Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY8518

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-09-2006
Datum publicatie
20-09-2006
Zaaknummer
200510507/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 november 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Dordrecht (hierna: het college) geweigerd de op 9 december 1997 aan Bouw Partners Ontwikkelings- en Bouwmaatschappij B.V. verleende bouwvergunning voor het oprichten van acht woningen, waarvan vier met inpandige garage en vier met inpandige berging, op de percelen Koningin Wilhelminastraat 42 t/m 48 en Adriaan van Bleijenburgstraat 53 t/m 59 te Dordrecht (hierna: de bouwvergunning) in te trekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200510507/1.

Datum uitspraak: 20 september 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/1200 van de rechtbank Dordrecht van 9 december 2005 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Dordrecht.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 10 november 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Dordrecht (hierna: het college) geweigerd de op 9 december 1997 aan Bouw Partners Ontwikkelings- en Bouwmaatschappij B.V. verleende bouwvergunning voor het oprichten van acht woningen, waarvan vier met inpandige garage en vier met inpandige berging, op de percelen Koningin Wilhelminastraat 42 t/m 48 en Adriaan van Bleijenburgstraat 53 t/m 59 te Dordrecht (hierna: de bouwvergunning) in te trekken.

Bij besluit van 8 maart 2005 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 december 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Dordrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 23 december 2005, bij de Raad van State ingekomen op 27 december 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 13 januari 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 28 februari 2006 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 augustus 2006, waar appellant in persoon en het college, vertegenwoordigd door E.M. Pronk, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet, voor zover thans van belang, kunnen burgemeester en wethouders de bouwvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken indien blijkt dat zij de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave hebben verleend.

2.1.1.    Appellant is van mening dat de bouwvergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend. Hij wijst erop dat de ingediende aanvraag destijds is ingetrokken en vervolgens is gebruikt voor een nieuwe aanvraag. Deze nieuwe aanvraag zou niet gepubliceerd zijn. Appellant acht dit misleidend. Ook is volgens hem gebouwd in afwijking van de verleende bouwvergunning.

2.1.2.    In hetgeen appellant heeft aangevoerd, heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de aanvraag die heeft geleid tot vergunningverlening, een onjuiste of onvolledige opgave bevat. De door appellant gestelde gebreken hebben geen betrekking op de inhoud van de aanvraag, maar zien veeleer, zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, op de procedure die heeft geleid tot verlening van de vergunning.    

   Voor zover het hoger beroep van appellant zich richt tegen de gebreken in de totstandkoming en de inhoud van het besluit tot verlening van de bouwvergunning - wat daarvan zij - overweegt de Afdeling dat de procedure op grond van artikel 59 van de Woningwet niet kan leiden tot een heroverweging van het ten aanzien van deze bouwvergunning reeds in de uitspraak van de rechtbank van 1 september 2000 in zaak no. AWB 99/285, waartegen geen rechtsmiddelen zijn aangewend, gegeven rechterlijke oordeel.

   De omstandigheid dat in afwijking van het bouwplan waarvoor bouwvergunning is verleend, is gebouwd, wat daar ook van zij, is geen grond om een verleende bouwvergunning in te trekken.

   De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het college terecht heeft afgezien van intrekking van de verleende bouwvergunning.

2.2.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.3.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump    w.g. Van Heusden

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 september 2006

163-476.