Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY8944

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-09-2006
Datum publicatie
27-09-2006
Zaaknummer
200506858/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 juni 2005 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [appellante] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor de inrichting op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 24 juni 2005 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2006/30
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200506858/1

Datum uitspraak: 27 september 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 9 juni 2005 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [appellante] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor de inrichting op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 24 juni 2005 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 4 augustus 2005, bij de Raad van State ingekomen op 8 augustus 2005, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 23 september 2005.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 15 maart 2006. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante en verweerder. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 juni 2006, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. P. Rens, advocaat te Rotterdam, G.P. Grundmann en ir. P.J. Kralt, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. N.A. Boerties en W.J. Dam zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat de bij deze wetten doorgevoerde wetswijzigingen niet van toepassing zijn op het geding

   Op 1 december 2005 zijn de wet van 16 juli 2005, houdende wijziging van de Wet milieubeheer en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Stb. 2005, 432), en het besluit van 8 oktober 2005, houdende wijziging van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (Stb. 2005, 527), in werking getreden. Nu het bestreden besluit vóór 1 december 2005 is genomen, moet dit worden beoordeeld aan de hand van het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wet en dit besluit.

2.2.    Ter zitting heeft appellante de beroepsgrond inzake voorschrift 2.2 ingetrokken.

2.3.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel, zoals dat vóór 1 december 2005 luidde, worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voor zover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

   Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer en artikel  8.11 van deze wet, zoals dat vóór 1 december 2005 luidde, komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.3.1.    Appellante heeft gronden aangevoerd met betrekking tot de voorschriften 3.16 en 3.19.

2.3.2.    Voorschrift 3.16

"Partijen grond waarvan de samenstelling onbekend is, dienen gescheiden te worden opgeslagen zodanig dat deze niet kunnen vermengen."

   Voorschrift 3.19

"Binnen de inrichting mag getotaliseerd niet meer dan 25 m3 grond c.q. bouwstoffen, waarbij de kwaliteit niet kan worden aangetoond of de vaststelling van de kwaliteit niet voldoet aan de eisen gesteld aan erkende en overige bouwstoffen conform het Bouwstoffenbesluit, worden opgeslagen."

2.3.3.    De Afdeling stelt voorop dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een voorschrift met de strekking van voorschrift 3.16 nodig is in het belang van de bescherming van het milieu. Verweerder heeft zich echter in zijn memorie en ter zitting op het standpunt gesteld, dat de met elkaar samenhangende voorschriften 3.16 en 3.19 verduidelijking behoeven. Gelet hierop is het bestreden besluit wat betreft de voorschriften 3.16 en 3.19 in strijd met het algemeen rechtsbeginsel dat eist dat een besluit zorgvuldig dient te worden genomen.

2.4.    Vervolgens betoogt appellante dat in voorschrift 3.17 te hoge eisen aan de beoordeling van grond en bouwstoffen worden gesteld en dat het voorschrift vanwege de verwijzing naar de Nederlandse Richtlijnen Bodembescherming (hierna: NRB) in strijd met de rechtszekerheid is.

2.4.1.    Voorschrift 3.17

"De opslag van categorie II grond c.q. bouwstoffen en grond c.q. bouwstoffen waarvan de kwaliteit niet kan worden aangetoond of de vaststelling niet voldoet aan de eisen gesteld aan erkende en overige bewijsmiddelen conform het Bouwstoffenbesluit, moet plaatsvinden volgens het gestelde in het NRB."

2.4.2.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen, dat de in voorschrift 3.17 gestelde eisen aan de beoordeling van de kwaliteit van grond en bouwstoffen in het belang van de bescherming van het milieu nodig zijn. Wat betreft de eisen met betrekking tot de opslag moet evenwel worden geoordeeld, dat voorschrift 3.17 zich niet verdraagt met de rechtszekerheid vanwege de verwijzing naar het NRB waarin meerdere mogelijkheden tot bodembescherming zijn opgenomen.

2.5.    Appellante stelt dat het bepaalde in voorschrift 3.18 al wettelijk is geregeld.

2.5.1.    Voorschrift 3.18

"Grond waarvan de kwaliteit niet voldoet aan de daaraan in het Bouwstoffenbesluit voor hergebruik gestelde eisen, mag uitsluitend worden afgegeven aan een erkende verwerker. De kwaliteit van de grond kan uitsluitend worden aangetoond door middel van bewijsmiddelen welke voldoen aan de eisen gesteld aan erkende en overige bewijsmiddelen conform het Bouwstoffenbesluit."

2.5.2.    De Afdeling stelt vast dat in onder meer artikel 10.37 van de Wet milieubeheer regels zijn gesteld met betrekking tot de afgifte van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen. Aangezien verweerder niet heeft kunnen aangeven om welke reden in aanvulling op artikel 10.37 van de Wet milieubeheer het onderhavige voorschrift - afgezien van de redactie ervan - aan de vergunning dient te worden verbonden, berust het bestreden besluit in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht niet op een deugdelijke motivering.

2.6.    Appellante heeft gronden aangevoerd met betrekking tot de onderdelen a, c en d van voorschrift 5.1.

2.6.1.    Voorschrift 5.1

"a.  Vaste stoffen moeten zodanig worden opgeslagen dat geen direct bij de bron visueel waarneembare stofverspreiding kan optreden.

[…..]

c.   Het terrein van de inrichting dient zodanig schoon/vochtig te zijn of te worden gehouden dat ten gevolge van voertuigbewegingen geen visueel waarneembare stofverspreiding op kan optreden.

d.   Twee meter vanaf de mobiele breekinstallatie mag er geen visueel waarneembare stofverspreiding plaatsvinden."

2.6.2.    Verweerder heeft zich bij het stellen van voorschrift 5.1 gebaseerd op de Nederlandse Emissie Richtlijn Lucht (hierna: NER).

2.6.3.    De Afdeling stelt vast dat uit de stukken blijkt dat in de inrichting stoffen behorende tot de klasse S4 (lichtstuifgevoelig, wel bevochtigbaar) en klasse S5 (nauwelijks of niet stuifgevoelig) worden opgeslagen.

   Met betrekking tot de onderdelen a en c van voorschrift 5.1 overweegt de Afdeling dat deze verplichtingen aansluiten bij de door verweerder gehanteerde Nederlandse Emissie Richtlijn (NER). Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen, dat de onderdelen a en c van voorschrift 5.1 nodig zijn in het belang van de bescherming van het milieu.

   Wat betreft onderdeel d van voorschrift 5.1 heeft verweerder niet kunnen onderbouwen dat het aansluit bij in de NER aangegeven maatregelen, alsmede om welke reden meer concrete verplichtingen zoals aangeven in het deskundigenbericht niet toereikend kunnen worden geacht. Het bestreden besluit berust in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht niet op een deugdelijke motivering.

2.7.    Voorschrift 5.3

"Wanneer tengevolge van de inrichting geurhinder optreedt of kan optreden, moeten door vergunninghouder onmiddellijk doeltreffende maatregelen worden genomen om de oorzaak van de geurhinder weg te nemen dan wel indien dat redelijkerwijs niet mogelijk is zoveel als mogelijk wordt beperkt."

2.7.1.    Appellante kan zich niet verenigen met dit voorschrift.

   Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat verweerder zich inmiddels op het standpunt stelt, dat het voorschrift onvoldoende duidelijk is.

   Gelet hierop is het bestreden besluit in zoverre genomen in strijd met het algemeen rechtsbeginsel dat eist dat een besluit zorgvuldig dient te worden genomen.

2.8.    Appellante stelt dat voorschrift 5.16, onderdeel a, onvoldoende rekening houdt met hetgeen is aangevraagd en uit een oogpunt van geluidbelasting mogelijk is.

2.8.1.    Voorschrift 5.16, onderdeel a

"De activiteiten van de mobiele puinbreker en shredder mogen niet samenvallen. De puinbreker of shredder mogen in totaal maximaal 40 dagen per jaar in gebruik zijn."

2.8.2.    Verweerder heeft blijkens de overwegingen van het bestreden besluit beoogd met dit voorschrift aan te sluiten bij de aanvraag.

2.8.3.    De Afdeling stelt vast dat in de aanvraag is aangegeven dat de mobiele puinbreker en de shredder elk ongeveer 40 dagen per jaar in werking zullen zijn; de installaties zullen niet tegelijkertijd in werking zijn. Aangezien volgens voorschrift 5.16, onderdeel a, de beide installaties in totaal niet meer dan 40 dagen in werking mogen zijn, houdt het voorschrift een wezenlijke beperking in van hetgeen is aangevraagd. Derhalve berust het bestreden besluit in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht niet op een deugdelijke motivering

2.9.    Het beroep is gedeeltelijk gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover het betreft de voorschriften 3.16, 3.17, 3.19, 5.1, onderdeel d, 5.3 en 5.16, onderdeel a, van de verleende vergunning. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.

2.10.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 9 juni 2005, kenmerk 2003-23370, voor zover het de voorschriften 3.16, 3.17, 3.19, 5.1, onderdeel d, 5.3 en 5.16, onderdeel a, van de verleende vergunning betreft;

III.    draagt het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland op binnen 8 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit te nemen;

IV.    verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

V.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland tot vergoeding van bij appellante in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 825,20 (zegge: achthonderdvijfentwintig euro en twintig cent), waarvan een gedeelte groot € 805,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Noord-Holland aan appellante onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI.    gelast dat de provincie Noord-Holland aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 276,00 (zegge: tweehonderdzesenzeventig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, Voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en dr. K.J.M. Mortelmans, Leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van Staat.

w.g. Hennekens    w.g. Sparreboom

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 september 2006

191