Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY8923

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-09-2006
Datum publicatie
27-09-2006
Zaaknummer
200508020/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 juni 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Deventer (hierna: het college) geweigerd aan [appellante sub 1A] bouwvergunning te verlenen voor de bouw van 25 appartementen op twee percelen aan de Welle en de Noorderbergstraat te Deventer, kadastraal bekend gemeente Deventer, sectie E, nrs. 11071 en 12316.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2007, 50 met annotatie van Redactie
Module Bouwregelgeving 2006/410
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200508020/1.

Datum uitspraak: 27 september 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    [appellante sub 1A] en [appellante sub 1B], gevestigd te [plaatsen],

2.    het college van burgemeester en wethouders van Deventer,

3.    [appellanten sub 3], wonend te [woonplaats],

appellanten,

tegen de uitspraak in zaak nos. AWB 05/106, 05/107, 05/108 en 05/109 van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 8 augustus 2005 in het geding tussen:

appellanten sub 3

en

het college van burgemeester en wethouders van Deventer.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 27 juni 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Deventer (hierna: het college) geweigerd aan [appellante sub 1A] bouwvergunning te verlenen voor de bouw van 25 appartementen op twee percelen aan de Welle en de Noorderbergstraat te Deventer, kadastraal bekend gemeente Deventer, sectie E, nrs. 11071 en 12316.

Bij besluit van 9 maart 2004 heeft het college het daartegen door [appellante sub 1A] gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, het primaire besluit aldus gewijzigd dat alsnog de procedure voor een binnenplanse vrijstelling ten aanzien van de overschrijding van de achtergevelrooilijn diende te worden gestart en voorts de aanvraag aangehouden in afwachting van de afhandeling van een verzoek om het perceel aan te wijzen als monument.

Bij uitspraak van 29 november 2004 heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellante sub 1A] ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 9 maart 2004 vernietigd.

Bij besluit van 14 december 2004, heeft het college, met in achtneming van  voormelde uitspraak, de bezwaren van [appellante sub 1A] gegrond verklaard en alsnog vrijstelling en bouwvergunning verleend.

Bij uitspraak van 8 augustus 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door appellanten sub 3 ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten sub 1 bij brief van 14 september 2005, bij de Raad van State ingekomen op 15 september 2005, het college bij brief van 15 september 2005, bij de Raad van State ingekomen op 16 september 2005, en appellanten sub 3 bij brief van 17 september 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Appellanten sub 1 hebben hun hoger beroep aangevuld bij brieven van 29 september 2005, 19 oktober 2005 en 24 oktober 2005. Het college heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 14 oktober 2005. Appellanten sub 3 hebben hun hoger beroep aangevuld bij brief van 15 oktober 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 21 december 2005 heeft het college van antwoord gediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben partijen van repliek en dupliek gediend.

Bij besluit van 7 maart 2006, heeft het college, met in achtneming van de uitspraak van de rechtbank van 8 augustus 2005 opnieuw beslissend op de bezwaren van [appellante sub 1A], deze bezwaren opnieuw gegrond verklaard en wederom vrijstelling en bouwvergunning verleend. Dit besluit is aangehecht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 juli 2006, waar appellanten sub 1, vertegenwoordigd door mr. F.J.M. Kobossen, advocaat te Deventer, het college, vertegenwoordigd door J. Teesink, ambtenaar van de gemeente, en appellanten sub 3, in persoon en bijgestaan door mr. R.E. Dommerholt, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het perceel waarop het bouwplan is voorzien heeft in het ter plaatse geldende bestemmingsplan "IJsselzone Binnenstad" de bestemming "Stedelijke bebouwing". Ingevolge artikel 4.1 van de planvoorschriften zijn de als zodanig aangewezen gronden onder meer bestemd voor wonen. Ingevolge artikel 4.3, tweede lid, onder b, mogen gebouwen in meerdere lagen uitsluitend worden opgericht binnen de daartoe op kaart 4 aangegeven bebouwingsvlakken, tenzij vrijstelling als bedoeld in artikel 4.4.6 is verleend.

   Ingevolge artikel 4.4. juncto artikel 4.4.6, aanhef en onder b, voor zover hier van belang, kan het college vrijstelling verlenen van het bepaalde in artikel 4.3, tweede lid, onder b, teneinde een overschrijding van het bebouwingsvlak bij meerdere lagen aan de achterzijde toe te staan, mits de lichttoetreding van aangrenzende en/of omringende bebouwing niet wordt verslechterd.

   Ingevolge artikel 4.4. juncto artikel 4.4.6, aanhef en onder c, voor zover hier van belang, kan het college vrijstelling verlenen van het bepaalde in artikel 4.3, tweede lid, onder b, teneinde een overschrijding van het bebouwingsvlak bij meerdere lagen aan de achterzijde toe te staan, mits de op kaart 3 als zodanig aangegeven 'waardevolle binnenterreinen' daarmee niet worden aangetast.

2.2.    Bij het besluit van 14 december 2004 heeft het college op grond van artikel 4.4.6 van de planvoorschriften wederom vrijstelling verleend voor een overschrijding van de achtergevelrooilijn. Deze vrijstelling heeft betrekking op de galerijen aan de Welle-zijde en het naast het perceel Achter de Muren Vispoort 12 voorziene gedeelte van het appartementencomplex.

   Het college betoogt ten onrechte dat de rechtbank buiten de grenzen van het geschil is getreden door de overschrijding van de achtergevelrooilijn ter plaatse van de perceelsgrens met het perceel Achter de Muren Vispoort 12 bij de beoordeling van het beroep te betrekken. Appellanten sub 3 hebben immers in hun als bijlage bij hun beroepschrift van 24 januari 2005 gevoegde bezwaarschrift van 14 december 2004 onder punt 5 bezwaren geuit tegen de overschrijding van de achtergevelrooilijnen in het bouwplan. Deze bijlage diende, blijkens het beroepschrift, als daar herhaald en ingelast te worden beschouwd.

2.3.    Appellanten sub 1 en het college betogen dat de rechtbank heeft miskend dat ter plaatse van de perceelsgrens met het perceel Achter de Muren Vispoort 12 de voorgevelrooilijn naar voren toe verspringt, als gevolg waarvan niet of nauwelijks sprake is van een overschrijding van de achtergevelrooilijn ter plaatse van voormelde perceelsgrens. Appellanten sub 1 en het college betogen voorts dat de rechtbank heeft miskend dat artikel 4.4.6, aanhef en onder b, van de planvoorschriften enkel ziet op de lichttoetreding van bebouwing en niet van tuinen. Zij stellen dat de verminderde lichttoetreding van de aangrenzende bebouwing niet het gevolg is van de overschrijding van de achtergevelrooilijn, doch het gevolg is van de bestaande bebouwing en enkele hoge bomen. Deze bomen zullen worden verwijderd, aldus deze appellanten.

2.3.1.    Het college betoogt terecht dat de op de plankaart aan de voorzijde van het bouwvlak aan de Welle getekende dikke lijn, ter hoogte van voormeld perceelsgedeelte Achter de Muren Vispoort 12 niet in volstrekt rechte lijn ligt met de overigens aan deze zijde van het perceel ingetekende dikke lijn, doch de voorwaartse verspringing is dermate marginaal dat de rechtbank, daargelaten of zij met die verspringing inderdaad geen rekening heeft gehouden, uit de bij de bouwvergunning behorende bouwtekening in ieder geval terecht heeft afgeleid dat de beoogde bouw aldaar de achtergevelrooilijn overschrijdt. Daarbij is in aanmerking genomen dat ter zitting onweersproken is gesteld dat bij meting ter plaatse is gebleken dat als gevolg van het bouwplan de achtergevelrooilijn met 20 centimeter wordt overschreden, voor welke overschrijding geen vrijstelling is verleend.

   De rechtbank heeft vervolgens onderzocht of het college bevoegd was om met toepassing van artikel 4.4.6, aanhef en onder b, vrijstelling te verlenen voor bedoelde overschrijding. Zij heeft daarbij terecht vastgesteld dat door het college niet is onderzocht of de vermindering van de lichttoetreding in een situatie waarbij de achtergevelrooilijn niet zou zijn overschreden even groot is. De enkele stelling van het college dat gelet op de bestaande bebouwing en hoge bomen geen sprake is van een verslechtering is op zichzelf onvoldoende om zulks aannemelijk te achten.

   Echter, anders dan de rechtbank heeft overwogen, vallen tuinen niet onder het begrip bebouwing als bedoeld in artikel 4.4.6., aanhef en onder b, van de planvoorschriften. In zoverre is het betoog van appellanten sub 1 en van het college terecht voorgedragen, doch dit kan niet leiden tot het ermee beoogde doel, nu bij de door het college te verrichten belangenafweging mede betekenis toekomt aan hinder die omwonenden mogelijk kunnen ondervinden van schaduwwerking in hun tuinen.

   De rechtbank heeft, gelet op het vorenstaande, het besluit van 14 december 2004 terecht vernietigd, zij het op onjuiste gronden.  

2.4.    De hoger beroepen van appellanten sub 1 en het college zijn ongegrond.

2.5.    Appellanten sub 3 betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het besluit van 14 december 2004 had moeten worden aangemerkt als een primair besluit, genomen naar aanleiding van een nieuwe bouwaanvraag, aangezien het oorspronkelijke bouwplan naar hun oordeel ingrijpend is gewijzigd.

2.5.1.     Dit betoog faalt. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden overwogen dat na de terinzagelegging van het oorspronkelijke bouwplan met ingang van 7 juli 2004 geen zodanig ingrijpende wijzigingen in het bouwplan zijn aangebracht, dat gesproken zou moeten worden van een nieuw bouwplan. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat ter zitting door partijen is bevestigd dat de rechtbank ter zake van de juiste feiten is uitgegaan, te weten dat de wijzigingen van het bouwplan slechts bestaan uit een verschuiving van een trapportaal en uit het verminderen van het aantal parkeerplaatsen van 28 naar 25.

2.6.    Appellanten sub 3 betogen voorts dat de rechtbank heeft miskend dat de noodtrap aan de achterzijde van het bouwwerk aan de Noordenbergstraat ten koste gaat van het waardevolle binnenterrein, zodat ten behoeve daarvan  geen vrijstelling van artikel 4.3, tweede lid, onder b, van de planvoorschriften kan worden verleend.

2.6.1.       Het betoog faalt. De vrijstelling, verleend voor overschrijding van de achtergevelrooilijn, heeft mede betrekking op de buiten het bebouwingsvlak geprojecteerde noodtrap aan de Noordenbergstraatzijde. De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college de vrijstelling niet mede ten behoeve daarvan heeft mogen verlenen, aangezien niet aannemelijk is gemaakt dat de noodtrap het waardevolle binnenterrein aantast. Zij heeft hierbij mede betekenis mogen toekennen aan de verklaring van het college ter zitting van de rechtbank dat het binnenterrein zijn waarde ontleent aan de historische muur op de erfafscheiding en aan de omstandigheid dat de noodtrap op enige afstand van deze muur is voorzien.

2.7.    Appellanten sub 3 betogen tevens dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan in strijd met de gemeentelijke bouwverordening in onvoldoende mate voorziet in parkeerruimte, aangezien volgens hen niet alle geprojecteerde parkeerplaatsen daadwerkelijk kunnen worden aangelegd en deze in het bouwplan bovendien te krap zijn bemeten. Voorts betogen appellanten sub 3 dat ten onrechte ontheffing is verleend voor drie parkeerplaatsen, aangezien volgens hen niet op andere wijze in die parkeerruimte wordt voorzien.

2.7.1.    Ingevolge artikel 2.5.30, derde lid, van de gemeentelijke bouwverordening (hierna: de bouwverordening), voor zover thans van belang, dient ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte te zijn aangebracht in, op of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw hoort.

   Ingevolge het zesde lid, onder a, kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van het bepaalde in onder meer het derde lid, voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingsruimte wordt voorzien.

2.7.2.    Bepalend voor de toets van de bouwaanvraag is de opgave van het aantal parkeerplaatsen volgens de bouwtekening. Op basis daarvan wordt de bouwvergunning verleend. Dat voor de daadwerkelijke aanleg van een aantal van de in het onderhavige bouwplan voorziene parkeerplaatsen nog een aanlegvergunning en wellicht een kapvergunning nodig zijn, met elk een ander toetsingskader, staat aan verlening van de bouwvergunning niet in de weg. De rechtbank heeft dit met juistheid overwogen. Het betoog faalt in zoverre.

   Voorts slaagt evenmin het betoog dat de parkeerplaatsen te krap zijn bemeten, aangezien uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de afmetingen daarvan niet afwijken van de normen die daarbij in acht plegen te worden genomen.

2.7.3.    Met betrekking tot de krachtens artikel 2.5.30, zesde lid, onder a,  van de bouwverordening verleende ontheffing voor drie parkeerplaatsen voeren appellanten sub 3 met succes aan dat niet is voldaan aan het in dat artikellid gestelde vereiste dat ontheffing slechts mogelijk is, indien op andere wijze in de nodige parkeerruimte wordt voorzien. Uit artikel 2.5.30, derde lid, volgt dat de aan te brengen parkeerruimte bedoeld is om in voldoende mate te voorzien in de parkeerbehoefte ten gevolge van het bouwplan. Aan [appellante sub 1A] is ontheffing verleend onder voorwaarde dat een financiële bijdrage wordt gestort in de gemeentelijke reserve voor parkeervoorzieningen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 4 augustus 1998 in zaak no. H01.97.0630 (JB 1998, 218), moet in het algemeen worden aangenomen dat een bestuursorgaan in beginsel rechtens de mogelijkheid heeft om door middel van het verbinden van een financiële voorwaarde aan een vrijstelling, tot betaling van een tegemoetkoming of een compensatie te verplichten. Aan deze mogelijkheid zijn beperkingen verbonden, aldus dat door voldoening aan de voorwaarde een rechtstreekse bijdrage wordt geleverd aan de doelstelling van de wettelijke bepaling waarop de vergunning of vrijstelling berust, en voorts dat de verlening of vrijstelling in het algemeen belang tot het heffen van een geldbedrag noopt.  Gelet hierop dient voldoende aannemelijk te zijn dat ook de financiële bijdrage, die door [appellante sub 1A] is voldaan ter verkrijging van de ontheffing bedoeld in het zesde lid, onder a, aangewend zal worden om te voorzien in de desbetreffende parkeerbehoefte ten gevolge van het bouwplan. Ter zitting van de Afdeling is echter gebleken dat niet vast staat dat de door [appellante sub 1A] betaalde bijdrage zal worden aangewend om te voorzien in het tekort aan parkeerplaatsen waarop de ontheffing betrekking heeft. Het college heeft toen slechts in algemene zin te kennen gegeven dat die bijdrage ten goede komt aan de gemeentelijke reserve voor parkeervoorzieningen. De ontheffing is derhalve, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, in strijd met artikel 2.5.30, zesde lid, onder a, van de bouwverordening verleend.

2.8.     Appellanten sub 3 betogen voorts met succes dat de rechtbank, door uit te gaan van één beroepschrift, niet tot een juiste proceskostenveroordeling is gekomen. Gebleken is dat de rechtbank heeft miskend dat voor appellanten sub 3 vier afzonderlijke beroepschriften zijn ingediend, die inhoudelijk van elkaar te onderscheiden zijn. Hieraan doet niet af dat appellanten sub 3 zich in het verdere verloop van de procedure gezamenlijk hebben doen vertegenwoordigen. Gelet hierop had de rechtbank de door appellanten sub 3 gemaakte, en door het college te vergoeden, proceskosten, in plaats van op € 644,00 (1 punt voor het opstellen van een beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting) dienen te begroten op € 1.610,00 (4 punten voor het opstellen van vier beroepschriften en 1 punt voor het bijwonen van de zitting).  

2.9.    Het hoger beroep van appellanten sub 3 is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd wat betreft de hoogte van de toegekende proceskostenveroordeling. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het college op na te melden wijze in de proceskosten van het beroep veroordelen. De aangevallen uitspraak dient voor het overige, zij het met verbetering van de gronden waarop zij rust, te worden bevestigd.

2.10.     Het hoger beroep van appellanten sub 3 wordt, gelet op artikel 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en

6:19, eerste lid, van die wet, mede gericht geacht tegen het besluit van 7 maart 2006.

   Appellanten sub 3 betogen met betrekking tot dit besluit dat, ook al zou uit een nadere studie naar de gevolgen van het bouwplan voor de zonlichttoetreding op hun percelen zijn gebleken dat deze gevolgen zeer gering zijn, iedere beperking van de zonlichttoetreding er één teveel is.

2.10.1.    Dit betoog faalt. Met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank heeft het college nader onderzoek laten uitvoeren naar de schaduwwerking op de percelen Achter de Muren Vispoort 12 en 14 ten gevolge van de overschrijding van de achtergevelrooilijn ter plaatse. Uit deze studie is gebleken dat de nadelige gevolgen voor de zonlichttoetreding op de desbetreffende percelen zeer beperkt zijn in duur en omvang. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis vertoont dat het college zich hierop bij het nemen van het bestreden besluit niet had mogen baseren. Onder die omstandigheden bestaat geen grond voor het oordeel dat het college de binnenplanse vrijstelling voor die overschrijding van de achtergevelrooilijn niet in redelijkheid heeft kunnen verlenen.

2.10.2.     Bij voormeld besluit is de krachtens artikel 2.5.30, zesde lid, onder a, van de bouwverordening verleende ontheffing gehandhaafd. Gelet op rechtsoverweging 2.7.4. is het besluit van 7 maart 2006 eveneens met die bepaling in strijd.

2.11.    Het beroep van appellanten sub 3 is gegrond. Het besluit van 7 maart 2006 dient, gelet op het vorenoverwogene, te worden vernietigd. Gelet hierop behoeft hetgeen overigens door appellanten sub 3 tegen voormeld besluit is aangevoerd, hier geen bespreking. Het college zal opnieuw op de bezwaren van appellanten sub 3 hebben te beslissen met inachtneming van deze uitspraak.

2.12.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten van appellanten sub 3 te worden veroordeeld.

   Ten aanzien van de beroepen van appellanten sub 1 en het college bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep van appellanten sub 1 en sub 2 ongegrond;

II.    verklaart het hoger beroep van appellanten sub 3 gegrond;

III.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 8 augustus 2005, AWB 05/106, 05/107, 05/108 en 05/109, voor zover verweerder daarbij is veroordeeld in de kosten, die appellanten sub 3 in verband met de behandeling van het beroep hebben moeten maken, begroot op € 644,00;

IV.    bevestigt die uitspraak voor het overige;

V.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Deventer van 7 maart 2006, kenmerk B&W/2006.03883;

VI.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Deventer tot vergoeding van de bij appellanten sub 3 in verband met de behandeling van het beroep (€ 1.610,00) en het hoger beroep (€ 906,86) opgekomen proceskosten tot een bedrag van

€ 2.516,86 (zegge: tweeduizend vijfhonderdzestien euro en zesentachtig cent) waarvan € 2.415,00 (zegge: tweeduizend vierhonderdvijftien euro) toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Deventer aan appellanten sub 3 onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VII.    gelast dat de gemeente Deventer aan appellanten sub 3 het door hen voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 207,00 (zegge: tweehonderdzeven euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, Voorzitter, en mr. Ch.W. Mouton en mr. R. van der Spoel, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak    w.g. Hanrath

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 september 2006

313-392.