Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY8890

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-09-2006
Datum publicatie
27-09-2006
Zaaknummer
200602141/3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 februari 2006 heeft verweerder aan [vergunninghoudster], handelend onder de naam […], een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor de opslag en verkoop van consumentenvuurwerk en een groothandel in roerende zaken, met name feestartikelen, aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 9 februari 2006 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200602141/3.

Datum uitspraak: 18 september 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de stichting "Stichting Hoofddorp Noord", gevestigd te Hoofddorp, en anderen,

verzoekers,

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 7 februari 2006 heeft verweerder aan [vergunninghoudster], handelend onder de naam […], een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor de opslag en verkoop van consumentenvuurwerk en een groothandel in roerende zaken, met name feestartikelen, aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 9 februari 2006 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief van 20 maart 2006, bij de Raad van State ingekomen op 21 maart 2006, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 14 april 2006.

Bij brief van 16 augustus 2006, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op dezelfde dag, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 8 september 2006, waar verzoekers, vertegenwoordigd door mr. A.H. Jonkhoff, advocaat te Alkmaar, en verweerder, vertegenwoordigd door T.H. van Donge, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is vergunninghoudster als partij gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    Verzoekers voeren aan dat onduidelijk is hoeveel vuurwerk in de inrichting mag worden opgeslagen. Op het aanvraagformulier is vermeld dat vergunning wordt gevraagd voor de opslag van 9.300 kg consumentenvuurwerk. In het bij de aanvraag behorende Basisdocument Brandbeveiliging, dat net als het aanvraagformulier deel uitmaakt van de vergunning, is echter berekend dat 8.862 kg consumentenvuurwerk kan worden opgeslagen in de bewaarplaats en bufferbewaarplaats tezamen. Verzoekers vrezen voor hun veiligheid als meer dan de laatstgenoemde hoeveelheid mag worden opgeslagen. Zij achten voorts onduidelijk of bij die hoeveelheid is inbegrepen een hoeveelheid van maximaal 250 kg consumentenvuurwerk die in de verkoopruimte aanwezig mag zijn.

2.3.    Verweerder stelt zich op het standpunt dat 9.300 kg consumentenvuurwerk in de inrichting mag worden opgeslagen. Er bestaat zijns inziens geen reden voor (gedeeltelijke) weigering van de vergunning, aangezien bij deze hoeveelheid wordt voldaan aan de op grond van het Vuurwerkbesluit in acht te nemen veiligheidsafstanden tot kwetsbare objecten. Indien meer vuurwerk wordt opgeslagen dan de in het Basisdocument Brandbeveiliging genoemde hoeveelheid, verliest het voor de brandbeveiligingsinstallatie afgegeven certificaat zijn geldigheid. In dat geval kan handhavend worden opgetreden wegens overtreding van het Vuurwerkbesluit, aldus verweerder. Dit handhavingsaspect is volgens verweerder echter niet relevant in de onderhavige vergunningprocedure.

2.4.    Artikel 2.2.2 van het Vuurwerkbesluit luidt:

   "1. Degene die een inrichting drijft waar:

   a. meer dan 1.000 kilogram consumentenvuurwerk wordt opgeslagen of herverpakt, of

   b. consumentenvuurwerk wordt bewerkt, voldoet aan de voorschriften die zijn opgenomen in bijlage 1, onder A, B en D en aan de veiligheidsafstanden die van toepassing zijn ingevolge bijlage 3.

   2. Degene die de inrichting drijft draagt er zorg voor dat de voorschriften worden nageleefd."

   Voorschrift 5.6 van bijlage 1, onder B, van het Vuurwerkbesluit luidt:

   "De wijze waarop verpakt of onverpakt consumentenvuurwerk wordt opgeslagen heeft geen negatieve invloed op de functionele werking van de automatische sprinklerinstallatie. Daartoe is de wijze van opslaan tenminste in overeenstemming met de uitgangspunten die ten aanzien daarvan ten grondslag hebben gelegen aan het ontwerp van de automatische sprinklerinstallatie, zoals deze zijn neergelegd in het Programma van Eisen."

2.4.1.    In het bij de aanvraag behorende Basisdocument Brandbeveiliging, dat deel uitmaakt van de vergunning, is een berekening gemaakt van de hoeveelheid vuurwerk die met het oog op het doeltreffend functioneren van de automatische sprinklerinstallatie ten hoogste in de bewaarplaats en bufferbewaarplaats kan worden opgeslagen. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting gaat verweerder uit van de juistheid van deze berekening, volgens welke 8.862 kg consumentenvuurwerk kan worden opgeslagen in de bewaarplaats en bufferbewaarplaats tezamen. Naar het voorlopig oordeel van de Voorzitter kan het gelet op het vorenstaande en de hiervoor aangehaalde voorschriften uit het Vuurwerkbesluit uit veiligheidsoogpunt niet toelaatbaar worden geacht dat aldaar een grotere hoeveelheid consumentenvuurwerk wordt opgeslagen. In dit verband merkt de Voorzitter op dat het Basisdocument Brandbeveiliging moet worden beschouwd als een Programma van Eisen als bedoeld in voorschrift 5.6 van bijlage 1, onder B, van het Vuurwerkbesluit.

2.4.2.    Ingevolge artikel 1.1.1, vijfde lid, van het Vuurwerkbesluit wordt onder de "hoeveelheid consumentenvuurwerk in de inrichting" verstaan: "sommatie van de aanwezige hoeveelheid consumentenvuurwerk in de bewaarplaats, de bufferbewaarplaats en de verkoopruimte, uitgedrukt in kilogrammen."

   In voorschrift 4.1 van bijlage 1, onder B, van het Vuurwerkbesluit, voor zover hier van belang, is bepaald dat tijdens de toegestane verkoopdagen voor de verkoop van consumentenvuurwerk gedurende de openingstijden van de winkel niet meer dan 250 kg consumentenvuurwerk in de verkoopruimte aanwezig is.    

2.4.3.     Naar het oordeel van de Voorzitter betreft de "hoeveelheid consumentenvuurwerk in de inrichting" als bedoeld in artikel 1.1.1, vijfde lid, van het Vuurwerkbesluit de volgens de aanvraag in de inrichting aanwezige hoeveelheid vuurwerk. Uit voorschrift 4.1 van bijlage 1, onder B, van het Vuurwerkbesluit blijkt voorts dat, onder de in dat voorschrift vermelde voorwaarden, in de verkoopruimte maximaal 250 kg consumentenvuurwerk aanwezig mag zijn, ongeacht de hoeveelheid consumentenvuurwerk die in de bewaarplaats en bufferbewaarplaats mag worden opgeslagen.

2.4.4.    Gelet op het vorenstaande heeft verweerder naar het voorlopig oordeel van de Voorzitter de vergunning ten onrechte niet geweigerd voor zover de opslag van meer dan 8.862 kg consumentenvuurwerk in de bewaarplaats en bufferbewaarplaats tezamen en 250 kg consumentenvuurwerk in de verkoopruimte is aangevraagd. De Voorzitter ziet aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.5.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer van 7 februari 2006, kenmerk 5902, voor zover daarbij vergunning is verleend voor de opslag van meer dan 8.862 kg consumentenvuurwerk in de bewaarplaats en bufferbewaarplaats tezamen en 250 kg consumentenvuurwerk in de verkoopruimte;

II.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer tot vergoeding van bij verzoekers in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 659,17 (zegge: zeshonderdnegenenvijftig euro en zeventien cent), waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Haarlemmermeer aan verzoekers onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

III.    gelast dat de gemeente Haarlemmermeer aan verzoekers het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 281,00 (zegge: tweehonderdeenentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. E.D.A.M. Zegveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll    w.g. Zegveld

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 september 2006

43-442.