Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY8536

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-09-2006
Datum publicatie
20-09-2006
Zaaknummer
200508327/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 februari 2004 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oud-West van de gemeente Amsterdam (hierna: het dagelijks bestuur) appellante een reguliere bouwvergunning geweigerd voor een gebouw, op te richten boven en voor de bestaande bebouwing op het perceel, plaatselijk bekend [locatie] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Bouwregelgeving 2006/838
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200508327/1.

Datum uitspraak: 20 september 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/4582 van de rechtbank Amsterdam van 10 augustus 2005 in het geding tussen:

appellante

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oud-West van de gemeente Amsterdam.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 11 februari 2004 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oud-West van de gemeente Amsterdam (hierna: het dagelijks bestuur) appellante een reguliere bouwvergunning geweigerd voor een gebouw, op te richten boven en voor de bestaande bebouwing op het perceel, plaatselijk bekend [locatie] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 15 september 2004 heeft het dagelijks bestuur het daartegen door appellante gemaakte bezwaar, voor zover hier van belang, ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 augustus 2005, verzonden op 19 augustus 2005, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 29 september 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 28 oktober 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 2 december 2005 heeft het dagelijks bestuur van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 juni 2006, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. H. Elmas, advocaat te Haarlem, en [directeur], en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. N. Smit, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het bouwplan voorziet in het oprichten van vier appartementen boven twee zogenoemde polderhuisjes. Voorts voorziet het bouwplan in het restaureren van die huisjes en in het plaatsen van een glazen pui voor die huisjes en de nog op te richten bebouwing. Het perceel is gelegen in de zogeheten Bellamybuurt.

2.2.    Partijen zijn uitsluitend verdeeld over de vraag of het bouwplan voldoet aan de redelijke eisen van welstand. Ter beoordeling daarvan is de aanvraag voor advies voorgelegd aan de Commissie voor Welstand en Monumenten van Amsterdam (hierna: de commissie) die te kennen heeft gegeven geen bezwaar te hebben tegen het onderhavige bouwplan. Volgens de commissie kenmerkt het stadsdeel Oud-West, en met name de Bellamybuurt, zich door een veelzijdigheid in architectonische vormen en stedenbouwkundige karakteristieken die de geschiedenis van de stad op boeiende wijze weergeven en zal onderhavig bouwplan door het eigentijdse ontwerp op een interessante wijze aan die geschiedenis bijdragen. Bij advies van 15 december 2003, aangevuld op 29 juli 2004, heeft M. Roosebeek (hierna: Roosebeek) op verzoek van het dagelijks bestuur een contra-expertise uitgebracht dat de conclusie bevat dat het bouwplan niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. Volgens Roosebeek sluit het bouwplan wat betreft de bouwhoogte, maat- en schaalverhouding, de ontsluiting aan de straatzijde en de vormgeving en gekozen materialen niet aan bij de omliggende bebouwing. Het college heeft dit laatste advies aan het besluit tot weigering van de aanvraag ten grondslag gelegd.

2.3.    Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet (hierna: de Ww) moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd indien het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk of de standplaats, waarop de aanvraag betrekking heeft, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, als bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a, tenzij burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat de bouwvergunning niettemin moet worden verleend.

   Ingevolge artikel 48, eerste lid, van de Ww, voor zover hier van belang, leggen burgemeester en wethouders een aanvraag voor een reguliere bouwvergunning voor advies voor aan de welstandscommissie die in de desbetreffende gemeente werkzaam is.

   Ingevolge artikel 12, eerste lid, van de Ww mogen het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk of standplaats, zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria als bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a.

   Ingevolge artikel 12, derde lid, van de Ww blijven, voor zover hier van belang, de criteria, als bedoeld artikel 12a, eerste lid, onderdeel a, buiten toepassing voor zover dat leidt tot strijd met het bestemmingsplan.

   Ingevolge artikel 12a, eerste lid, onder b, van de Ww stelt de gemeenteraad een welstandsnota vast, inhoudende beleidsregels waarin in ieder geval de criteria zijn opgenomen die burgemeester en wethouders toepassen bij hun beoordeling of het uiterlijk van een bouwwerk of standplaats, zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand.

   Ingevolge artikel 12b, eerste lid, van de Ww, voor zover hier van belang, baseert de welstandscommissie haar advies slechts op de criteria als bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a, doch betrekt daarbij, indien van toepassing, het bepaalde in artikel 12, derde lid.

2.4.    Appellante betoogt onder verwijzing naar artikel 12a, gelezen in samenhang met artikel 12b, van de Ww, dat de rechtbank heeft miskend dat het dagelijks bestuur niet mocht afwijken van het door de commissie uitgebrachte positieve welstandsadvies. Daartoe voert zij aan dat het dagelijks bestuur het advies van de commissie diende te volgen omdat de gemeenteraad in de welstandsnota "Oud-West gewaardeerd" (hierna: de welstandsnota) heeft bepaald dat advies moet worden gevraagd aan de welstandscommissie. Uit het stelsel van de wet volgt dat het primaat van welstandsadvies bij de commissie berust, aldus appellante.

2.4.1.    Dit betoog faalt. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de verantwoordelijkheid voor de welstandstoetsing bij het dagelijks bestuur berust en dat het de plicht heeft zich een eigen oordeel te vormen over welstandsaspecten. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 24 mei 2006, no. 200507951/1, komt bij de welstandstoetsing aan het advies van de commissie weliswaar als regel groot gewicht toe, maar is het college niet gebonden aan dat advies. Gelet op artikel 40, eerste lid, van de Ww, gelezen in samenhang met artikel 44, eerste lid, onder d, van de Ww, is het immers aan het college om te beoordelen of een bouwplan al dan niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. De door het college in de welstandsnota overeenkomstig artikel 48, eerste lid, van de Ww opgenomen verplichting om een reguliere bouwvergunning voor advies voor te leggen, staat derhalve niet aan afwijking van dat advies in de weg.

   Gelet op het voorgaande faalt het betoog van appellante dat zij uit het positieve advies van de welstandscommissie het gerechtvaardigde vertrouwen heeft mogen ontlenen dat het dagelijks bestuur bouwvergunning zou verlenen, evenzeer.

2.5.    Voorts betoogt appellante dat de rechtbank heeft miskend dat het dagelijks bestuur ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom het is afgeweken van het positieve advies van de commissie. Appellante voert daartoe aan dat het dagelijks bestuur doelbewust naar een hem welgevallig advies heeft gezocht. Tevens betoogt appellante dat Roosebeek niet als een onafhankelijke deskundige kan worden beschouwd en dat het dagelijks bestuur, overeenkomstig de uitspraak van de voormalige Afdeling rechtspraak van de Raad van State van 18 februari 1980, (BR 1980, p. 702), in plaats van zelf een oordeel te geven, de commissie had dienen te vragen ter plaatse de situatie te bekijken, alvorens een nieuw advies uit te brengen.

2.5.1.    Volgens de beslissing op bezwaar van 15 september 2004 heeft het dagelijks bestuur advies gevraagd aan Roosebeek omdat het bouwplan aanvankelijk op grote bezwaren stuitte van de commissie en uiteindelijk desondanks zonder een wezenlijke aanpassing van het bouwplan toch positief werd geadviseerd en daarbij de door het dagelijks bestuur aan de commissie gevraagde toelichting op dit positieve advies niet verder strekte dan een opsomming van de gehanteerde toetsingscriteria. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het dagelijks bestuur aldus toereikend heeft gemotiveerd waarom het een nader advies aan Roosebeek heeft gevraagd en naar aanleiding daarvan is afgeweken van het advies van de commissie. Anders dan appellante aanvoert, heeft het dagelijks bestuur vervolgens zijn oordeel over het bouwplan gebaseerd op het advies van Roosebeek en niet louter op zijn eigen oordeel. Gelet op de motivering die het dagelijks bestuur voor de afwijking heeft gegeven, valt niet in te zien dat het alleen van het advies van de commissie zou mogen afwijken, nadat zij haar had gevraagd om ter plaatse de situatie te bekijken. De vergelijking die appellante maakt met de voormelde uitspraak van de voormalige Afdeling rechtspraak 18 februari 1980 gaat niet op, nu de omstandigheden waaronder het dagelijks bestuur van het advies is afgeweken, niet op één lijn kunnen worden gesteld met de omstandigheden die in die zaak aan de orde waren.

   Voorts is er geen grond voor het oordeel dat Roosebeek niet als een onafhankelijke deskundige kan worden beschouwd. Tussen het dagelijks bestuur en Roosebeek bestaat geen dienstverband. Tevens brengt de enkele omstandigheid dat Roosebeek betrokken was bij het opstellen van een cultuurhistorische verkenning die betrekking heeft op de Bellamybuurt niet mee dat geoordeeld zou moeten worden dat zij vooringenomen was ten aanzien van het bouwplan dan wel dat het dagelijks bestuur niet haar advies aan zijn welstandsoordeel ten grondslag mocht leggen.

2.6.    Ter bestrijding van het advies van Roosebeek heeft appellante een rapport van Zijlstra-Schipper architecten als tegenadvies in het geding gebracht. Dit rapport bevat alleen een alternatieve opvatting over de in dit geding van belang zijnde welstandscriteria en hun toepassing ervan op het bouwplan. Het leidt derhalve niet tot het oordeel dat het advies van Roosebeek op een onjuiste wijze tot stand is gekomen of zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat het college dit advies niet aan zijn besluit ten grondslag heeft mogen leggen.

2.7.    Appellante betoogt tevens dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het dagelijks bestuur bij de welstandstoetsing de juiste criteria heeft toegepast. Roosebeek heeft het bouwplan ten onrechte niet getoetst aan de criteria uit de welstandsnota maar een eigen invulling aan deze criteria heeft gegeven, aldus appellante.

2.7.1.    Volgens de welstandsnota valt het perceel onder de aanduiding Gebied 2, het prestedelijk fragment in de Bellamybuurt, en worden bouwplannen getoetst aan algemene welstandscriteria, algemene toetsingsniveaus en aan de gebiedsgerichte welstandscriteria, zoals die van toepassing zijn voor Gebied 2. Ten aanzien van Gebied 2 is weergegeven dat voor nieuwbouw onder meer de toetsingscriteria ligging in de omgeving, ontwerpaspecten en architectonische detaillering van het ontwerp een rol spelen.

2.7.2.    De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het door het dagelijks bestuur gehanteerde advies van Roosebeek niet in strijd is met de welstandsnota. In het door Roosebeek op 6 juli 2004 uitgebrachte advies is blijkens de tekst en inhoud ervan afzonderlijk getoetst aan de redelijke eisen van welstand, de algemene welstandscriteria en toetsingsniveaus uit de welstandsnota en de Gebiedsgerichte welstandscriteria uit de welstandsnota.

De rechtbank heeft in de omstandigheid dat het bouwplan daarnaast in het advies van Roosebeek eveneens is getoetst aan de criteria uit hoofdstuk 1.2 van "Historische fragmenten in stedelijke gebieden" uit de nota "De schoonheid van Amsterdam" uit 1999 (hierna: de nota), terecht geen aanleiding gezien voor een ander oordeel. Nu deze nota integraal is overgenomen in de welstandsnota, valt, zoals de rechtbank heeft overwogen, niet in te zien dat door toetsing aan deze nota buiten de criteria wordt getreden die zijn weergegeven in de welstandsnota.

2.8.    Appellante betoogt tot slot tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat het oordeel van het dagelijks bestuur over de welstand, de bouwmogelijkheden doorkruist die het bestemmingsplan biedt. Het advies van Roosebeek, waarop het dagelijks bestuur dat oordeel heeft gebaseerd, is weliswaar negatief over het uiterlijk en de plaatsing van het gebouw, maar dat advies sluit niet uit dat van de voormelde mogelijkheden gebruik wordt gemaakt indien het aansluit op de omliggende bebouwing.

2.9.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. J.H.B. van der Meer en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. Huijben, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn- van Bilderbeek    w.g. Huijben

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 september 2006

313-503.