Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY8933

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-09-2006
Datum publicatie
27-09-2006
Zaaknummer
200600383/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 februari 2003 heeft verweerder een nadere eis als bedoeld in artikel 5, eerste lid, aanhef en onder b, in samenhang met voorschrift 1.7.1 van bijlage 2 van het Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven milieubeheer (hierna: het Besluit) gesteld, ten aanzien van de op het perceel [locatie] te [plaats] gelegen koffiebranderij annex koffie- en theewinkel (hierna: de koffiebranderij) van [vergunninghouder], handelend onder de naam "Brandmeester's". Tegen dit besluit is bezwaar gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200600383/1.

Datum uitspraak: 27 september 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 4 februari 2003 heeft verweerder een nadere eis als bedoeld in artikel 5, eerste lid, aanhef en onder b, in samenhang met voorschrift 1.7.1 van bijlage 2 van het Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven milieubeheer (hierna: het Besluit) gesteld, ten aanzien van de op het perceel [locatie] te [plaats] gelegen koffiebranderij annex koffie- en theewinkel (hierna: de koffiebranderij) van [vergunninghouder], handelend onder de naam "Brandmeester's". Tegen dit besluit is bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 30 maart 2004 heeft verweerder het hiertegen door [vergunninghouder] gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 4 februari 2003 herroepen en een nieuw besluit genomen. De Afdeling heeft het besluit van 30 maart 2004 bij uitspraak van 18 mei 2005, no. 200403885/1, vernietigd.

Bij besluit van 21 december 2005, verzonden op 21 december 2005, heeft verweerder een nieuw besluit genomen, waarbij hij het besluit van 4 februari 2003 opnieuw heeft herroepen en daarvoor in de plaats vier nadere eisen heeft gesteld.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 11 januari 2006, bij de Raad van State ingekomen op 13 januari 2006, beroep ingesteld.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van verweerder. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 juni 2006, waar appellante in persoon en verweerder, vertegenwoordigd door mr. G.N. van Vuure en W. Numan, beiden ambtenaar der gemeente, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord [vergunninghouder], vertegenwoordigd door mr. D.S.P. Fransen, advocaat te Amsterdam.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend. Zij heeft de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: de Stichting) benoemd tot deskundige teneinde nader onderzoek te verrichten. De Stichting heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 28 juni 2006. Er zijn nog stukken ontvangen van appellante, verweerder en [vergunninghouder]. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden. De Afdeling heeft de zaak verder behandeld ter zitting van 28 augustus 2006, waar appellante in persoon en verweerder, vertegenwoordigd door mr. G.N. van Vuure en W. Numan, beiden ambtenaar der gemeente, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord [vergunninghouder], vertegenwoordigd door mr. D.S.P. Fransen, advocaat te Amsterdam.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellante voert aan - kort weergegeven - dat de wijze en de omvang van koffiebranden in de koffiebranderij niet als ambachtelijk is aan te merken en dat het branden van koffie niet dient plaats te vinden in een woon- en winkelomgeving zoals de binnenstad van Haarlem, zonder gebruik te maken van de meest geurreducerende maatregelen en voorzieningen. In dat verband kan volgens haar worden geëist dat bij het branden van koffie een naverbrander dient te worden gebruikt. Tenminste dient volgens haar het branden van koffie aan vooraf vastgestelde uren te worden gebonden. Daarnaast is volgens appellante ten onrechte geen onderzoek naar het brandgevaar verricht.

2.2.    Verweerder heeft de nadere eisen gebaseerd op het Besluit. De gestelde nadere eisen houden in, dat de huidige koffiebrander wordt vervangen door een kleinere koffiebrander met een maximale capaciteit van 12 kg, dat het aantal branduren per jaar wordt beperkt tot 800 uur, dat op de brander een verzegelbare tijdklok aangebracht wordt die de branduren registreert en dat de dagen en uren waarop koffie wordt gebrand in een logboek worden bijgehouden.

2.3.    Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit, voor zover hier van belang, is het Besluit van toepassing op een inrichting die uitsluitend of in hoofdzaak bestemd is voor:

a.     het verkopen of verhuren aan particulieren van roerende zaken, met uitzondering van binnenlandse en buitenlandse wettige betaalmiddelen;

b.    het verrichten van ambachtelijke of dienstverlenende activiteiten voorzover deze, gelet op hun aard, geschieden in rechtstreeks verband met activiteiten als bedoeld onder a.

2.4.    Met betrekking tot de aard en omvang van de inrichting overweegt de Afdeling dat in haar uitspraak van 18 mei 2005, no. 200403885/1, is aangegeven, dat de koffiebranderij onder de werking van het Besluit valt en niet vergunningplichtig is. Er zijn geen gewijzigde feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat niet langer sprake is van een ambachtelijk bedrijf in de zin van artikel 2 van het Besluit. Het feit dat elders in de gemeente Haarlem mogelijk betere locaties beschikbaar zijn om koffie te branden, is geen aspect dat een rol kan spelen in een procedure tot het stellen van nadere eisen.

2.5.    Verweerder heeft de gestelde nadere eisen gebaseerd op het in zijn opdracht door Buro Blauw uitgevoerde geuronderzoek. Het eindverslag van dit onderzoek is gedateerd 27 september 2005. Blijkens het onderzoek zijn voor verschillende situaties de geurconcentraties onderzocht. Verder zijn hierbij gegevens met betrekking tot het klachtenpatroon en de bijzondere regeling voor grote koffiebranderijen uit de Nederlandse emissierichtlijn (NER) betrokken. Verweerder is mede op basis van het geuronderzoek tot de conclusie gekomen dat een concentratie van 1,5 geureenheid per m3 als 99,5 percentiel op 25 meter van de koffiebranderij een acceptabel geurhinderniveau oplevert. Deze geurconcentratie is berekend uitgaande van de bestaande schoorsteenhoogte van 17 meter, een uurproductie van 25 kg koffie en 833 branduren per jaar en betekent volgens verweerder een geurreductie van ongeveer 50 % ten opzichte van de huidige situatie. Voorts is verweerder gelet op de door Brandmeester's beoogde koffiebrander met een capaciteit van 12 kg ervan uitgegaan dat er maximaal 24 kg/uur wordt gebrand. Dit met de aanname dat er maximaal 2 batches per uur worden gebrand. De hoeveelheid van 24 kg/uur was niet vastgelegd in de nadere eisen.

2.5.1.    In het deskundigenbericht zijn de uitgangspunten en bevindingen van het door verweerder in aanmerking genomen geuronderzoek van Buro Blauw in grote lijnen onderschreven. Hetgeen appellante daartegen heeft aangevoerd, biedt naar het oordeel van de Afdeling geen grond om ervan uit te gaan, dat het geuronderzoek wezenlijke tekortkomingen vertoont; ook overigens is daarvan niet gebleken. In het deskundigenbericht wordt echter opgemerkt dat met een brander met een capaciteit van 12 kg, meer dan 24 kg/uur kan worden gebrand.

   Naar aanleiding van het deskundigenbericht heeft verweerder het bestreden besluit van 21 december 2005 gewijzigd bij besluit van 8 augustus 2006 in die zin dat ook de nadere eis is gesteld dat er maximaal 24 kg/uur mag worden gebrand hetgeen overeenkomt met een jaarcapaciteit van 19.200 kilogram. Dit uitgangspunt lag mede ten grondslag aan het geuronderzoek. Het nieuwe besluit van 8 augustus 2006 moet worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), zodat het beroep ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb geacht moet worden mede te zijn gericht tegen dat besluit.

   Gezien het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat genoegzaam aannemelijk is dat met de nadere eisen het door verweerder beoogde geurhinderniveau kan worden bereikt en dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen, dat de gestelde nadere eisen in de bestreden besluiten van 21 december 2005 en 8 augustus 2006 uit een oogpunt van geurhinder toereikend zijn in het belang van de bescherming van het milieu. Deze beroepsgrond treft geen doel.

2.6.    Voorts vreest appellante dat de gestelde nadere eisen niet worden nageleefd. Deze beroepsgrond ziet op de naleving maar heeft geen betrekking op de rechtmatigheid van het ter beoordeling staande besluit en kan om die reden niet slagen. De Algemene wet bestuursrecht voorziet overigens in de mogelijkheid tot het treffen van maatregelen die strekken tot het afdwingen van de naleving van de nadere eisen die in het bestreden besluit zijn gesteld.

2.7.    Vervolgens stelt appellante dat de koffiebranderij mogelijk brandgevaar tot gevolg heeft.

   De Afdeling stelt vast dat het Besluit voorschriften bevat ter beperking van brandgevaar en van de gevolgen van een eventuele brand. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gestelde nadere eisen geen verandering in het risico van brandgevaar tot gevolg hebben.

2.8.    Appellante voert aan dat het bestreden besluit van 21 december 2005 niet binnen de daartoe gestelde termijn is genomen.

   Een overschrijding van de wettelijke beslistermijn tast de rechtmatigheid van het besluit niet aan. Deze beroepsgrond kan derhalve niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

2.9.    Tenslotte voert appellante aan, dat de termijn van 2 maanden om te voldoen aan de nadere eisen te lang is.

   Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder in redelijkheid deze termijn kunnen stellen. Deze beroepsgrond slaagt niet.

2.10.    Het beroep is ongegrond.

2.11.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, Voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en dr. K.J.M. Mortelmans, Leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van Staat.

w.g. Hennekens    w.g. Sparreboom

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 september 2006

191-518