Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY8497

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-09-2006
Datum publicatie
20-09-2006
Zaaknummer
200601762/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 december 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen (hierna: het college) geweigerd appellante voor de periode van 8 november 2002 tot 12 juli 2004 in te schrijven op het adres [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200601762/1.

Datum uitspraak: 20 september 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/2167 van de rechtbank Arnhem van 26 januari 2006 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 21 december 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen (hierna: het college) geweigerd appellante voor de periode van 8 november 2002 tot 12 juli 2004 in te schrijven op het adres [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 13 mei 2005 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 januari 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 3 maart 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 2 mei 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 24 mei 2006 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 augustus 2006, waar appellante in persoon, bijgestaan door mr. B. Willemsen, advocaat te Nijmegen, zijn verschenen. Het college is, met bericht, niet verschenen of vertegenwoordigd.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 7:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) legt het bestuursorgaan het bezwaarschrift en alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het horen gedurende ten minste een week voor belanghebbenden ter inzage.

   Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: de Wet gba) wordt in de Wet gba en de daarop berustende bepalingen onder woonadres verstaan:

a. het adres waar betrokkene woont, waaronder begrepen het adres van een woning die zich in een voertuig of vaartuig bevindt, indien het voertuig of vaartuig een vaste stand- of ligplaats heeft, of, indien betrokkene op meer dan één adres woont, het adres waar hij naar redelijke verwachting gedurende een half jaar de meeste malen zal overnachten;

b. het adres waar, bij het ontbreken van een adres als bedoeld onder a, betrokkene naar redelijke verwachting gedurende drie maanden ten minste twee derden van de tijd zal overnachten.

   Ingevolge artikel 47, eerste lid, van de Wet gba worden aan een aangifte van een ingezetene die zijn adres heeft gewijzigd gegevens betreffende het adres ontleend, tenzij aannemelijk is dat hij het vermelde adres niet heeft.

   Ingevolge artikel 10, eerste lid, van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: het BW) bevindt de woonplaats van een natuurlijk persoon zich te zijner woonstede, en bij gebreke van woonstede ter plaatse van zijn werkelijk verblijf.

2.2.    Appellante is vanaf 11 juni 2002 tot 18 november 2002 en vanaf 12 juli 2004 in de gemeentelijke basisadministratie ingeschreven op het adres [locatie] te [plaats]. Vanaf 18 november 2002 tot 12 juli 2004 vermeldt de gemeentelijke basisadministratie "adres onbekend". Het hoger beroep heeft betrekking op de weigering van het college om het adres van appellante gedurende de periode van 18 november 2002 tot 12 juli 2004 te wijzigen van "adres onbekend" in [locatie] te [plaats].

2.3.    Appellante bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat onvoldoende is aangetoond dat zij geen gebruik heeft kunnen maken van het recht op inzage als bedoeld in artikel 7:4, tweede lid, van de Awb. In dit verband stelt zij dat haar herhaaldelijk inzage in de op de zaak betrekking hebbende stukken is geweigerd en dat zij daardoor niet kan controleren of stukken in het dossier ontbreken.

2.3.1.    Dit betoog faalt. Nu de op de zaak betrekking hebbende stukken haar voorafgaand aan het horen zijn toegezonden en niet is gebleken dat daarbij stukken ontbraken, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat onvoldoende is aangetoond dat appellante geen gebruik heeft kunnen maken van het recht op inzage in alle relevante op de onderhavige zaak betrekking hebbende stukken.

2.4.    Appellante betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college ten onrechte heeft geweigerd haar voor de periode van 18 november 2002 tot 12 juli 2004 in te schrijven op het adres [locatie] te [plaats]. Zij wijst er in dit verband op dat geen rekening zou zijn gehouden met een aantal stukken en dat ten onrechte is aangenomen dat appellante niet heeft gereageerd op verzoeken van het college om informatie over haar woonadres.

2.4.1.    Dit betoog kan geen doel treffen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat zowel uit de verklaringen van de toenmalige bewoners van de woning aan de [locatie] als uit het feit dat appellante zelf stelt dat zij voor 18 november 2002 die woning is uitgezet, kan worden geconcludeerd dat appellante in elk geval vanaf 18 november 2002 niet meer haar woonadres had op de [locatie] te [plaats]. Nu appellante voorts ter zitting van de Afdeling heeft bevestigd dat zij in de periode van 18 november 2002 tot 12 juli 2004 niet feitelijk op dat adres woonde, heeft de rechtbank terecht en op goede gronden geconcludeerd dat het college met juistheid heeft aangenomen dat appellante in voormelde periode niet meer haar woonadres had op de [locatie] te [plaats]. Hetgeen appellante inzake de door haar vermeende onvolledigheid van de door het college gebruikte informatie en het door het college verrichte onderzoek heeft aangevoerd, kan aan die slotsom niet afdoen.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. C.J.M. Schuyt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Michiels van Kessenich, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek    w.g. Michiels van Kessenich

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 september 2006

450.