Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY8498

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-09-2006
Datum publicatie
20-09-2006
Zaaknummer
200605004/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 februari 2006 heeft de gemeenteraad van Kampen, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 20 december 2005, het bestemmingsplan "Brunnepe-Oranjewijk" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200605004/2.

Datum uitspraak: 13 september 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoekster], gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 2 februari 2006 heeft de gemeenteraad van Kampen, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 20 december 2005, het bestemmingsplan "Brunnepe-Oranjewijk" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 23 mei 2006, kenmerk RWB/2006/562, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft onder meer verzoekster bij brief van 7 juli 2006, bij de Raad van State ingekomen op 7 juli 2006, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 25 juli 2006.

Bij brief van 7 juli 2006, bij de Raad van State ingekomen op 7 juli 2006, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 29 augustus 2006, waar verzoekster, vertegenwoordigd door [voorzitter] van de stichting en mr. A.A. Robbers, en verweerder, vertegenwoordigd door T. Drint, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord de gemeenteraad van Kampen, vertegenwoordigd door mr. P. Romkes, ambtenaar van de gemeente.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

2.3.    Verweerder heeft ter zitting de ontvankelijkheid van het beroep van verzoekster bestreden.

De Voorzitter is er niet geheel van overtuigd dat het beroep van verzoekster, het zij toegeschreven aan verzoekster, hetzij toegeschreven aan de oprichter van de stichting, [naam oprichter], in de bodemprocedure niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Hij ziet dan ook aanleiding thans van de ontvankelijkheid van het beroep uit te gaan. Dit is derhalve geen beletsel voor een inhoudelijke beoordeling van het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening.

2.4.    Met het plan wordt onder meer beoogd woningbouw in de vorm van vijf woontorens langs de IJssel mogelijk te maken.

Ten behoeve van deze woningbouw dient onder andere een palingrokerij met toebehoren te worden gesloopt.

2.5.    Verzoekster kan zich niet met het plan verenigen. Zij voert hiertoe aan dat het plan ten onrechte de sloop van de cultuurhistorisch waardevolle palingrokerij met toebehoren met zich brengt.

Verzoekster stelt dat het niet voorkomen van het pand op de gemeentelijke monumentenlijst niet betekent dat de palingrokerij niet cultuurhistorisch waardevol is. Verder kan zij zich niet verenigen met het advies van "Het Oversticht" dat vanwege de bouwkundige staat geen nader onderzoek naar de cultuurhistorische waarden behoeft te worden gedaan. Verzoekster stelt dat de bedrijfswoning "Molenzicht" en de haringinleggerij zich niet in een slechte bouwkundige staat bevinden.

Verder is het plan volgens haar in strijd met de toezeggingen die zijn gedaan bij de verhoging van de waterkering aan de IJssel.

Tevens stelt verzoekster dat onvoldoende alternatieven voor de situering van de woontorens zijn bezien.

2.6.    Verweerder heeft goedkeuring verleend aan het plan. Hij heeft daarbij verwezen naar het advies van Het Oversticht.

2.7.    Volgens de stukken is de palingrokerij met toebehoren niet voorgedragen als gemeentelijk monument en komt deze niet voor in het Monumenten Inventarisatie Project. Naar aanleiding van een verzoek van de gemeenteraad is het object alsnog beoordeeld door de welstandscommissie "Het Oversticht". Het Oversticht concludeert dat de bouwkundige staat zodanig slecht is dat het niet zinvol lijkt de cultuurhistorische waarden nader te laten onderzoeken.

Ook blijkens de plantoelichting verkeert de palingrokerij in een bouwkundig slechte staat. Tevens vermeldt deze dat de waardevolle elementen uit de palingrokerij zijn verwijderd en zijn opgeslagen voor eventueel hergebruik.

Gezien het vorenstaande heeft verzoekster naar het oordeel van de Voorzitter onvoldoende aannemelijk gemaakt dat verwezenlijking van het plan leidt tot een ernstige aantasting van cultuurhistorische waarden ter plaatse van de palingrokerij.

2.8.    Ten aanzien van het bezwaar inzake het vertrouwensbeginsel overweegt de Voorzitter dat verzoekster niet aannemelijk heeft gemaakt dat door of namens de gemeenteraad verwachtingen zijn gewekt. De Voorzitter is van oordeel dat de gemeenteraad bij ontbreken van een aan hem toe te rekenen toezegging, dan ook niet in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft besloten. Voor verweerder bestond derhalve geen aanleiding om op grond van het niet honoreren van gerechtvaardigde verwachtingen door de gemeenteraad goedkeuring aan het plan te onthouden.

2.9.    Wat betreft een andere situering van de woontorens is de Voorzitter van oordeel dat het bestaan van alternatieven op zichzelf geen grond kan vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het bestemmingsplan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen de in het plan voorgestane situering. Naar het oordeel van de Voorzitter heeft verzoekster niet aannemelijk gemaakt dat deze situatie zich in dit geval voordoet.

2.10.    Gezien het vorenstaande ziet de Voorzitter geen aanleiding het verzoek toe te wijzen.

2.11.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. A. Kosto, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. Tuit, ambtenaar van Staat.

w.g. Kosto    w.g. Tuit

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 september 2006

425.