Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY8530

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-09-2006
Datum publicatie
20-09-2006
Zaaknummer
200601518/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 maart 2004 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam Oud Zuid (hierna: het dagelijks bestuur) geweigerd appellanten vergunning te verlenen voor het samenvoegen van drie woningen tot één.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200601518/1.

Datum uitspraak: 20 september 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04-6615 van de rechtbank Amsterdam van 11 januari 2006 in het geding tussen:

appellanten

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam Oud Zuid.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 10 maart 2004 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam Oud Zuid (hierna: het dagelijks bestuur) geweigerd appellanten vergunning te verlenen voor het samenvoegen van drie woningen tot één.

Bij besluit van 18 november 2004 heeft het dagelijks bestuur, voor zover thans van belang, het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar, onder aanvulling van de motivering van dat besluit, ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 januari 2006, verzonden op 12 januari 2006, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het door appellanten daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, doch slechts voor zover daarbij is geweigerd de in verband met de behandeling van het bezwaarschrift van 16 december 2003 bij appellanten opgekomen kosten te vergoeden. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 februari 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 22 maart 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 12 mei 2006 heeft het dagelijks bestuur van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 augustus 2006, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. R.M. Rensing, advocaat te Amsterdam, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. K. Ypenburg, ambtenaar in dienst van het stadsdeel, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het hoger beroep is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank, voor zover daarbij het besluit van 18 november 2004 niet is vernietigd.

2.2.    Ingevolge artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet is het verboden een woonruimte die behoort tot een door de gemeenteraad in de huisvestingsverordening daartoe met het oog op het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad aangewezen categorie, zonder vergunning van burgemeester en wethouders met andere woonruimte samen te voegen.

   Ingevolge artikel 31 wordt een vergunning, als bedoeld in voormelde bepaling, verleend, tenzij het belang van het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad groter is dan het met het onttrekken aan de bestemming tot bewoning gediende belang en het belang van het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad niet door het stellen van voorwaarden en voorschriften voldoende kan worden gediend.

   Bij artikel 2 van de Partiële Huisvestingsverordening Amsterdam Oud Zuid 2000 is als categorie, bedoeld in artikel 30 van de wet, alle woonruimten in het stadsdeel Amsterdam Oud Zuid ongeacht de huur- of koopprijs aangewezen.

   Ingevolge artikel 3 is het verboden om zonder vergunning van het dagelijks bestuur woonruimte in de in artikel 2 aangewezen categorie met andere woonruimte samen te voegen.

2.2.1.    Volgens hoofdstuk 6 van de Nota Wonen Stadsdeel Amsterdam Oud Zuid, door de stadsdeelraad vastgesteld op 26 juni 2002 (hierna: de Nota Wonen), is van belang dat de woningvoorraad van het stadsdeel meer wordt gedifferentieerd, zodat een grotere variatie aan woningen ontstaat en de mogelijkheden voor het huisvesten van verschillende bevolkingsgroepen in het stadsdeel zullen toenemen. Aan de hand van onder meer het thema "de grootte van woningen" is deze algemene doelstelling geconcretiseerd. Uitvoering van de Beleidsovereenkomst Wonen Amsterdam 2001-2002 (hierna: de Beleidsovereenkomst) zou betekenen dat in Amsterdam Oud Zuid het aantal woningen met een oppervlakte van ten minste 60 m2 zou moeten groeien tot 44% van de woningvoorraad, aldus de Nota Wonen.  

2.3.    Het besluit van 10 maart 2004 betreft de samenvoeging van de woningen [locaties]. Bij het besluit van 18 november 2004 is daaraan, onder verwijzing naar de Nota Wonen, nader ten grondslag gelegd dat het algemeen belang van het behoud en de samenstelling van de woningvoorraad groter is dan het belang van appellanten bij de beoogde samenvoeging.

2.4.    Appellanten hebben aangevoerd dat de rechtbank heeft miskend dat de Nota Wonen op de betrokken woningen niet van toepassing is. Deze nota is volgens hen gericht op vergroting van de hoeveelheid betaalbare koopwoningen en ziet dus niet op deze woningen, die niet als betaalbaar in de zin van de nota zijn aan te merken. Bovendien wordt met het beleid beoogd de samenvoeging van kleinere woningen tot woningen groter dan 60 m2 te stimuleren en niet om de samenvoeging van woningen groter dan 110 m2 tegen te gaan, aldus appellanten. Nu de Nota Wonen niet van toepassing is, heeft het dagelijks bestuur het daarin weergegeven beleid ten onrechte aan zijn besluit van 18 november 2004 ten grondslag gelegd.

2.4.1.    Hoofdstuk 6 van de Nota Wonen bevat doelstellingen ten aanzien van de samenstelling van de woonruimtevoorraad. Eén van die doelstellingen heeft betrekking op de omvang van woningen en houdt in dat gestreefd wordt naar groei van het aantal woningen met een oppervlakte van ten minste 60m2. In wijken waarin het ten doel gestelde percentage grotere woningen niet wordt bereikt zal samenvoeging van kleine woningen tot grotere met een oppervlakte van ten minste 60 m2 worden bevorderd. In de Nota Wonen is voorts vermeld dat in de wijk [naam buurt], waarin de woningen zijn gelegen waarop het afgewezen verzoek betrekking heeft, voldoende grotere woningen aanwezig zijn. In die buurt wordt volgens de nota dan ook geen actief beleid gevoerd om kleine woningen samen te voegen.

   Uit de Nota Wonen volgt aldus niet dat de bovenvermelde doelstelling alleen betrekking heeft op betaalbare koopwoningen, als appellanten hebben betoogd. De doelstelling geldt bovendien voor het stadsdeel als geheel. De grote woningen van appellanten maken deel uit van de woonruimtevoorraad van het stadsdeel en tellen derhalve mee bij de beoordeling of die woonruimtevoorraad, wat de grootte van woningen betreft, de gewenste samenstelling heeft. Nu het gewenste percentage grotere woningen nog niet is bereikt, volgt uit de Nota Wonen dat samenvoeging van grotere woningen als de onderhavige in strijd is met het daarin gestelde doel en volgens het gevoerde beleid dus wordt tegengegaan.

   Het betoog faalt.    

2.5.    Appellanten betogen verder dat de rechtbank heeft miskend dat het besluit van 18 november 2004 ondeugdelijk is gemotiveerd, nu de daarin vermelde streefpercentages onjuist zijn en deze percentages niet actief worden nagestreefd.

2.5.1.    Het advies van de Algemene bezwaar- en beroepscommissie van 15 november 2004, naar welk advies in het besluit van 18 november 2004 is verwezen, vermeldt dat in de Nota Wonen is vermeld dat het stadsdeel streeft naar een groei van het aanbod van woningen van ten minste 60 m2 van 39% naar 48% en bovendien naar een groei van het aanbod van woningen van ten minste 80 m2 naar 19% in 2010.

   De in het advies vermelde percentages grote woningen zijn afkomstig uit de Beleidsovereenkomst en deze gelden als doelstelling voor de gemeente Amsterdam als geheel. In de Nota Wonen is naar deze doelstelling verwezen. Uitvoering daarvan komt volgens de Nota Wonen voor het stadsdeel neer op 44% woningen met een oppervlakte van ten minste 60 m2.

   Nu de uit de Beleidsovereenkomst afkomstige percentages ook voor stadsdeel Amsterdam Oud Zuid gelden en in het besluit van 18 november 2004 bovendien naar de Nota Wonen is verwezen, heeft de rechtbank de motivering van dat besluit in zoverre terecht niet ontoereikend geacht.

2.5.2.     In de Nota Wonen wordt voorts vermeld dat niet haalbaar en ook niet wenselijk is dat in iedere wijk van het stadsdeel eind 2006 44% van de woningen een oppervlakte heeft van ten minste 60 m2. Dit zou volgens de nota in verschillende wijken een te grote opgave betekenen, hetgeen zou leiden tot een te grote druk op de bestaande bewoners. Daarom wordt volgens de nota gekozen voor een meer geleidelijke omvorming van de woningmarkt. Per wijk is vermeld, in hoeverre de samenstelling van de woningvoorraad kan worden verbeterd. Geconcludeerd wordt dat de gekozen doelstellingen per wijk vooralsnog tot een groei van het aantal grotere woningen tot ongeveer 41% van de woningvoorraad van het gehele stadsdeel leiden.

   Het vorenstaande neemt niet weg dat gestreefd wordt naar groei van het aantal grotere woningen tot het afgesproken percentage. Het illustreert slechts dat dat percentage ten tijde van het vaststellen van de Nota Wonen nog niet in zicht was. Het besluit van 18 november 2004 is in zoverre evenmin ondeugdelijk gemotiveerd. Het betoog faalt.  

2.6.    Appellanten hebben ten slotte aangevoerd dat de rechtbank heeft miskend dat bij het besluit van 18 november 2004 geen huisvestingsbelang in het geding is, zodat de vergunning ingevolge artikel 31 van de Huisvestingswet moest worden verleend.

2.6.1.    Dit betoog slaagt evenmin. Het dagelijks bestuur heeft aannemelijk gemaakt dat het huisvestingsbelang bij behoud van de betrokken woningen betrokken is, aangezien schaarste op de Amsterdamse woningmarkt bestaat en de samenstelling van de woningvoorraad in het stadsdeel nog niet aan de doelstellingen, vermeld in de Nota Wonen, voldoet.

2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak, voor zover aangevallen, dient te worden bevestigd.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de uitspraak, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. F.P. Zwart en mr. C.J.M. Schuyt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. Y.C. Visser, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb    w.g. Visser

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 september 2006

148.