Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY8914

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-09-2006
Datum publicatie
27-09-2006
Zaaknummer
200601128/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 februari 2004 heeft het Commissariaat voor de Media (hierna: het Commissariaat) het verzoek van de vereniging "de Nederlandse Vereniging van Commerciële Radio" (hierna: de VCR) om openbaarmaking van documenten met betrekking tot de melding door de stichting "de Nederlandse Omroep Stichting" (hierna: de NOS) van het voornemen om het commerciële radiostation Colorful Radio over te nemen en daarna voort te zetten als neventaak, alsmede openbaarmaking van alle overige correspondentie over dit onderwerp, afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2006/317

Uitspraak

200601128/1.

Datum uitspraak: 27 september 2006.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting "de Nederlandse Omroep Stichting", de stichting "de Nederlandse Programma Stichting" en de stichting "de Stichting Colorful Radio", alle gevestigd te Hilversum,

appellanten,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/2662 van de rechtbank Amsterdam van 22 december 2005 in het geding tussen:

de vereniging "de Nederlandse Vereniging van Commerciële Radio", gevestigd te Amsterdam

en

het Commissariaat voor de Media.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 13 februari 2004 heeft het Commissariaat voor de Media (hierna: het Commissariaat) het verzoek van de vereniging "de Nederlandse Vereniging van Commerciële Radio" (hierna: de VCR) om openbaarmaking van documenten met betrekking tot de melding door de stichting "de Nederlandse Omroep Stichting" (hierna: de NOS) van het voornemen om het commerciële radiostation Colorful Radio over te nemen en daarna voort te zetten als neventaak, alsmede openbaarmaking van alle overige correspondentie over dit onderwerp, afgewezen.

Bij besluit van 4 mei 2004 heeft het Commissariaat het daartegen door de VCR gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 december 2005, verzonden op 30 december 2005, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door de VCR ingestelde beroep gegrond verklaard voor zover dit ziet op de door het Commissariaat genummerde documenten 3 en 6 en de bestreden beslissing op bezwaar in zoverre vernietigd en het Commissariaat opgedragen om een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaarschrift. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 9 februari 2006, bij de Raad van State ingekomen op 10 februari 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 20 februari 2006 heeft de VCR toestemming verleend, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

Bij brief van 28 maart 2006 heeft de VCR van antwoord gediend.

Bij brief van 18 april 2006 heeft het Commissariaat van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 juli 2006, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. G.J.M. Cartigny, advocaat te Rotterdam, en mr. R.A. Vecht, bedrijfsjurist, en het Commissariaat, vertegenwoordigd door mr. G.H.L. Weesing, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen. Tevens is verschenen de VCR, vertegenwoordigd door mr. P. Burger, advocaat te Amsterdam.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellanten hebben naar voren gebracht dat de rechtbank heeft verzuimd hen in de gelegenheid te stellen om als derdebelanghebbenden aan het geding deel te nemen.

   Van de zijde van de VCR is hiertegenover gesteld dat artikel 8:26 van de Awb, op grond waarvan de rechtbank belanghebbenden in de gelegenheid kan stellen als partij aan het geding deel te nemen, de rechtbank een discretionaire bevoegdheid verleent. Hoewel het door de VCR gestelde op zichzelf juist is, neemt dit naar het oordeel van de Afdeling niet weg dat, nu het geding het al dan niet openbaar maken betreft van documenten betreffende de melding door de NOS van het voornemen om het commerciële radiostation Colorful Radio over te nemen, de rechtbank met gebruikmaking van deze bevoegdheid de NOS en de Stichting Colorful Radio in de gelegenheid had behoren te stellen als partij aan het geding deel te nemen. De rechtbank heeft zulks ten onrechte nagelaten.

   Mede in aanmerking genomen dat appellanten ter zitting te kennen hebben gegeven een voorkeur te hebben voor een inhoudelijke behandeling van het geschil door de Afdeling boven een terugverwijzing naar de rechtbank, zal de Afdeling hierna de overige aspecten van het geschil behandelen.

2.2.    Appellanten betogen dat de rechtbank ten aanzien van de documenten 3 en 6 ten onrechte heeft overwogen dat de vertrouwelijk aan de overheid verstrekte bedrijfsgegevens die deze documenten bevatten, niet zodanig verweven zijn met de overige informatie in deze documenten dat het niet mogelijk zou zijn de vertrouwelijke bedrijfsgegevens te anonimiseren of weg te lakken en de overige informatie te verstrekken. Daartoe voeren zij aan dat het gaat om een (concept-)koopovereenkomst inzake activa en passiva tussen particuliere ondernemingen, welke naar haar aard vertrouwelijk is tussen partijen en dat dit in het bijzonder ook geldt voor de bij de overeenkomst behorende bijlagen waaronder zich overeenkomsten met derde partijen bevinden. Openbaarmaking van de verzochte documenten kan hen, zo stellen zij, - ook in geanonimiseerde of bewerkte vorm - schade berokkenen in nog aanhangige procedures. Verder voeren zij aan dat het niet mogelijk dan wel ondoenlijk is de documenten zodanig te bewerken dat deze niet langer bedrijfsvertrouwelijke gegevens bevatten, zonder dat volstrekt nietszeggende stukken overblijven.

2.2.1.    In het besluit van 4 mei 2004 heeft het Commissariaat de documenten 3 en 6 als volgt omschreven:

3. een conceptovereenkomst tot contractoverneming inzake de doorgifte van Colorful Radio via omroepnetwerken;

6. de koopovereenkomst.

   Zijn weigering deze stukken openbaar te maken heeft het Commissariaat gebaseerd op artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet openbaarheid van bestuur, op grond waarvan het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege blijft, voor zover dit bedrijfs- en fabricagegegevens betreft die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn medegedeeld.

2.2.2.    Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling dient artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet openbaarheid van bestuur naar zijn aard restrictief te worden uitgelegd. Van bedrijfs- en fabricagegegevens is slechts sprake indien en voor zover uit die gegevens wetenswaardigheden kunnen worden gelezen of afgeleid met betrekking tot de technische bedrijfsvoering of het productieproces dan wel met betrekking tot de afzet van de producten of de kring van afnemers en leveranciers.

   Niet in geschil is dat de documenten 3 en 6 bedrijfsgegevens bevatten. Na met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennis te hebben genomen van de niet aan appellanten verstrekte documenten en de daarbij behorende bijlagen, is de Afdeling echter met de rechtbank van oordeel dat, voor zover de documenten 3 en 6 bedrijfsgegevens bevatten, deze niet zodanig verweven zijn met de overige informatie in deze documenten dat openbaarmaking daarvan niet mogelijk zou zijn. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat, gelet op artikel 7 van de Wet openbaarheid van bestuur, thans niet ter beoordeling staat of deze stukken al dan niet geanonimiseerd of deels weggelakt ter beschikking kunnen worden gesteld; zo nodig kan door middel van een uittreksel of een samenvatting informatie worden verstrekt ten aanzien van de conceptovereenkomst tot contractoverneming en de koopovereenkomst.

   Gezien het vorenstaande heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat het besluit op bezwaar van 4 mei 2004 ten aanzien van de documenten 3 en 6 niet kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering.

2.3.    Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de NOS en de Stichting Colorful Radio door het niet deelnemen aan het geding bij de rechtbank niet in hun belangen zijn geschaad. Daar komt bij dat met deze uitspraak niet wordt vastgesteld in hoeverre de documenten 3 en 6 met de daarbij behorende bijlagen openbaar moeten worden gemaakt. Evenmin staat op dit moment vast in welke vorm openbaarmaking dient plaats te vinden. Bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar door het Commissariaat zal een en ander aan de orde moeten komen. De NOS en de Stichting Colorful Radio zullen ten volle in de gelegenheid zijn hun belangen in het kader van die procedure te behartigen. Gelet hierop ziet de Afdeling in dit geval in het formele gebrek in de procedure bij de rechtbank geen grond over te gaan tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, Voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren    w.g. Klein

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 september 2006.

176-440.