Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY8926

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-09-2006
Datum publicatie
27-09-2006
Zaaknummer
200603401/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 maart 2005 heeft het dagelijks bestuur van de deelgemeente Hillegersberg-Schiebroek van de gemeente Rotterdam (hierna: het dagelijks bestuur) het verzoek van appellante om handhavend op te treden tegen het kappen van 2.880 bomen in het Schiebroekse Park afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200603401/1.

Datum uitspraak: 27 september 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting "Stichting Natuurbescherming Vlinderstrik", gevestigd te Rotterdam,

appellante,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/3912 van de rechtbank Rotterdam van 21 maart 2006 in het geding tussen:

appellante

en

het dagelijks bestuur van de deelgemeente Hillegersberg-Schiebroek van de gemeente Rotterdam.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 22 maart 2005 heeft het dagelijks bestuur van de deelgemeente Hillegersberg-Schiebroek van de gemeente Rotterdam (hierna: het dagelijks bestuur) het verzoek van appellante om handhavend op te treden tegen het kappen van 2.880 bomen in het Schiebroekse Park afgewezen.

Bij besluit van 26 juli 2005 heeft het dagelijks bestuur de door appellante gemaakte bezwaren tegen het niet tijdig nemen van een besluit en tegen de afwijzing van het verzoek om handhaving ongegrond verklaard.

Bij mondelinge uitspraak van 21 maart 2006, verzonden op 29 maart 2006, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State op 8 mei 2006 per fax ingekomen, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 6 juni 2006 heeft het dagelijks bestuur van antwoord gediend.

Bij brief van 20 juni 2006 heeft appellante van repliek gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 augustus 2006, waar appellante, vertegenwoordigd door [voorzitter] van appellante, en [secretaris] van appellante, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door I.M. Schong en ing. G.B. Arkesteijn, beiden ambtenaar bij de deelgemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellante heeft op 16 maart 2005 een verzoek ingediend om handhavend op te treden tegen het in de broedperiode ("vanaf 15 maart, begin broedseizoen") kappen van ongeveer 2.900 bomen in het Schiebroekse Park, onder oplegging van een dwangsom van € 1.500,00 per gekapte boom. Bij besluit van 22 maart 2005, gehandhaafd bij de beslissing op bezwaar, heeft het dagelijks bestuur dit verzoek om handhaving afgewezen.

2.2.    Appellante betoogt dat zij, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, procesbelang heeft, omdat nog niet alle bomen waarvoor een rooivergunning is verleend, zijn gekapt en het dagelijks bestuur de rooivergunning nimmer heeft ingetrokken.

2.3.    Dit betoog slaagt niet. Weliswaar zijn niet alle bomen waarop de bij besluit van 17 juni 2003 verleende rooivergunning betrekking heeft, gekapt, maar van deze rooivergunning zal - zoals het dagelijks bestuur ter zitting uitdrukkelijk heeft verklaard - ten aanzien van de resterende bomen geen gebruik meer worden gemaakt. Voor een eventuele kap van deze bomen zal volgens uitdrukkelijke verklaring van het dagelijks bestuur zonodig een nieuwe rooivergunning worden aangevraagd.

   Nu de rechtbank terecht als vaststaand heeft aangenomen dat de kap in het Schiebroekse Park op 17 maart 2005 was afgerond, heeft zij terecht overwogen dat het door appellante met het verzoek om handhaving nagestreefde doel - het met ingang van 15 maart 2005 stilleggen van de werkzaamheden die bestaan in het kappen van bomen en onderbeplanting in het Schiebroekse Park - niet (meer) met een vernietiging van het bestreden besluit verwezenlijkt kon worden. Appellante heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat zij schade heeft geleden. Gelet op het vorenstaande valt niet in te zien welk rechtens te honoreren belang appellante had bij een beoordeling van de zaak ten gronde. De rechtbank heeft derhalve terecht het beroep van appellante wegens het vervallen van procesbelang niet-ontvankelijk verklaard.

2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. D.A.C. Slump en mr. C.H.M. van Altena, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk    w.g. Bindels

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 september 2006

85-505.