Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY8932

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-09-2006
Datum publicatie
27-09-2006
Zaaknummer
200600957/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 september 2004 heeft de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Minister) de aan appellant toegekende huursubsidie over het subsidietijdvak van 1 juli 2002 tot 1 juli 2003 herzien en nader vastgesteld op nihil en tevens de over dat tijdvak uitbetaalde huursubsidie teruggevorderd. Bij besluit van 6 oktober 2004 heeft de Minister de aan appellant toegekende huursubsidie over het subsidietijdvak van 1 juli 2003 tot 1 juli 2004 herzien en nader vastgesteld op nihil en tevens de over dat tijdvak uitbetaalde huursubsidie teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200600957/1.

Datum uitspraak: 27 september 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. SBR 05/1411 van de rechtbank Utrecht van 19 januari 2006 in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 20 september 2004 heeft de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Minister) de aan appellant toegekende huursubsidie over het subsidietijdvak van 1 juli 2002 tot 1 juli 2003 herzien en nader vastgesteld op nihil en tevens de over dat tijdvak uitbetaalde huursubsidie teruggevorderd. Bij besluit van 6 oktober 2004 heeft de Minister de aan appellant toegekende huursubsidie over het subsidietijdvak van 1 juli 2003 tot 1 juli 2004 herzien en nader vastgesteld op nihil en tevens de over dat tijdvak uitbetaalde huursubsidie teruggevorderd.

Bij besluit van 2 mei 2005 heeft de Minister de daartegen door appellant gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 januari 2006, verzonden op 20 januari 2006, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 1 februari 2006, bij de Raad van State ingekomen op 2 februari 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij besluiten van 6 februari 2006 en 24 februari 2006 heeft de Minister voor de tijdvakken 2002-2003 en 2003-2004 alsnog huursubsidie (€ 2.072,64 respectievelijk € 2.259,72) aan appellant toegekend.

Bij brief van 24 maart 2006 heeft de Minister van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting aan de orde gesteld op 16 juni 2006, waar appellant en de Minister -  met bericht -  niet zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Huursubsidiewet (hierna: de Hsw), zoals dit luidde ten tijde hier van belang, wordt in deze wet en de bepalingen die daarop berusten onder rekeninkomen verstaan het gezamenlijk inkomen van de huurder en de medebewoners in het peiljaar.

   Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Hsw, zoals dit luidde ten tijde hier van belang, wordt in deze wet en de bepalingen die daarop berusten onder inkomen verstaan:

a. als over het peiljaar een aanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld: het gecorrigeerde verzamelinkomen over het peiljaar;

b. in een ander geval dan bedoeld onder a: het gecorrigeerde belastbare loon over het peiljaar.

   Ingevolge artikel 36, eerste lid, van de Hsw, zoals dit luidde ten tijde hier van belang, kan onze Minister de toekenning herzien, als huursubsidie is toegekend:

a. in afwijking van deze wet of de daarop berustende bepalingen, of

b. als gevolg van het niet naleven van de artikelen 30a, vierde lid, of 33, tweede lid.

   Ingevolge het derde lid van voormeld artikel kan als het eerste lid toepassing vindt, de ten onrechte of te veel uitbetaalde huursubsidie van de huurder worden teruggevorderd, of worden verrekend met aanspraken op huursubsidies van de huurder. De Minister stelt de hoogte van het terug te vorderen of te verrekenen bedrag en de wijze van terugvordering of verrekening vast.

2.2.    Op grond van nieuwe gegevens van de Belastingdienst, waaruit een lager inkomen over de peiljaren 2001 en 2002 blijkt dan waarvan aanvankelijk uit is gegaan, heeft de Minister bij besluiten van

6 februari 2006 en 24 februari 2006 voor de tijdvakken 2002-2003 en 2003-2004 alsnog huursubsidie aan appellant toegekend. De hierbij toegekende subsidie bedraagt minder dan de toegekende subsidie voordat tot herziening daarvan en nadere vaststelling tot nihil is besloten. Nu hangende hoger beroep de Minister tot deze wijziging heeft besloten, wordt het hoger beroep ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in samenhang met artikel 6:24, eerste lid, van de Awb mede geacht te zijn gericht tegen de besluiten van 6 februari 2006 en 24 februari 2006.

2.3.    Appellant betoogt recht op subsidie te hebben nu hij over de peiljaren 2001 en 2002 enkel een bijstandsuitkering heeft ontvangen. Daarbij voert hij aan dat de rechtbank heeft miskend dat de Minister de beslissing op bezwaar van de Belastingdienst had moeten afwachten alvorens tot herziening over te gaan.

2.4.    Dit betoog faalt. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden overwogen dat de Minister bij de toekenning van huursubsidie mocht uitgaan van de door de Belastingdienst vastgestelde inkomens. In het bijzonder heeft de rechtbank, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 19 februari 2003, no. 200204892/1, met juistheid geoordeeld dat indien de bezwaren van appellant tegen de belastingaanslagen over de jaren 2001 en 2002 gegrond zijn en leiden tot de vaststelling van een ander inkomen over deze jaren, de Minister tot herziening van de huursubsidie kan overgaan op basis van gewijzigd inkomen.

   Er bestaat geen grond voor het oordeel dat de Minister op basis van de nieuwe gegevens ten onrechte heeft besloten tot toekenning van huursubsidie tot een bedrag als vermeld in de besluiten van 6 februari 2006 en 24 februari 2006.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Het beroep tegen de besluiten van 6 februari 2006 en 24 februari 2006 dient ongegrond te worden verklaard.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    verklaart het beroep tegen de besluiten van de Minister van     Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van     6 februari 2006 en 24 februari 2006 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink    w.g. Bindels

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 september 2006

85-515.