Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY8927

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-09-2006
Datum publicatie
27-09-2006
Zaaknummer
200602414/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 november 2004 heeft verweerder aan appellant een last onder dwangsom opgelegd ter zake van de overtreding van artikel 6, vierde lid, van het Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer (hierna: het Besluit). Indien niet binnen vier weken na bekendmaking van het besluit een akoestisch rapport als bedoeld in dit artikel is overgelegd, wordt een dwangsom van € 5.000,00 verbeurd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200602414/1.

Datum uitspraak: 27 september 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Tegelen, gemeente Venlo, handelend onder de naam "Amphion Meubeldesign en Interieurbouw",

en

het college van burgemeester en wethouders van Venlo,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 9 november 2004 heeft verweerder aan appellant een last onder dwangsom opgelegd ter zake van de overtreding van artikel 6, vierde lid, van het Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer (hierna: het Besluit). Indien niet binnen vier weken na bekendmaking van het besluit een akoestisch rapport als bedoeld in dit artikel is overgelegd, wordt een dwangsom van € 5.000,00 verbeurd.

Bij besluit van 1 februari 2005 heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 februari 2006, in zaak nr. 200502322/1, heeft de Afdeling dit besluit vernietigd.

Op 21 februari 2006 heeft verweerder een nieuw besluit op het bezwaar genomen.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 30 maart 2006, bij de Raad van State ingekomen op 31 maart 2006, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 28 april 2006.

Bij brief van 16 mei 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 juli 2006, waar appellant, in persoon, en bijgestaan door mr. D.R. de Poorter, advocaat te Nijmegen, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. E. Schreur, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Artikel 8 van het Besluit bepaalt, kort weergegeven, dat indien op het tijdstip waarop dit besluit in werking treedt, een inrichting reeds is opgericht en voor die inrichting onmiddellijk voor dat tijdstip geen vergunning in werking en onherroepelijk was of geen melding was gedaan krachtens het Besluit, degene die de inrichting drijft, aan het bevoegd gezag meldt dat hij de inrichting in werking heeft.

   In artikel 6, vierde lid, van het Besluit is - voor zover hier van belang - bepaald dat indien de melding betrekking heeft op een inrichting die gelegen is binnen een afstand van 50 meter van een woning van derden of andere geluidgevoelige bestemmingen, bij de melding tevens een rapportge van een akoestisch onderzoek wordt gevoegd.

   Artikel 6, vijfde lid, van het Besluit bepaalt dat uit het rapport van een akoestisch onderzoek op grond van verrichte geluidmetingen of geluidberekeningen dient te blijken of aan het gestelde in voorschrift 1.1.1 of 1.1.3 van de bijlage kan worden voldaan, en in het rapport wordt aangegeven welke de hiertoe te treffen voorzieningen zijn.

   In artikel 1, onder h, van het Besluit wordt - voor zover hier van belang - als woning aangemerkt: een gebouw of gedeelte van een gebouw dat voor bewoning wordt gebruikt.

2.2.    Appellant betoogt dat verweerder bij het bestreden besluit de last zoals die was opgenomen in het besluit van 9 november 2004, niet onverkort heeft kunnen handhaven. Hij voert daartoe aan dat verweerder na het besluit van 9 november 2004 heeft erkend dat in het akoestisch onderzoek de geluidbelasting op de panden [locaties] en de in artikel 6, vijfde lid, van het Besluit bedoelde voorzieningen niet behoefden te worden meegenomen.

   Verder betoogt hij dat in het besluit van 9 november 2004 is overwogen dat het akoestisch rapport dient te voldoen aan artikel 6, vierde en vijfde lid, van het Besluit, maar dat in de omschrijving van de last louter is gesteld dat de strijdigheid met artikel 6, vierde lid, van het Besluit dient te worden opgeheven. Naar haar mening is de last in zoverre onduidelijk en in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

2.2.1.    Verweerder heeft ter zitting betoogd dat hij eerst na het nemen van het besluit van 9 november 2004 tot het oordeel is gekomen dat het niet noodzakelijk was dat het akoestisch rapport mede op de panden [locaties] betrekking zou hebben. Uit het bestreden besluit blijkt dit echter niet, zodat dit in zoverre in strijd is met het beginsel dat een besluit zorgvuldig moet worden genomen.

   Verweerder heeft ter zitting verder betoogd dat hij met de last zoals weergegeven in het besluit van 9 november 2004 slechts heeft beoogd dat een akoestisch rapport zou worden opgesteld, dat slechts aan artikel 6, vierde lid, van het Besluit en niet aan artikel 6, vijfde lid, behoefde te voldoen. Nu dit niet duidelijk uit het besluit van 9 november 2004 blijkt, is dat besluit in zoverre in strijd met het beginsel dat een besluit zorgvuldig moet worden genomen. Nu dat gebrek bij het bestreden besluit niet is hersteld, is dat besluit ook in zoverre met genoemd beginsel in strijd.

2.3.    Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd en het besluit van 9 november 2004 dient te worden herroepen.

2.4.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Venlo van 1 februari 2005, kenmerk COBMJ/04-28769;

III.    herroept het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Venlo van 9 november 2004, kenmerk BLMIL/04-24513;

IV.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

V.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Venlo tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Venlo aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI.    gelast dat de gemeente Venlo aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, Voorzitter, en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens en drs. H. Borstlap, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W.S. van Helvoort, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld    w.g. Van Helvoort

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 september 2006

361.