Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY8531

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-09-2006
Datum publicatie
20-09-2006
Zaaknummer
200600206/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 april 2004 heeft het algemeen bestuur van het Schadevergoedingsschap HSL-Zuid, A16 en A4 (hierna: het algemeen bestuur) een verzoek van appellant om schadevergoeding afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:8
Algemene wet bestuursrecht 6:11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2006/306
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200600206/1.

Datum uitspraak: 20 september 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. BELEI 05/1050 van de rechtbank Rotterdam van 30 november 2005 in het geding tussen:

appellant

en

het algemeen bestuur van het schadevergoedingsschap HSL-Zuid, A16 en A4.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 6 april 2004 heeft het algemeen bestuur van het Schadevergoedingsschap HSL-Zuid, A16 en A4 (hierna: het algemeen bestuur) een verzoek van appellant om schadevergoeding afgewezen.

Bij besluit van 7 februari 2005 heeft het algemeen bestuur het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 november 2005, verzonden op 8 december 2005, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 januari 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 2 februari 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 28 februari 2006 heeft het algemeen bestuur van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 juni 2006, waar appellant in persoon en het algemeen bestuur, vertegenwoordigd door mr. J.C.N.B. Kaal, advocaat te Arnhem, en door mr. ing C.G.J.M. Peeters, medewerker van het algemeen bestuur, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    In hoger beroep is allereerst de vraag aan de orde, wanneer de beslissing op bezwaar van 7 februari 2005, waarbij het besluit aan appellant geen schadevergoeding toe te kennen is gehandhaafd aan appellant is verzonden.

2.1.1.    Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de beslissing op bezwaar op 7 februari 2005 aangetekend aan hem is verzonden. Daartoe voert appellant aan dat hem niet een kennisgeving van dit aangetekende schrijven door de bezorger van TPG Post heeft bereikt, zodat hij het aangetekend schrijven niet op het postkantoor heeft kunnen ophalen. Volgens appellant kunnen door medewerkers van TPG Post fouten worden gemaakt, zodat niet uitgesloten kan worden dat in de bezorging van het desbetreffende aangetekend schrijven iets mis is gegaan.

2.1.2.    Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, is genoegzaam vast komen te staan dat de beslissing op bezwaar op 7 februari 2005 ter aangetekende verzending is aangeboden. De retour gekomen enveloppe van de beslissing op bezwaar is voorzien van een poststempel met de datum 7 februari 2005. Gelet hierop moet er in beginsel van worden uitgegaan dat de beslissing op bezwaar op die dag is verzonden. De enkele stelling van appellant dat hij door een fout bij TPG Post het afhaalbericht niet heeft ontvangen en hij gewoonlijk aangetekende post direct na ontvangst van een kennisgeving bij het postkantoor ophaalt, is als tegenbewijs ontoereikend. Het betoog van appellant faalt.

2.1.3.    Nu het besluit op 7 februari 2005 overeenkomstig artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)  is bekendgemaakt, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de beroepstermijn is aangevangen op 8 februari 2005 en is geëindigd op 21 maart 2005.

2.2.    Appellant voert voorts aan dat hij niet eerst met zijn brief van 26 maart 2005 beroep tegen de beslissing op bezwaar heeft ingesteld. Naar zijn mening heeft hij dat reeds met zijn brief van 5 maart 2005 gedaan, zodat van termijnoverschrijding geen sprake is.

2.2.1.    Gelet op de inhoud van de brief van appellant van 5 maart 2005 kan deze brief niet worden gezien als een beroepschrift gericht tegen de beslissing op bezwaar. Het betreft een beroepschrift dat, zoals de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld, enkel ziet op het niet tijdig nemen van een beslissing op de bezwaren van appellant. Nu de beslissing op bezwaar niet alleen was genomen vóór 5 maart 2005 maar tevens, zoals uit het hiervoor overwogene volgt, op de juiste wijze was bekendgemaakt, moet appellant derhalve worden geacht bekend te zijn geweest met dit besluit en had hij hiertegen beroep moeten instellen, zoals hij met zijn brief van 26 maart 2005 heeft gedaan.  

2.3.    Appellant voert aan, dat het algemeen bestuur de wettelijke beslistermijnen heeft overschreden, zonder dat hieraan consequenties worden verbonden. Het beroep van appellant is evenwel door de rechtbank wegens een vermeende geringe termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. In dit verband wijst appellant met name naar de beslissing op bezwaar die niet in overeenstemming met de termijn als bedoeld in artikel 7:10 van de Awb is genomen.

2.3.1.    De omstandigheid dat het algemeen bestuur de wettelijk gestelde termijn voor het nemen van een beslissing op bezwaar heeft overschreden, kan niet leiden tot het oordeel dat de overschrijding van de beroepstermijn door appellant verschoonbaar is. Ook in het hetgeen overigens door appellant is aangevoerd, kan geen aanleiding worden gevonden voor het oordeel dat van een verschoonbare termijnoverschrijding sprake is.

2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink    w.g. Bindels

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 september 2006

85-515.