Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY8940

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-09-2006
Datum publicatie
27-09-2006
Zaaknummer
200509258/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 september 2005, kenmerk EMT/2005/4021, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "BM Vastgoed B.V." (hierna: vergunninghoudster) een vergunning verleend voor het veranderen van een inrichting voor het mengen en produceren van polymeren, reinigingsmiddelen, halffabrikaten en eindproducten op het adres Langenhorsterweg 6 te Ambt Delden. Dit besluit is op 14 oktober 2005 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2006/4960
JBO 2006/29
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200509258/1.

Datum uitspraak: 27 september 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te Deldenerbroek, gemeente Hof van Twente, en anderen,

2.    de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "BM Vastgoed B.V.", gevestigd te Otterlo, gemeente Ede,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 28 september 2005, kenmerk EMT/2005/4021, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "BM Vastgoed B.V." (hierna: vergunninghoudster) een vergunning verleend voor het veranderen van een inrichting voor het mengen en produceren van polymeren, reinigingsmiddelen, halffabrikaten en eindproducten op het adres Langenhorsterweg 6 te Ambt Delden. Dit besluit is op 14 oktober 2005 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 24 november 2005, bij de Raad van State ingekomen op 25 november 2005, en appellante sub 2 bij brief van 4 november 2005, bij de Raad van State ingekomen op 8 november 2005, beroep ingesteld. Appellanten sub 1 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 23 december 2005.

Bij brief van 25 januari 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 9 mei 2006. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van vergunninghoudster en verweerder. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 juli 2006, waar appellanten sub 1, vertegenwoordigd door ing. M.H. Middelkamp, appellante sub 2, vertegenwoordigd door [directeur], en [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. R.S. Wertheim, advocaat te Zwolle, en J. Koerts, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat de bij deze wetten doorgevoerde wetswijzigingen niet van toepassing zijn op het geding.

   Op 1 december 2005 zijn de wet van 16 juli 2005, houdende wijziging van de Wet milieubeheer en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Stb. 2005, 432), en het besluit van 8 oktober 2005, houdende wijziging van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (Stb. 2005, 527), in werking getreden. Nu het bestreden besluit vóór 1 december 2005 is genomen, moet dit worden beoordeeld aan de hand van het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wet en dit besluit.

2.2.    Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer, zoals dat vóór 1 juli 2005 luidde, kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a.    degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b.    de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c.    degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d.    belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

2.2.1.    Appellanten sub 1 hebben de gronden inzake onduidelijke publicaties, voorschrift 4.5.6, het deels vervallen van de revisievergunning van 11 december 2001, de toetsing aan het Besluit luchtkwaliteit 2005 en het niet verwijzen in hoofdstuk 4 van de voorschriften naar de van toepassing zijnde voorschriften van de richtlijn CPR 9-6, tweede druk (1999), niet als bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellanten sub 1 redelijkerwijs niet kan worden verweten op deze punten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

   Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van appellanten sub 1 in zoverre niet-ontvankelijk is.

2.2.2.    Appellante sub 2 heeft de grond inzake voorschrift 1.2.1 niet als bedenking tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellante sub 2 redelijkerwijs niet kan worden verweten op dit punt geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

   Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van appellante sub 2 in zoverre niet-ontvankelijk is.

2.3.    Appellanten sub 1 stellen dat verweerder de aanvraag van vergunninghoudster om een veranderingsvergunning buiten behandeling had moeten laten en van vergunninghoudster een aanvraag om een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4 van de Wet milieubeheer had moeten verlangen.

2.3.1.    Ingevolge artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer in samenhang met artikel 8.1, eerste lid, onder b, van deze wet kan het bevoegd gezag, indien een vergunning wordt aangevraagd voor het veranderen van een inrichting of van de werking daarvan en voor die inrichting al een of meer vergunningen krachtens deze wet zijn verleend, bepalen dat een vergunning moet worden aangevraagd voor die verandering en voor het in werking hebben na die verandering van de gehele inrichting of onderdelen daarvan, waarmee die verandering samenhangt.

2.3.2.    De Afdeling stelt voorop dat, gelet op artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer, verweerder beleidsvrijheid toekomt bij het al dan niet verlangen van een revisievergunning indien een veranderingsvergunning is aangevraagd. Mede gelet op het vergunningenbestand en op de aard van de inrichting en de aangevraagde wijzigingen daarvan, kan niet worden geoordeeld dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen afzien van zijn bevoegdheid een revisievergunning te verlangen.

2.4.     Appellanten sub 1 betogen dat de aanvraag onvoldoende informatie bevat over het productieproces en het mogelijke risico op rampen en dat hierin ten onrechte een bedrijfsnoodplan en een brandweeradvies ontbreekt.

   In het deskundigenbericht is gesteld dat het risico op rampen ten gevolge van de vergunde veranderingen verwaarloosbaar is en dat de door appellanten sub 1 verlangde maatregelen niet noodzakelijk zijn.

   De Afdeling is niet aannemelijk gemaakt dat deze bevinding onjuist is. Hetgeen appellanten sub 1 hebben aangevoerd leidt dan ook niet tot het oordeel dat de aanvraag niet voldoet aan het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer of dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanvraag voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen voor het milieu.

2.5.    Voor zover het beroep van appellanten sub 1 dat ziet op de lozing van mogelijk vervuild hemelwater op de riolering aldus moet worden begrepen dat verweerder de aanvraag om een milieuvergunning niet in behandeling had mogen nemen vanwege het feit dat er geen aanvraag om een vergunning ingevolge de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (hierna: Wvo) was ingediend, overweegt de Afdeling dat de vergunde veranderingen van de inrichting geen lozingen met zich brengen die op grond van de Wvo vergunningplichtig zijn, zodat verweerder terecht geen aanleiding heeft gezien de aanvraag op grond van artikel 8.30 van de Wet milieubeheer buiten behandeling te laten. Dit beroepsonderdeel treft geen doel.

2.6.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel, zoals dat vóór 1 december 2005 luidde, worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voor zover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

   Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van artikel 8.10, eerste lid, en artikel  8.11, zoals dat vóór 1 december 2005 luidde, van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.7.    Appellanten sub 1 vrezen bodemverontreiniging. Zij wijzen er op dat gebruikte productieapparatuur in het bos ligt, zonder enige vorm van bodembeschermende voorzieningen.

2.7.1.    De Afdeling stelt vast dat deze grond niet ziet op de rechtmatigheid van het bestreden besluit, nu deze opslag niet is vergund.

2.8.    Appellanten sub 1 stellen dat er ten onrechte geen lekdetectie- en tankbewakingssysteem is voorgeschreven.

   Mede gelet op het deskundigenbericht moet worden aangenomen dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de in paragraaf 4 van de vergunningvoorschriften voorgeschreven maatregelen en voorzieningen toereikend zijn om lekkage van de tank te voorkomen dan wel de gevolgen van een mogelijke lekkage in voldoende mate te beperken.

2.9.    Appellanten sub 1 betogen dat verweerder in de vergunningvoorschriften had moeten voorschrijven dat de brandblusapparaten een milieukeur dienen te hebben en dat de brandslangen moeten worden onderhouden overeenkomstig de norm NEN 671-3.

2.9.1.    Verweerder stelt dat voorschrift 4.1.1 in samenhang met voorschrift 4.1.2 toereikend is. Verder merkt hij op dat in de vergunningaanvraag noch in het bestreden besluit sprake is van brandslangen, behoudens in de ruimte waar de oliegestookte CV staat opgesteld. Daar moet de bestaande brandslang worden afgekoppeld, aldus verweerder.

2.9.2.    Ingevolge voorschrift 4.1.1, voor zover hier van belang, moeten draagbare blustoestellen jaarlijks door een deskundige op hun deugdelijkheid worden gecontroleerd en zijn voorzien van een rijkskeurmerk met rangnummer. Het onderhoud van draagbare blusmiddelen moet overeenkomstig NEN 2259 geschieden.

   Ingevolge voorschrift 4.1.2 moet de slanghaspel in de ruimte van de oliegestookte verwarmingsinstallatie als uitzondering op voorschrift 4.1.1 binnen twee maanden na het onherroepelijk worden van de vergunning worden afgekoppeld.

2.9.3.    Met betrekking tot het vereiste van een milieukeur voor brandblusapparaten overweegt de Afdeling dat appellanten sub 1 in hun beroepschrift noch ter zitting aannemelijk hebben gemaakt dat het gebruik van de vergunde brandblusapparaten binnen de inrichting zodanig nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, dat verweerder hierom had dienen voor te schrijven dat de brandblusapparaten een milieukeur moeten hebben.

   Ten aanzien van het onderhoud van brandslangen is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het niet nodig is om in het belang van de bescherming van het milieu hiervoor voorschriften te stellen, nu er geen brandslangen in de inrichting zijn aangevraagd en vergund, behoudens de in voorschrift 4.1.2 genoemde slanghaspel die afgekoppeld dient te worden.

2.10.    Appellanten sub 1 betogen dat de heftrucks moeten zijn voorzien van een brandstofinjectiesysteem of een verdamper-drukregelaar met een apart stationair systeem. Voorts dient de motor te zijn voorzien van een microfilter voor motorolie.

   Verweerder stelt dat de aanvraag alleen betrekking heeft op LPG-heftrucks en dat LPG altijd rechtstreeks geïnjecteerd wordt via een verdamper, zodat de door appellanten sub 1 bepleite voorzieningen niet nodig zijn. Een microfilter voor motorolie van LPG-motoren is volgens verweerder eveneens overbodig, omdat de verbranding van LPG veel schoner verloopt dan bijvoorbeeld diesel.

   Niet is gebleken dat verweerder zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen.

2.11.    Appellanten sub 1 brengen verder naar voren dat verweerder bij het nemen van het bestreden besluit onvoldoende aandacht heeft gehad voor het aspect energiebesparing.

2.11.1.    De Afdeling stelt vast dat in de paragrafen 15 en 16 van de voorschriften die verbonden zijn aan de revisievergunning van 11 december 2001 eisen zijn gesteld aan het energie- en waterverbruik van de inrichting. Deze voorschriften zijn in voorschrift 1.1.1 van de onderhavige vergunning onverminderd van toepassing verklaard. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze voorschriften toereikend zijn.

2.12.    Appellanten sub 1 achten onvoldoende aannemelijk gemaakt dat aan de gestelde geluidvoorschriften kan worden voldaan. In dit verband merken zij op dat de representatieve situatie in het akoestisch rapport van 9 november 2005 onvoldoende is omschreven.

2.12.1.    Verweerder stelt dat het vervangen van de dieselheftrucks door LPG-heftrucks een lagere geluidbelasting met zich brengt en dat de overige aangevraagde activiteiten geen invloed hebben op de geluidemissie van de inrichting. In het bij de vergunning van 2001 behorend akoestisch rapport van 10 november 2000 wordt volgens verweerder voldoende informatie verstrekt over de representatieve bedrijfssituatie.

2.12.2.    Onweersproken is door verweerder gesteld dat er ten gevolge van de verandering van de werking van de inrichting geen toename van activiteiten is op het buitenterrein en dat door de bouw van de nissenloods, waarin een deel van de activiteiten zal plaatsvinden die voorheen op het buitenterrein plaatsvonden, een afscherming wordt gerealiseerd tussen de activiteiten op het terrein van de inrichting en de geluidgevoelige bestemmingen. Daarnaast wordt dit terrein verhard, waardoor het rammelen van voertuigen zal afnemen dan wel zal worden voorkomen en worden de dieselheftrucks, die een dominerende geluidbron vormen, vervangen door stillere LPG-heftrucks. Ten opzichte van hetgeen reeds is vergund, zijn bovendien geen andere bedrijfstijden, noch meer vervoersbewegingen of een andere routering van de voertuigbewegingen op het terrein van de inrichting aangevraagd en vergund. Gelet op de stukken, waaronder het deskundigenbericht, moet daarom worden aangenomen dat de vergunde veranderingen geen grotere geluidbelasting met zich brengen dan de reeds in 2001 vergunde activiteiten.

   Niet aannemelijk is gemaakt dat de geluidvoorschriften die in de vergunning van 11 december 2001 zijn opgenomen en die ingevolge het aan de onderhavige vergunning verbonden voorschrift 1.1.1 onverminderd van toepassing zijn, niet kunnen worden nageleefd.

   Wat het akoestisch rapport van 9 november 2005 betreft, overweegt de Afdeling dat dit rapport geen deel uitmaakt van de aanvraag om vergunning en niet aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd.

2.13.    Appellanten sub 1 vrezen calamiteiten zoals brand en explosies ten gevolge van de opslag van LPG. Vanwege de korte afstand tot hun woningen, vinden zij dat deze opslag niet thuishoort op deze locatie. Daarnaast stellen zij dat de LPG-tanks moeten zijn voorzien van een automatische afslag als de tank voor 80% is gevuld met LPG.

2.13.1.    Blijkens de aanvraag mag vergunninghoudster maximaal 4 flessen van elk 25 liter op een afstand van ongeveer 40 tot 45 meter van de dichtstbijzijnde woning opslaan. In hoofdstuk 4.5 van de vergunningvoorschriften zijn eisen gesteld aan de opslagplaats van LPG-gasflessen. Mede gelet op het deskundigenbericht is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat deze voorschriften toereikend zijn.

2.14.    Ten aanzien van de begrippenlijst die in de voorschriften is opgenomen merken appellanten sub 1 op dat bij het begrip "brandwerendheid" wordt verwezen naar de ingetrokken normen NEN 3884 en 3885 en dat bij het begrip "vlampunt" wordt verwezen naar de niet bestaande norm NEN-ISO 2719.

2.14.1.    Verweerder heeft gesteld dat de definities "brandwerendheid" en "vlampunt" noch in de considerans noch in de voorschriften voorkomen, zodat deze begrippen niet tot onduidelijkheden kunnen leiden.

2.14.2.    De Afdeling is van oordeel dat verweerder zich terecht op dit standpunt heeft gesteld.

2.15.    Appellanten sub 1 stellen dat in voorschrift 1.2.1 ten onrechte niet is voorgeschreven dat de LPG-heftruck niet meer geluid mag produceren dan 74+16logP.

   Nu de geluidbelasting van de vorkheftrucks gelet op voorschrift 1.1.1 van de onderhavige vergunning wordt beperkt door de geluidvoorschriften die aan de vergunning van 11 december 2001 zijn verbonden, heeft verweerder in redelijkheid het standpunt kunnen innemen dat het stellen van nadere geluidvoorschriften voor de heftruck niet nodig is in het belang van de bescherming van het milieu.

2.16.    Appellanten sub 1 brengen naar voren dat het in de begrippenlijst en in voorschrift 2.1.1 genoemde protocol Nulsituatie/BSB-onderzoek is ingetrokken.

2.16.1.    Ingevolge voorschrift 2.1.1, voor zover hier van belang, dient ter vaststelling van de kwaliteit van de bodem als referentiesituatie uiterlijk binnen een jaar na het van kracht worden van de beschikking een nulsituatieonderzoek te zijn uitgevoerd ter plaatse van de bovengrondse opslagtank voor olie. Het onderzoek dient te worden uitgevoerd conform het protocol Nulsituatie/BSB-onderzoek tenzij goedkeuring van Gedeputeerde Staten is verkregen voor het toepassen van een andere gelijkwaardige onderzoeksstrategie.

2.16.2.    Blijkens de stukken is genoemd protocol weliswaar verouderd, maar kan dit blijkens de NEN 5740 nog steeds worden gehanteerd. Nu de toepassing van een andere gelijkwaardige onderzoeksstrategie bovendien niet is uitgesloten, heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voorschrift 2.1.1 toereikend is.

2.17.    Appellanten sub 1 betogen dat een eindsituatie-onderzoek naar bodemverontreiniging in hoofdstuk 2 van de vergunningvoorschriften had moeten worden opgenomen.

   De Afdeling stelt vast dat in voorschrift 17.2 dat aan de op 11 december 2001 verleende revisievergunning is verbonden de verplichting tot het verrichten van een eindsituatie-onderzoek is opgenomen. Nu de voorschriften van deze vergunning in voorschrift 1.1.1 van de onderhavige vergunning onverminderd van toepassing zijn verklaard, is vergunninghoudster reeds genoodzaakt tot het uitvoeren van een eindsituatie-onderzoek.

2.18.    Appellanten sub 1 stellen dat voorschrift 3.1.1 voor meerderlei uitleg vatbaar is vanwege het hierin vermelde begrip "optimale verbranding". Voorts betogen zij dat in voorschrift 3.1.3 had moeten zijn voorgeschreven dat de tweejaarlijkse beoordeling dient plaats te vinden overeenkomstig de SCIOS-richtlijnen.

2.18.1.    Ingevolge voorschrift 3.1.1 zijn verwarmings- en stookinstallaties zo afgesteld, dat een optimale verbranding plaatsvindt.

   Ingevolge voorschrift 3.1.3 wordt aan een stook- of verwarmingsinstallatie en een verbrandingsgasafvoersysteem ten minste eenmaal per jaar onderhoud verricht. Op een stook- of verwarmingsinstallatie met een nominale belasting van 130 kW op bovenwaarde of hoger, wordt bij ingebruikname en vervolgens ten minste eenmaal per twee jaar een beoordeling uitgevoerd op noodzakelijke afstelling en onderhoud teneinde een optimale verbranding te laten plaatsvinden. Beoordeling, afstelling, onderhoud en reparaties geschieden door:

a. een voor die activiteit of activiteiten gecertificeerde rechtspersoon, of

b. een andere rechtspersoon die over aantoonbare gelijkwaardige deskundigheid beschikt voor die activiteit of activiteiten.

2.18.2.    Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het begrip "optimale verbranding" in voorschrift 3.1.3 in voldoende mate wordt geconcretiseerd en dat er geen aanleiding bestaat om van vergunninghoudster te vergen dat onderhoud en inspectie alleen volgens SCIOS-richtlijnen mag plaatsvinden.

2.19.    Appellanten sub 1 werpen verder op dat in de begrippenlijst en in voorschrift 4.3.3 het verouderde begrip "Dienst ST" respectievelijk "Stoomwezen B.V." is gebruikt.

   De Afdeling stelt vast dat deze termen inderdaad verouderd zijn. Inmiddels is het Stoomwezen B.V. geprivatiseerd. Thans opeert het onder de naam Lloyd's Register-Stoomwezen B.V. De Afdeling is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het gebruik van de verouderde termen in dit geval niet tot onduidelijkheden kan leiden.

2.20.    Appellanten sub 1 brengen tevens naar voren dat voorschrift 3.1.2 overbodig is, omdat in voorschrift 3.2.1 wordt voorgeschreven dat de stookinstallatie moet voldoen aan NEN 3028.

2.20.1.    Ingevolge voorschrift 3.1.2 is buiten een stookruimte, waarin verwarmingsinstallaties zijn opgesteld met een individueel vermogen van meer dan 130 kW, een goed bereikbare brandschakelaar aanwezig en een afsluiter waarmee de brandstoftoevoer kan worden afgesloten.

   Ingevolge voorschrift 3.2.1, voor zover hier van belang, moet een stookruimte, stookinstallatie en eventueel verbrandingsgasafvoersysteem zijn uitgevoerd en opgesteld overeenkomstig het gestelde in NEN 3028 of daaraan gelijkwaardig bevonden norm.

2.20.2.    De Afdeling stelt vast dat uit de NEN 3028 volgt dat buiten een stookruimte een goed bereikbare brandschakelaar en een afsluiter als bedoeld in voorschrift 3.1.2 aanwezig dienen te zijn. Omdat aan een vergunning slechts voorschriften worden verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu, is het bestreden besluit, voor zover dit voorschrift 3.1.2 betreft, strijdig met artikel 8.11, derde lid, zoals dat vóór 1 december 2005 luidde, van de Wet milieubeheer.

2.21.    Appellanten sub 1 stellen ten slotte dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid, omdat verweerder het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: het Bureau) om advies had moeten vragen alvorens tot besluitvorming over te gaan.

2.21.1.    Ingevolge artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer kan de vergunning tevens worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.

   Ingevolge artikel 8.10, vierde lid, van de Wet milieubeheer kan het Bureau, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd.

   Ingevolge artikel 9 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur heeft het Bureau tot taak aan bestuursorganen, voor zover deze bij of krachtens de wet de bevoegdheid hebben gekregen het Bureau daartoe te verzoeken, desgevraagd advies uit te brengen over de mate van gevaar, bedoeld in artikel 3, eerste lid, of over de ernst van de feiten en omstandigheden, bedoeld in artikel 3, zesde lid.

2.21.2.    Appellanten sub 1 hebben niet aannemelijk gemaakt dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen gegronde redenen bestonden om het Bureau, alvorens vergunning te verlenen, om advies te vragen. Gelet hierop kan niet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre strijdig is met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.22.    Appellante sub 2 stelt dat verweerder ten onrechte voorschriften aan de vergunning heeft verbonden die haar er toe verplichten keuringen te laten verrichten door KIWA.

   De Afdeling stelt vast dat verweerder de ontwerpvoorschriften die hiertoe strekten zodanig heeft aangepast, dat deze keuringen ook door een aan KIWA gelijkwaardige instantie mogen worden verricht. Anders dan appellante sub 2 betoogt, strekken de voorgeschreven beoordelingsrichtlijnen er blijkens het deskundigenbericht evenmin toe dat alleen KIWA keuringen mag verrichten. Ook andere certificatie- en inspectie-instellingen dan KIWA mogen keuringen verrichten, mits zij voldoende zijn gekwalificeerd. De stelling van appellante sub 2 is daarom feitelijk onjuist.

2.23.    Appellante sub 2 betoogt dat verweerder in een aantal  voorschriften van hoofdstuk 4 van de vergunning ten onrechte de toepassing van bepaalde beoordelingsrichtlijnen en keuringscriteria voor de olieopslag heeft voorgeschreven, omdat die uitgaan van een Nederlandse norm. Deze voorschriften acht zij strijdig met de Richtlijn 98/37/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende machines (hierna: de Richtlijn). Appellante sub 2 richt zich in het bijzonder tegen voorschrift 4.2.28, waarin is bepaald, voor zover hier van belang, dat een stalen tank door of namens KIWA, of een daaraan gelijkwaardige instantie, ten minste eenmaal per 15 jaar geheel moet worden geïnspecteerd volgens KC-111. Dit keuringscriterium bestaat volgens haar niet.

2.23.1.    Ten aanzien van de strijdigheid van genoemde vergunningvoorschriften met de Richtlijn, overweegt de Afdeling als volgt.

   Ingevolge artikel 1, derde lid, van de Richtlijn zijn van de werkingssfeer van deze richtlijn onder meer uitgesloten reservoirs voor opslag en leidingen voor het vervoer van benzine, dieselolie, ontvlambare vloeistoffen en gevaarlijke stoffen.

   Reeds gelet hierop kan van strijdigheid van de vergunningvoorschriften met de Richtlijn geen sprake zijn.

2.23.2.    De Afdeling overweegt voorts dat de beoordelingsrichtlijnen en keuringscriteria, die door KIWA in overleg met de marktpartijen en overheden zijn opgesteld, zijn opgenomen in een bijlage van de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 30. In hetgeen appellante sub 2 heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de desbetreffende voorschriften van hoofdstuk 4, met uitzondering van voorschrift 4.2.28, nodig zijn in het belang van de bescherming van het milieu.

2.23.3.    Ten aanzien van voorschrift 4.2.28 overweegt de Afdeling het volgende.

   Ingevolge dit voorschrift, voor zover hier van belang, moet een stalen tank door of namens KIWA, of een daaraan gelijkwaardige instantie, ten minste eenmaal per 15 jaar geheel worden geïnspecteerd volgens KC-111.

   De Afdeling stelt vast dat dit keuringscriterium ten tijde van het nemen van het bestreden besluit nog in de ontwerpfase verkeerde, waardoor het nog kan worden gewijzigd alvorens het definitief wordt vastgesteld. Niet uit te sluiten valt dat een inspectie die op enig moment volgens KC-111 wordt uitgevoerd, door een wijziging van dit criterium enige tijd later niet meer toereikend wordt geacht. Gelet hierop is het bestreden besluit op dit punt in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Het beroep van appellante sub 2 is in zoverre gegrond.

2.24.    Uit het vorenstaande volgt dat de beroepen van appellanten sub 1 en appellante sub 2, voor zover ontvankelijk, deels gegrond en deels ongegrond zijn.

2.25.    Ten aanzien van appellanten sub 1 dient verweerder op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van appellante sub 2 is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart de beroepen van appellanten sub 1 en appellante sub 2 niet-ontvankelijk voor zover het de gronden inzake onduidelijke publicaties, voorschrift 4.5.6, het deels vervallen van de revisievergunning van 11 december 2001, de toetsing aan het Besluit luchtkwaliteit 2005 en het niet verwijzen in hoofdstuk 4 van de voorschriften naar de van toepassing zijnde voorschriften van de richtlijn CPR 9-6, tweede druk (1999), respectievelijk de grond inzake voorschrift 1.2.1 betreft;

II.    verklaart de beroepen van appellanten sub 1 en appellante sub 2 gedeeltelijk gegrond;

III.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Overijssel van 28 september 2005, EMT/20905/4021, voor zover het de voorschriften 3.1.2 en 4.2.28 betreft;

IV.    verklaart de beroepen van appellanten sub 1 en appellante sub 2 voor het overige ongegrond;

V.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Overijssel tot vergoeding van bij appellanten sub 1 in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Overijssel aan appellanten sub 1 onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI.    gelast dat de provincie Overijssel aan appellanten sub 1 en appellante sub 2 het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 138,00 (zegge: honderdachtendertig euro) respectievelijk € 276,00 (zegge: tweehonderdzesenzeventig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Voorzitter, en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens en mr. J.G.C. Wiebenga, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Heijerman, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd    w.g. Heijerman

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 september 2006

255.