.2, van het Besluit m.e.r., is de uitvoering van een stadsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, of op een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer een activiteit, ten aanzien waarvan moet worden bepaald of vanwege de bijzondere omstandigheden waaronder deze activiteit wordt ondernomen een MER moet worden gemaakt.

   Blijkens de Nota van Toelichting, behorende bij het Besluit m.e.r., worden onder stadsprojecten verstaan die projecten waarbij in één project verschillende activiteiten worden ondernomen, zoals woningbouw of het creëren van bedrijfsruimten of parkeerterreinen.

2.7.3.    Ingevolge artikel 1, lid 26, van de voorschriften van het bestemmingsplan wordt in het plan onder een woning verstaan een (gedeelte van een) gebouw dat dient voor de huisvesting van één huishouden.

2.7.4.    Ingevolge artikel 1, lid 42, van de voorschriften van het bestemmingsplan wordt in het plan onder de bedrijfsvloeroppervlakte verstaan de bedrijfsvloeroppervlakte als bedoeld in bijlage-onderdeel D, onder 11.2, van het Besluit m.e.r., exclusief parkeervoorzieningen.

2.7.5.    In de artikelen 3, eerste lid, onder I, 5, eerste lid, onder I, 10, eerste lid, onder d, en 11, eerste lid, onder c van de voorschriften van het bestemmingsplan is ten behoeve van de plandelen met de bestemmingen "Uit te werken gemengde doeleinden", "Woningen boven centrumvoorzieningen", "Maatschappelijke voorzieningen en horecavoorzieningen" en "Horecavoorzieningen" bepaald dat, voor zover functies zijn toegestaan die moeten worden gerekend tot bedrijfsvloeroppervlakte als bedoeld in artikel 1, lid 42, van de voorschriften, de bedrijfsvloeroppervlakte binnen de gronden met de desbetreffende bestemming samen met de bedrijfsoppervlakte binnen de gronden met één van voornoemde bestemmingen maximaal 100.000 m2 bedraagt.

2.7.6.    Ingevolge artikel 3, eerste lid, onder II, en artikel 5, eerste lid, onder II, van de voorschriften van het bestemmingsplan bedraagt het aantal woningen binnen de plandelen met de bestemming "Uit te werken gemengde doeleinden" samen met de woningen binnen de plandelen met de bestemming "Woningen boven centrumvoorzieningen" maximaal 650.

   Ingevolge artikel 3, eerste lid, onder III, en artikel 5, eerste lid, onder III, van de voorschriften van het bestemmingsplan mag het aantal woningen zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder II en artikel 5, eerste lid, onder II, worden uitgebreid tot maximaal 1000, op voorwaarde dat de totale oppervlakte aan woningen en de totale bedrijfsvloeroppervlakte zoals bedoeld onder I samen niet meer bedragen dan 156.700 m2.

2.7.7.    In het nader ingekomen stuk van het stadsdeelbestuur van 12 januari 2006 staat dat tussen het plangebied en het plan voor het naast gelegen gebied rond het Amstelstation geen samenhang bestaat, en dat het plangebied een geïsoleerd gelegen gebied betreft waarvan het binnenterrein gefaseerd zal worden herontwikkeld tot een gemengd woongebied. Bij het plan voor de omgeving van het Amstelstation spelen andere ruimtelijke overwegingen een rol, waaronder de verschillende verkeersfuncties van het gebied. Tussen voornoemde plannen bestaat evenmin financiële of organisatorische samenhang, aldus het stadsdeelbestuur.

Het oordeel van de Afdeling

2.7.8.    Met betrekking tot de door [appellant sub 1] gestelde samenhang met het plan voor de aangrenzende omgeving van het Amstelstation overweegt de Afdeling dat appellant geenszins aannemelijk heeft gemaakt dat de in overweging 2.7.7. genoemde argumenten niet juist zijn. Op grond hiervan is er geen sprake van een zodanige samenhang tussen voornoemde gronden dat moet worden gesproken van een aaneengesloten gebied in de zin van artikel 7.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer, in samenhang met artikel 2, eerste lid, van het Besluit m.e.r., en bijlage-onderdeel C, onder 11.1 en van artikel 7.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer, in samenhang met artikel 7.8b en 7.8d van de Wet milieubeheer en artikel 2, tweede lid, van het Besluit m.e.r..

2.7.9.    Wat betreft de stelling van [appellant sub 1] dat onduidelijk is of onzelfstandige woningen ook als woningen dienen te gelden overweegt de Afdeling dat uit overweging 2.7.3. blijkt dat in het plan onder een woning wordt verstaan een (gedeelte van een) gebouw dat dient voor de huisvesting van één huishouden.

2.7.10.    Uit overweging 2.7.6. blijkt dat het plan voorziet in de bouw van maximaal 1000 woningen. Nu daarmee niet wordt voldaan aan de drempel van 4000 woningen die voortvloeit uit artikel 7.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer, in samenhang met artikel 2, eerste lid, van het Besluit m.e.r. en bijlage-onderdeel C, onder 11.1, is het maken van een MER in zoverre niet verplicht. Gelet op het voorgaande wordt ook niet voldaan aan de drempel van 2000 woningen die voortvloeit uit artikel 7:4, eerste lid, van de Wet milieubeheer, in samenhang met artikel 7.8b en 7.8d van de Wet milieubeheer en artikel 2, tweede lid, van het Besluit m.e.r., en bijlage-onderdeel D, onder 11.1. Voor de bouw van de voorziene woningen behoeft derhalve evenmin te worden beoordeeld of een MER moet worden gemaakt.

2.7.11.    Het bestemmingsplan voorziet in verschillende functies, waaronder woningbouw, kantoren, detailhandel en horecavoorzieningen. Gelet hierop is sprake van een stadsproject als bedoeld in bijlage-onderdeel D, onder 11.2, van het Besluit m.e.r..

2.7.12.    Ter zitting is gebleken dat de oppervlakte van het plangebied uit ongeveer 16 hectare bestaat. Nu daarmee niet wordt voldaan aan de drempel van een oppervlakte van 100 hectare die voortvloeit uit artikel 7.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer, in samenhang met artikel 7.8b en 7.8d van de Wet milieubeheer en artikel 2, tweede lid, van het Besluit m.e.r., en bijlage-onderdeel D, onder 11.2, van het Besluit m.e.r., behoeft voor de uitvoering van het stadsproject in zoverre niet te worden beoordeeld of een MER moet worden gemaakt.

2.7.13.    In haar uitspraak van 20 juli 2005, (200407071/1), heeft de Afdeling onder meer het volgende overwogen:

"De milieueffecten van parkeergarages zijn nagenoeg gelijk aan die van parkeerterreinen wat betreft de aspecten geluid en luchtverontreiniging als gevolg van aan- en afrijdend verkeer. Gelet hierop vallen parkeergarages onder het begrip parkeerterrein als bedoeld in categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit.

   Parkeerterreinen worden in de Nota van Toelichting expliciet genoemd met betrekking tot de plandrempel van 100 hectare. Over de plandrempel van 200.000 m2 is in de Nota van Toelichting niets opgenomen, derhalve ook niet met betrekking tot parkeerterreinen. Hieruit kan niet a contrario worden afgeleid dat parkeerterreinen bij de berekening van de drempel van 200.000 m2 geen rol spelen. Onder meer parkeergarages kunnen door hun verkeersaantrekkende werking een sterke invloed hebben op de lokale milieukwaliteit. In categorie 11.2 van onderdeel D van het Besluit wordt de bouw van parkeerterreinen dan ook expliciet genoemd in de omschrijving van de m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit. Gelet hierop moeten parkeergarages bij de uitvoering dan wel wijziging of uitbreiding van de uitvoering van een stadsproject worden meegeteld bij de berekening van de omvang van de bedrijfsvloeroppervlakte."

2.7.14.    Wat betreft de vraag of wordt voldaan aan de drempel van een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 die voortvloeit uit artikel 7.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer, in samenhang met artikel 7.8b en 7.8d van de Wet milieubeheer en artikel 2, tweede lid, van het Besluit m.e.r., en bijlage-onderdeel D, onder 11.2, van het Besluit m.e.r., overweegt de Afdeling als volgt. Zoals onder 2.7.5. is overwogen, zijn in het bestemmingsplan bepalingen opgenomen waaruit volgt dat, voor zover functies zijn toegestaan die moeten worden gerekend tot de bedrijfsvloeroppervlakte als bedoeld in artikel 1, lid 42, van de voorschriften, de bedrijfsvloeroppervlakte binnen de gronden met de bestemmingen "Uit te werken gemengde doeleinden", "Woningen boven centrumvoorzieningen", "Maatschappelijke voorzieningen en horecavoorzieningen" en "Horecavoorzieningen" maximaal 100.000 m2 bedraagt. Parkeervoorzieningen vallen blijkens overweging 2.7.4. niet onder het begrip bedrijfsvloeroppervlakte als bedoeld in artikel 1, lid 42, van de planvoorschriften.

   Uit het vorenstaande volgt dat het bestemmingsplan de verwezenlijking van 100.000 m2 aan parkeervoorzieningen mogelijk moet maken, teneinde aan de drempel van een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 te voldoen.

   Ter zitting heeft de stadsdeelraad desgevraagd onweersproken verklaard dat het, gelet op de oppervlakte van het gedeelte van het plangebied dat thans nog beschikbaar is voor de realisering van parkeervoorzieningen, vanwege de mogelijkheden die het plan biedt op basis van reëel ruimtebeslag en gelet op de gehanteerde normen in de gemeente Amsterdam, feitelijk onmogelijk is in het plangebied een oppervlakte van 100.000 m2 aan parkeervoorzieningen te realiseren. Gelet hierop wordt  voornoemde drempel van een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 niet gehaald. Voor de uitvoering van het stadsproject behoeft derhalve niet te worden beoordeeld of een MER moet worden gemaakt.

Hoogbouw Effect Rapportage

Het standpunt van appellant

2.8.    [appellant sub 2A] stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het bestemmingsplan omdat ten onrechte geen Hoogbouw Effect Rapportage (hierna: HER) is opgesteld. Hij voert hiertoe aan dat het opstellen van een HER verplicht is indien de nieuwbouw hoger is dan 30 meter of 50% of meer afwijkt van de gemiddelde bouwhoogte in de omgeving.

Het standpunt van verweerder

2.8.1.    Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het opstellen van een HER in dit geval niet is vereist.

De vaststelling van de feiten

2.8.2.    Ingevolge artikel 1, zevende lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan wordt in het plan onder bouwhoogte verstaan de uitwendige hoogte van de bebouwing met inbegrip van lift- en trappenhuizen, centrale verwarmings- en ventilatieinrichtingen, lichtkappen, schoorstenen en dergelijke ondergeschikte delen van gebouwen.

2.8.3.    In de artikelen 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10 en 11 van de voorschriften van het bestemmingsplan is ten behoeve van de plandelen met de bestemmingen "Uit te werken gemengde doeleinden", "Woningen", "Woningen boven centrumvoorzieningen", "Kantoren", "Bedrijven", "Maatschappelijke voorzieningen en woningen", "Maatschappelijke voorzieningen en horecavoorzieningen" en "Horecavoorzieningen" bepaald dat de maximum bouwhoogte voor gebouwen de hoogte is, zoals aangegeven op de plankaart.

2.8.4.    In de beleidsnotitie "De Hoogbouweffectrapportage", vastgesteld door het gemeentebestuur van Amsterdam in januari 1999, staat dat de commissie van advies voor ruimtelijke ordening van het gemeentebestuur van Amsterdam aan de hand van een HER moet kunnen beoordelen wat de effecten zijn van een bepaald hoogbouwplan. Om tot die beoordeling te komen dient in een HER te worden beschreven wat de stedenbouwkundige motieven zijn om te komen tot hoogbouw op de desbetreffende locatie, wat de effecten zijn op de directe omgeving en op grotere afstand, wat de effecten zijn op de omgeving in de zin van bezonning, windhinder, privacy, sociale veiligheid, hinder van straalpaden en baantroggen, relaties met en effecten op gebieden van bijzondere waarde.

In de notitie staat voorts dat een HER moet worden gemaakt voor:

1) alle gebouwen hoger dan 90 meter;

2) alle gebouwen vanaf 30 meter hoogte, die worden geplaatst langs of in gebieden met bijzondere waarde;

3) alle gebouwen vanaf 30 meter hoogte die 50 procent of meer boven de overwegende bouwhoogte van hun omgeving uitsteken en/of grenzen aan groene scheggen.

Het oordeel van de Afdeling

2.8.5.    De Afdeling stelt vast dat de maximaal toegestane bouwhoogte die op de plankaart is aangegeven 50 meter bedraagt en dat in het plangebied derhalve geen bebouwing is toegestaan met een hoogte van meer dan 90 meter.

   Voorts is niet gebleken dat het plangebied een bijzondere waarde heeft of is gelegen naast een dergelijk gebied.  

   Aan de derde categorie gebouwen, zoals genoemd in overweging 2.8.4., worden twee eisen gesteld. Naast de eis dat de gebouwen een hoogte van 30 meter of meer moeten hebben, dienen deze gebouwen 50 procent of meer boven de overwegende bouwhoogte van hun omgeving uit te steken of te grenzen aan groene scheggen. Ter zitting is gebleken dat het plangebied niet grenst aan groene scheggen en dat in het plangebied zeven bestemmingsvlakken zijn opgenomen waarop gebouwen gerealiseerd kunnen worden met een bouwhoogte van meer dan 30 meter. Ter zitting is verder vast komen te staan dat het plangebied thans relatief veel hoogbouw kent en dat de te realiseren hoogbouw niet 50 procent of meer boven de overwegende bouwhoogte van de omgeving zal uitsteken.

2.8.6.    Gezien het voorgaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat zich niet één van de situaties voordoet, genoemd in de beleidsnotitie, waarvoor het opstellen van een HER is aangewezen.

Structuurplan

Het standpunt van appellant

2.9.    [appellant sub 2A] stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het bestemmingsplan omdat het plan in strijd is met het structuurplan "Kiezen voor stedelijkheid".

Het standpunt van verweerder

2.9.1.    Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat van strijd met het structuurplan geen sprake is.

De vaststelling van de feiten

2.9.2.    Het structuurplan "Kiezen voor stedelijkheid" is door de gemeenteraad van Amsterdam op 16 april 2003 vastgesteld. In het structuurplan is onderscheid gemaakt tussen verschillende milieutypen. De milieutypering geeft een beschrijving van de gewenste ontwikkeling van verschillende milieutypen op een beperkt aantal fysieke kenmerken en dient als leidraad voor plannenmakers en als toetsingskader voor (bestemmings)plannen en ruimtelijke ingrepen. Per milieutype worden in het structuurplan percentages gegeven om te komen tot een zo goed mogelijke verhouding tussen wonen, werken en voorzieningen.

De westzijde van het plangebied is in het structuurplan aangewezen als milieutype "Grootstedelijk kerngebied". Volgens het structuurplan kenmerkt het grootstedelijke kerngebied zich door een hoge stedelijke dichtheid en een optimale menging van wonen, werken en voorzieningen op verschillende schaalniveaus. De oostzijde van het plangebied is aangewezen als milieutype "Stedelijk wonen-werken". Volgens het structuurplan is het wonen in een stedelijk woon-werkgebied dominant, maar menging met kleinschalige functies is aanwezig of moet worden nagestreefd.

Het oordeel van de Afdeling

2.9.3.    De Afdeling stelt vast dat het structuurplan richtinggevend is en dat de kwantitatieve kenmerken van de milieutypen indicatief zijn. Uit de stukken is gebleken dat in het westelijk deel van het plangebied behalve in woningbouw onder meer is voorzien in horeca- en andere voorzieningen en dat in het oostelijk deel van het plangebied de nadruk ligt op woningbouw. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat, voor zover het bestemmingsplan al afwijkt van het structuurplan, dit geen aanleiding is voor vernietiging van het bestreden besluit.

De plandelen met de bestemming "Uit te werken gemengde doeleinden"

Het standpunt van appellant

2.10.    [appellant sub 1] stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de plandelen met de bestemming "Uit te werken gemengde doeleinden". Hij betoogt dat de bestemmingsregeling te vaag is en onvoldoende zekerheid biedt, aangezien de bebouwingsmogelijkheden van de plandelen met eindbestemmingen afhankelijk zijn van de toekomstige bebouwing ter plaatse van de plandelen met uit te werken bestemmingen.

Het standpunt van verweerder

2.10.1.    Verweerder heeft de plandelen niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en heeft de plandelen goedgekeurd. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat het bestemmingsplan, door maxima te stellen voor verschillende functies, voldoende rechtszekerheid biedt over de functionele invulling van het plangebied.

De vaststelling van de feiten

2.10.2.    Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan zijn de gronden met de bestemming "Uit te werken gemengde doeleinden" aangewezen voor:

a. woningen;

b. kantoren;

c. bedrijven;

d. centrumvoorzieningen;

e. bijbehorende bergingen en overige nevenruimten;

f. gebouwde parkeervoorzieningen met bijbehorende in- en uitritten;

g. wat betreft de onbebouwd blijvende delen voor tuinen, erven, openbare ruimte, groenvoorzieningen, verkeersareaal, ongebouwde parkeervoorzieningen en water;

met dien verstande dat:

I voor zover functies zijn toegestaan die moeten worden gerekend tot "bedrijfsvloeroppervlakte" als bedoeld in artikel 1, lid 42, de bedrijfsvloeroppervlakte binnen de gronden met deze bestemming samen met de bedrijfsoppervlakte binnen de gronden met de bestemming "Woningen boven centrumvoorzieningen", "Maatschappelijke voorzieningen en horecavoorzieningen" en "Horecavoorzieningen" maximaal 100.000 m2 bedraagt;

II voor zover woningen zijn toegestaan, het aantal woningen binnen de gronden met deze bestemming samen met de woningen binnen de gronden met de bestemming "Woningen boven centrumvoorzieningen" maximaal 650 bedraagt;

III het aantal woningen zoals bedoeld onder II mag worden uitgebreid tot maximaal 1000, op voorwaarde dat de totale oppervlakte aan woningen en de totale bedrijfsvloeroppervlakte zoals bedoeld onder I samen niet meer bedragen dan 156.700 m2.

2.10.3.    Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de gemeente Amsterdam eigenaar is van het merendeel van de gronden in het plangebied.

Het oordeel van de Afdeling

2.10.4.    Uit het overwogene in 2.10.2. volgt dat de bebouwingsmogelijkheden op de plandelen met de eindbestemmingen "Woningen boven centrumvoorzieningen", "Maatschappelijke voorzieningen en horecavoorzieningen" en "Horecavoorzieningen" afhankelijk zijn gesteld van de mogelijke bebouwing op de plandelen met de bestemming "Uit te werken gemengde doeleinden".

   Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 19 januari 2005, (200308242/1), dient voor gebruikers en eigenaren een redelijke mate van zekerheid te bestaan over de vraag of voor een bepaald voornemen een bouwvergunning kan worden verleend en of een bepaald voorgenomen gebruik in overeenstemming met het plan kan worden geacht.

   Anders dan in voornoemde uitspraak, is er gelet op de feitelijke omstandigheden in het onderhavige geval geen aanleiding te oordelen dat het plan onvoldoende rechtszekerheid voor gebruikers en eigenaren biedt. Gebleken is dat voor de plandelen die niet in eigendom van de gemeente Amsterdam zijn, te weten de plandelen met de eindbestemmingen "Woningen boven centrumvoorzieningen" en "Kantoren", gelegen tussen de James Wattstraat en de Eerste Ringdijkstraat, en het plandeel met de eindbestemming "Maatschappelijke en horecavoorzieningen", concrete bouwinitiatieven voorhanden zijn. Voor de verwezenlijking van de plandelen met de eindbestemmingen "Woningen boven centrumvoorzieningen" en "Kantoren", gelegen tussen de James Wattstraat en de Eerste Ringdijkstraat, is vrijstelling en bouwvergunning verleend. Voor realisatie van het plandeel met de eindbestemming "Maatschappelijke en horecavoorzieningen" is een bouwvergunning eerste fase aangevraagd. Overigens blijkt uit overweging 2.10.3. dat de gemeente Amsterdam eigenaar is van het merendeel van de gronden in het plangebied. Uit de stukken is gebleken dat de gronden in het plangebied met voornoemde eindbestemmingen in erfpacht zullen worden uitgegeven en dat in de erfpachtvoorwaarden bepalingen ten aanzien van het toegestane gebruik van de gronden zullen worden opgenomen.

   Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in dit geval geen aanleiding te oordelen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 3, eerste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan.

Het plandeel met de bestemming "Bedrijven"

Het standpunt van appellant

2.11.    [appellant sub 1] stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Bedrijven". Hij voert hiertoe aan dat het toestaan van bedrijven uit de milieucategorieën III en IV strijdig is met het streven om de bebouwing in het plangebied te verdichten en de functies binnen het plangebied te verbreden.

Het standpunt van verweerder

2.11.1.    Verweerder heeft het plandeel niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en heeft het goedgekeurd. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat het bestaande categorie IV bedrijf, dat is gevestigd aan de James Wattstraat 78, als zodanig moet worden bestemd, aangezien niet aannemelijk is dat de bedrijfsvoering binnen de planperiode zal worden beëindigd. Voorts worden categorie III bedrijven uitsluitend toegestaan binnen de bestemming "Bedrijven" en zijn woningen binnen deze bestemming niet toegestaan, aldus verweerder.

De vaststelling van de feiten

2.11.2.    Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan mogen de gronden met de bestemming "Bedrijven" (Bb) worden gebruikt voor bedrijven die in de bij de voorschriften behorende Staat van Inrichtingen vallen onder de categorieën I, II en III.

   Ingevolge artikel 17, derde lid, van de voorschriften van het plan is in afwijking van het bepaalde in het eerste lid uitsluitend op het adres James Wattstraat 78 een bedrijf uit categorie IV toegestaan, uitsluitend zijnde een bedrijf vallend onder "apparatenindustrie", "machine-industrie", "machinereparatiebedrijf" en "verkoop van machines en materialen", zoals aangegeven in de bij de voorschriften behorende Staat van Inrichtingen.

2.11.3.    In het deskundigenbericht is vermeld dat zich op het plandeel met de bestemming "Bedrijven" één bedrijf behorende tot categorie III bevindt. Het betreft een postsorteercentrum. Het machinebedrijf Ceelen aan de James Wattstraat 78, het tweede bedrijf dat ter plaatse is gevestigd, behoort tot categorie IV, aldus het deskundigenbericht.

Het oordeel van de Afdeling

2.11.4.    Uit de stukken is gebleken dat de in overweging 2.11.3. genoemde bedrijven, die behoren tot respectievelijk categorie III en IV van de Staat van Inrichtingen, reeds geruime tijd in het plangebied zijn gevestigd.

   Een bestaand bedrijf mag alleen onder het overgangsrecht worden gebracht als aannemelijk is dat de bedrijfsvoering ter plaatse binnen de planperiode zal worden beëindigd. Gesteld noch gebleken is dat dit het geval zal zijn. Derhalve zijn ze terecht niet onder het overgangsrecht gebracht.

2.11.5.    Gelet op hetgeen is opgenomen onder 2.11.4., alsmede het verhandelde ter zitting in aanmerking genomen, ziet de Afdeling geen aanleiding te oordelen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Bedrijven". Hierbij heeft zij in aanmerking genomen dat [appellant sub 1] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het toestaan van bedrijven uit de milieucategorieën III en IV strijdig is met het streven om de bebouwing in het plangebied te verdichten en de functies binnen het plangebied te verbreden.

Het plandeel met de bestemming "Verkeersareaal"

Het standpunt van appellant

2.12.    [appellant sub 1] stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Verkeersareaal", betreffende de James Wattstraat en de Nobelweg. Hij voert hiertoe aan dat voor de ontsluitingsweg James Wattstraat ten onrechte geen hogere geluidsgrenswaarde op basis van de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) is vastgesteld en dat de hogere geluidsgrenswaarde die is vastgesteld met betrekking tot de Nobelweg onjuist is.

Het standpunt van verweerder

2.12.1.    Verweerder heeft het plandeel niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en heeft het goedgekeurd.

De vaststelling van de feiten

2.12.2.    Ingevolge artikel 74, eerste lid, van de Wgh bevindt zich langs een weg een zone met een nader in dat artikellid aangeduide breedte.

   In artikel 74, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wgh is bepaald dat het eerste lid niet van toepassing is voor wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt.

   Gelet op het bepaalde in artikel 77 van de Wgh behoeft, indien de uitzondering van artikel 74, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wgh van toepassing is, geen akoestisch onderzoek te worden ingesteld en behoeven er ook geen grenswaarden bij het bestemmingsplan in acht te worden genomen.

2.12.3.    Voor de James Wattstraat geldt een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur. Bij besluit van 15 december 2004 is voor de Nobelweg een hogere geluidsgrenswaarde vastgesteld op grond van de Wgh.

Het oordeel van de Afdeling

2.12.4.     Ingevolge het bepaalde in artikel 74, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wgh bevindt zich langs de James Wattstraat geen zone zodat, gelet op het bepaalde in artikel 77 van de Wgh, geen akoestisch onderzoek behoeft te worden ingesteld. Voorts behoeven er ten aanzien van de James Wattstraat geen grenswaarden in acht te worden genomen.

2.12.5.    Zoals blijkt uit overweging 2.12.3. is bij besluit van 15 december 2004, derhalve voorafgaande aan de vaststelling van het bestemmingsplan, met betrekking tot de Nobelweg een hogere geluidsgrenswaarde op grond van de Wgh van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vastgesteld. De vraag of deze terecht is vastgesteld staat in deze procedure niet ter beoordeling.

Het plandeel met de bestemming "Woningen boven centrumvoorzieningen" en het plandeel met de bestemming "Kantoren", gelegen tussen de James Wattstraat en de Eerste Ringdijkstraat.

Het standpunt van appellant

2.13.    [appellant sub 2A] stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Woningen boven centrumvoorzieningen" en het plandeel met de bestemming "Kantoren", gelegen tussen de James Wattstraat en de Eerste Ringdijkstraat. Hij voert hiertoe aan dat ten onrechte onvoldoende onderzoek is gedaan naar de schaduwwerking van de op deze plandelen te realiseren hoogbouw op het plandeel met de bestemming "Woningen" en naar de windhinder die deze hoogbouw zal veroorzaken. Daarnaast vreest appellant geluidsoverlast te zullen ondervinden van studenten die in de te realiseren hoogbouw zullen worden gehuisvest.

Het standpunt van verweerder

2.13.1.    Verweerder heeft de plandelen niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en heeft de plandelen goedgekeurd.

De vaststelling van de feiten

2.13.2.    In de plantoelichting staat dat uit de door het stadsdeelbestuur verrichte zonnestudie blijkt dat uitsluitend rond de langste dag van het jaar, te weten 21 juni, de te realiseren hoogbouw op het plandeel met de bestemming "Woningen boven centrumvoorzieningen" en het plandeel met de bestemming "Kantoren" tussen 8.00 en 9.00 uur 's ochtends extra schaduw geeft op een gedeelte van het plandeel met de bestemming "Woningen". In de plantoelichting wordt geconcludeerd dat door de gekozen bouwvorm en bouwhoogte de bezonning van de bestaande woningen op het plandeel met de bestemming "Woningen" vrijwel onveranderd blijft en dat de nieuwbouw op dit punt goed inpasbaar is.

2.13.3.    In opdracht van het stadsdeelbestuur is onderzoek gedaan naar het risico van windhinder en windgevaar rondom de te realiseren hoogbouw op het plandeel met de bestemming "Woningen boven centrumvoorzieningen" en het plandeel met de bestemming "Kantoren". De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van Lichtveld Buis & Partners B.V. van 23 juli 2004. In dit rapport wordt geconcludeerd dat de windsituatie rondom de te realiseren hoogbouw niet wezenlijk zal veranderen.

Het oordeel van de Afdeling

2.13.4.        Zoals in 2.13.2. is overwogen, blijkt uit de door het stadsdeelbestuur verrichte zonnestudie dat de te realiseren hoogbouw op het plandeel met de bestemming "Woningen boven centrumvoorzieningen" en het plandeel met de bestemming "Kantoren" op een zeer beperkt aantal dagen van het jaar extra schaduw geeft op een gedeelte van het plandeel met de bestemming "Woningen". Daarnaast blijkt uit het in 2.13.3. genoemde rapport dat de windsituatie rondom de te realiseren hoogbouw niet wezenlijk zal veranderen. [appellant sub 2A] heeft niet aannemelijk gemaakt dat aan deze onderzoeken zodanige gebreken kleven dat verweerder ze niet aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft kunnen leggen.

   Gelet op het voorgaande en de stedelijke omgeving ter plaatse in ogenschouw genomen is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat niet aannemelijk is geworden dat de voorziene gevolgen van de te realiseren hoogbouw tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat leiden.

Conclusie

2.14.    Gelet op hetgeen is overwogen onder 2.6.8. zijn de beroepen van [appellanten sub 2], voor zover ontvankelijk, en van [appellant sub 1] gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd.

Proceskostenveroordeling

2.15.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten van [appellant sub 1] te worden veroordeeld. Wat betreft [appellant sub 2A] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep van [appellanten sub 2], voor zover ingediend door [appellant sub 2B], niet-ontvankelijk;

II.    verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en van [appellanten sub 2], voor zover ingediend door [appellant sub 2A], gegrond;

III.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 23 augustus 2005, kenmerk 2005-10460;

IV.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van zijn beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 42,53 (zegge: tweeënveertig euro en drieënvijftig cent); dit bedrag dient door de provincie Noord-Holland onder vermelding van het zaaknummer aan [appellant sub 1] te worden betaald;

V.    gelast dat de provincie Noord-Holland aan [appellant sub 1] en [appellant sub 2A] het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht vergoedt: € 138,00 (zegge: honderdachtendertig euro) aan [appellant sub 1] en € 138,00 (zegge: honderdachtendertig euro) aan [appellant sub 2A].

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, Voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Ettekoven    w.g. Neuwahl

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 september 2006

280-464.