Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY8516

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-09-2006
Datum publicatie
20-09-2006
Zaaknummer
200601293/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 mei 2005 heeft de gemeenteraad van Rijssen-Holten, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 11 april 2005, het bestemmingsplan "Holterberg, herziening 2004-1" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2006/2732

Uitspraak

200601293/1.

Datum uitspraak: 20 september 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Holten, gemeente Rijssen-Holten

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 30 mei 2005 heeft de gemeenteraad van Rijssen-Holten, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 11 april 2005, het bestemmingsplan "Holterberg, herziening 2004-1" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 17 januari 2006, kenmerk RWB/2005/2112, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 15 februari 2006, bij de Raad van State ingekomen op 16 februari 2006, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 10 april 2006.

Bij brief van 14 juni 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 september 2006, waar appellant en verweerder, vertegenwoordigd door drs. G. Rooks, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord de gemeenteraad van Rijssen-Holten, vertegenwoordigd door R. Stegeman, ambtenaar van de gemeente.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

Toetsingskader

2.2.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Procedurele aspecten

2.3.    De in beroep aangevoerde grond inzake het ontbreken van een overgangsrechtelijke bepaling in de planvoorschriften voor woningen die wat betreft hun inhoudsmaat afwijken van het plan, steunt niet op een door appellant bij de gemeenteraad ingediende zienswijze.

Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, onder d, en 56, tweede lid, gelezen in samenhang met de artikelen 23, eerste lid, en 27, eerste en tweede lid, van de WRO, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het verweerder, voor zover dit beroep een grondslag heeft in een tegen het ontwerp-plan bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze.

Dit is slechts anders voor zover de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, voor zover het besluit van verweerder strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest ter zake een zienswijze in te brengen.

Geen van deze omstandigheden doet zich voor.                                      Het beroep is in zoverre dan ook niet-ontvankelijk.

Het plan

2.4.    Het plan voorziet in een nieuwe planologische regeling voor het bestaande villapark op de Holterberg. Het betreft een wijziging van de planvoorschriften van het geldende bestemmingsplan "Holterberg" uit 1968, dat voorschriften bevat die niet in overeenstemming zijn met het huidige provinciale beleid ten aanzien van woningen in het buitengebied.    

Het standpunt van appellant

2.5.    Appellant stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan. Hij acht de status van het beeldkwaliteitsplan, dat in artikel 16 van de planvoorschriften wordt genoemd, onduidelijk. Verder  bestrijdt hij een aantal normen die zijn neergelegd in het beeldkwaliteitsplan.

Het bestreden besluit

2.6.    Verweerder heeft geen reden gezien het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht te achten en heeft het plan goedgekeurd.

   

Vaststelling van der feiten

2.7.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.7.1.    Ingevolge artikel 16, tweede lid, onder a, van de planvoorschriften, voor zover van belang, zijn de op de kaart voor landhuizen, klasse B, aangewezen gronden bestemd voor de op het moment van terinzagelegging van dit bestemmingsplan bestaande of vergunde woonhuizen, met dien verstande dat als hoofdgebouw uitsluitend vrijstaande eengezinshuizen mogen worden gebouwd met een maximum inhoud van 750 m3, dan wel de inhoud die een woning heeft op het tijdstip van terinzagelegging van dit bestemmingsplan als de inhoud groter is dan 750 m3.

   Ingevolge artikel 16, tweede lid, onder i, aanhef en sub a, van de planvoorschriften kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het in lid 1 onder a bepaalde tot maximaal 20% van de inhoud een en ander met inachtneming van het beeldkwaliteitsplan Holterberg zoals dat is vastgesteld door de raad.

2.7.2. Vast staat dat het in overweging 2.7.1. genoemde beeldkwaliteitsplan afzonderlijk is vastgesteld door de gemeenteraad van Rijssen-Holten en deel uitmaakt van de gemeentelijke Welstandsnota.                                    

Het oordeel van de Afdeling    

2.8.    Hoewel het beeldkwaliteitsplan Holterberg als bijlage is gevoegd bij het bestemmingsplan, maakt het geen deel uit van het bestemmingsplan. Dit betekent dat dit beeldkwaliteitsplan in de onderhavige procedure niet ter toetsing voorligt.

   Hieraan doet niet af dat het beeldkwaliteitsplan toetsingskader vormt, indien het college van burgemeester en wethouders gebruik maakt van zijn vrijstellingsbevoegdheid op grond van artikel 16, tweede lid, van de planvoorschriften. De Afdeling heeft een dergelijke verwijzing naar een - als bijlage bij het bestemmingsplan gevoegd - beeldkwaliteitsplan in een vrijstellingsbepaling van een bestemmingsplan eerder aanvaard (uitspraak van 18 juli 2001, 199900559/1, gepubliceerd in BR 2002, 304).

2.9.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan op dit punt niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

   In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep is in zoverre ongegrond.

Proceskosten

2.10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.     verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het  betrekking           heeft op het overgangsrecht van het bestemmingsplan;

II.     verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

Aldus vastgesteld door mr. A. Kosto, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.

w.g. Kosto    w.g. Broekman

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 september 2006

12.