Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY8928

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-09-2006
Datum publicatie
27-09-2006
Zaaknummer
200602164/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 februari 2006 heeft verweerder aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Boni Markt B.V." een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een supermarkt met afvalinzamelstation (retourette) op het perceel Wheemplein 31-39 te Nijkerk. Dit besluit is op 8 februari 2006 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 20.6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2006/118 met annotatie van Zigenhorn
JAF 2006/88 met annotatie van Van der Meijden
M en R 2006, 58K
Milieurecht Totaal 2006/3590

Uitspraak

200602164/1.

Datum uitspraak: 27 september 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], gevestigd te [plaats], en andere,

en

het college van burgemeester en wethouders van Nijkerk,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 8 februari 2006 heeft verweerder aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Boni Markt B.V." een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een supermarkt met afvalinzamelstation (retourette) op het perceel Wheemplein 31-39 te Nijkerk. Dit besluit is op 8 februari 2006 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 20 maar t2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld.

Bij brief van 18 april 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 juli 2006, waar appellanten, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door F. Kabbouti, ambtenaar van de gemeente, en [adviseur], zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat de bij deze wetten doorgevoerde wetswijzigingen niet van toepassing zijn op het geding.

2.2.    Van het bestreden besluit is tweemaal een ontwerpbesluit ter inzage gelegd. Verweerder heeft gesteld dat het beroep niet ontvankelijk is, omdat tegen het tweede ontwerpbesluit geen bedenkingen zijn ingediend.     Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer, zoals dit vóór 1 juli 2005 luidde, kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a.    degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b.    de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c.    degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d.    belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

2.3.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 28 mei 1999 in zaak no. E03.97.0778 (www.raadvanstate.nl en AB 2000, 75) verzet de Algemene wet bestuursrecht zich niet tegen het tweemaal ter inzage leggen van een ontwerpbesluit. Daarbij geldt dat een rechtzoekende er niet op bedacht hoeft te zijn dat een tweede ontwerpbesluit ter inzage wordt gelegd. Dit betekent voor de ontvankelijkheid in beroep, mede gelet op artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer (oud), dat de in beroep ingebrachte gronden hun grondslag moeten kunnen vinden in de door de desbetreffende rechtzoekende tegen het eerste, dan wel tegen het tweede ontwerpbesluit ingebrachte bedenkingen, dan wel betrekking moeten hebben op wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van ten minste één van beide ontwerpbesluiten zijn aangebracht. Hieruit volgt dat appellanten in hun beroep kunnen worden ontvangen, nu de gronden van dit beroep hun grondslag vinden in hun tegen het eerste ontwerpbesluit ingebrachte bedenkingen.

2.4.    Appellanten betogen dat verweerder niet bevoegd was het bestreden besluit te nemen. Zij betogen dat gelet op de aanvraag de inrichting een opslagcapaciteit voor huishoudelijke afvalstoffen heeft van meer dan 35 m3. Ingevolge categorie 28.4, onder a, 1o, van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer is naar hun mening daarom het college van gedeputeerde staten het bevoegde gezag.

2.4.1.    In de aanvraag is vermeld dat de capaciteit van de retourette bestaat uit een opslaggedeelte (bestaande uit perscontainers achter de supermarkt) met een totale capaciteit van 33,6 m3 en een overslaggedeelte (bestaande uit diverse bakken binnen de supermarkt) met een totale capaciteit van 7,32 m3. Ter zitting is gebleken dat de geaccepteerde afvalstoffen door de bezoekers van de supermarkt worden gedeponeerd in de bakken binnen de supermarkt. Deze bakken worden enkele malen per week door medewerkers van de supermarkt geleegd in de perscontainers op het achterterrein. Naar het oordeel van de Afdeling zijn gelet op deze bedrijfsvoering uitsluitend de perscontainers achter de supermarkt bestemd voor opslag. Nu de opslagcapaciteit van deze containers minder is dan 35 m3, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat hij het bevoegde gezag is om de vergunning te verlenen. De beroepsgrond slaagt niet.

2.5.    Appellanten voeren aan dat op het aanvraagformulier de retourette niet is aangegeven. Dat brengt volgens hen met zich dat alleen de supermarkt is aangevraagd. Hiervoor zou het Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven milieubeheer (hierna: het Besluit) van toepassing zijn, aldus appellanten.

   De Afdeling overweegt dat weliswaar de retourette niet op het aanvraagformulier is vermeld, maar dat deze wel is weergegeven op de overzichtstekening en de bijlagen die bij de aanvraag behoren. De retourette is derhalve aangevraagd. Uit de stukken blijkt dat jaarlijks meer dan 1.000 m3 afvalstoffen wordt afgevoerd uit de inrichting. Gelet op artikel 3, eerste lid, aanhef en onder d, 3o, van het Besluit valt de inrichting niet onder de werking van het Besluit. Het beroep treft in zoverre geen doel.

2.6.    Appellanten vrezen geurhinder.

   In vergunningvoorschrift 9 is, voor zover hier van belang, bepaald dat de afvalcontainers te allen tijde gesloten moeten zijn zodat de eventuele geuroverlast tot een minimum beperkt wordt. Ingevolge vergunningvoorschrift 10 dienen containers te worden afgevoerd zodra deze vol zijn. Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat met deze voorschriften niet voor onaanvaardbare geurhinder behoeft te worden gevreesd. De grond slaagt niet.

2.7.    Appellanten zijn beducht voor geluidhinder. Zij voeren in dit kader aan dat had moeten worden voorgeschreven dat ter beperking van de geluidoverlast de afvalcontainers ondergronds hadden moeten worden geplaatst.

   In vergunningvoorschrift 1 heeft verweerder grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau gesteld van 50 dB(A) (etmaalwaarde). In vergunningvoorschrift 2 zijn grenswaarden voor het maximale geluidniveau gesteld van 70 dB(A) (etmaalwaarde). Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat met deze normen geluidhinder kan worden voorkomen dan wel voldoende kan worden beperkt. Hij heeft dan ook terecht geen aanvullende voorschriften op dit punt gesteld. Voorts blijkt uit het akoestisch rapport behorende bij de aanvraag dat aan de geluidgrenswaarden kan worden voldaan. Niet gebleken is dat deze bevinding onjuist is. De beroepsgrond slaagt niet.

2.8.    Appellanten vrezen visuele hinder.

   De vraag of zich visuele hinder voordoet komt primair aan de orde in het kader van planologische regelingen. Daarnaast blijft in het kader van vergunningverlening krachtens de Wet milieubeheer ruimte voor een aanvullende milieuhygiënische toets. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is de Afdeling echter van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zich niet zodanige visuele hinder voordoet, dat dit zou moeten leiden tot het weigeren van de vergunning of tot het stellen van nadere voorschriften.

2.9.    Appellanten vrezen bodemverontreiniging. Ter zitting hebben zij deze grond gepreciseerd in die zin dat zij vrezen dat de voorschriften die ter zake zijn gesteld, niet worden nageleefd.

   Deze beroepsgrond heeft geen betrekking op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en kan om die reden niet slagen. De Algemene wet bestuursrecht voorziet overigens in de mogelijkheid tot het treffen van maatregelen die strekken tot het afdwingen van de naleving van de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden.

2.10.    Appellanten voeren aan dat ten onrechte geen voorschriften ter bescherming van de externe veiligheid aan de vergunning zijn verbonden. Zij wijzen in dit verband op een calamiteit op het achterterrein van de inrichting, waarbij een transporteur bij het verladen van een perscontainer een naastgelegen pand heeft beschadigd.

   De Afdeling acht het op basis van de stukken aannemelijk dat op het terrein achter de inrichting onder normale omstandigheden voldoende ruimte aanwezig is om zonder beschadiging van naastgelegen objecten de containers te kunnen verladen. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid kunnen oordelen dat op dit punt geen aanvullende voorschriften aan de vergunning behoefden te worden verbonden. De beroepsgrond slaagt niet.

2.11.    Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

2.12.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, Voorzitter, en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens en drs. H. Borstlap, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W.S. van Helvoort, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld    w.g. Van Helvoort

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 september 2006

361.