Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY8494

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-09-2006
Datum publicatie
20-09-2006
Zaaknummer
200601548/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 januari 2006 heeft verweerder aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een varkenshouderij en akkerbouwbedrijf met een mestverwerkingsinstallatie voor de vergisting van bedrijfseigen dierlijke mest en co-producten op de percelen [locatie 1] te [plaats], en [locatie 2] te [plaats]. Dit besluit is op 19 januari 2006 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.8
Wet arbeid vreemdelingen
Wet arbeid vreemdelingen 3
Wet arbeid vreemdelingen 6
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Algemene wet bestuursrecht 3:46
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2006/2112
JOM 2007/30
OGR-Updates.nl 1001236
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200601548/1.

Datum uitspraak: 20 september 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Meerlo-Wanssum,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 9 januari 2006 heeft verweerder aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een varkenshouderij en akkerbouwbedrijf met een mestverwerkingsinstallatie voor de vergisting van bedrijfseigen dierlijke mest en co-producten op de percelen [locatie 1] te [plaats], en [locatie 2] te [plaats]. Dit besluit is op 19 januari 2006 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 23 februari 2006, bij de Raad van State ingekomen op 24 februari 2006, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 23 maart 2006.

Bij brief van 27 april 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 augustus 2006, waar appellant in persoon en bijgestaan door mr. J.H.M. Verjans, en verweerder, vertegenwoordigd door G.F.M. Brugmans en M. Schmidt, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. O.W. Wagenaar.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat de bij deze wetten doorgevoerde wetswijzigingen niet van toepassing zijn op het geding.

2.2.    Bij het bestreden besluit is vergunning verleend voor één inrichting die bestaat uit twee op circa 300 meter van elkaar gelegen clusters van stallen. Beide clusters van stallen zijn met elkaar verbonden door middel van een leiding voor het verpompen van brijvoer. Het bij het bestreden besluit vergunde veebestand bestaat uit totaal 7.991 vleesvarkens.

   Voor de inrichting is eerder bij besluit van 15 december 1997 een vergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor het houden van in totaal 5.831 vleesvarkens.

2.3.    Appellant heeft betoogd dat onvoldoende is onderzocht of sprake is van een belangrijke toename van de verontreiniging vanwege de bij het bestreden besluit vergunde ammoniakemissie en -depositie.

2.3.1.    Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een belangrijke toename van de verontreiniging. Weliswaar zal als gevolg van de bij het bestreden besluit verleende vergunning de ammoniakdepositie op de nabij de inrichting gelegen gebieden "Swolgensbroek" en "Swolgenderheide" toenemen met respectievelijk 19,36 en 4,54 mol per hectare per jaar ten opzichte van de eerder vergunde situatie, maar deze toename kan volgens verweerder niet worden aangemerkt als significant. Daarbij heeft verweerder gewezen op de omstandigheid dat de totale ammoniakdepositie op de gebieden "Swolgensbroek" en "Swolgenderheide" vanwege de inrichting blijft onder de depositieniveaus van 300 en 600 mol per hectare per jaar die op grond van het voormalige ammoniakreductieplan Noord en Midden-Limburg toelaatbaar werden geacht. Verder heeft verweerder gewezen op de omstandigheden dat sprake is van toename van de ammoniakdepositie op eerdergenoemde gebieden van 2,7% en 4,3% ten opzichte van de eerder vergunde situatie, dat de depositie blijft beneden de toepasselijke kritische depositiewaarden, en dat de toename van de ammoniakdepositie op het gebied "Swolgenderheide" minder bedraagt dan 1% van de gemiddelde kritische depositiewaarde van het daar aanwezige naaldbos.

2.3.2.    Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet ammoniak en veehouderij (hierna: de Wav) betrekt het bevoegd gezag bij beslissingen inzake de vergunning voor de oprichting of verandering van een veehouderij de gevolgen van ammoniakemissie uit de tot de veehouderij behorende dierenverblijven uitsluitend op de wijze die is aangegeven bij of krachtens de artikelen 4 tot en met 7.

   Ingevolge artikel 6, tweede lid, van de Wav wordt, indien geen van de tot de veehouderij behorende dierenverblijven geheel of gedeeltelijk is gelegen in een kwetsbaar gebied, dan wel in een zone van 250 meter rond een zodanig gebied, een vergunning voor het veranderen van een veehouderij geweigerd, indien de veehouderij onder de reikwijdte van Richtlijn nr. 96/61/EG van de Raad van de Europese Unie van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (PbEG L 257; hierna: de IPPC-richtlijn) valt, en de toename van de ammoniakemissie uit de dierenverblijven als gevolg van de uitbreiding een belangrijke toename van de verontreiniging veroorzaakt.

2.3.3.    Vaststaat dat de veehouderij gezien het aantal vergunde vleesvarkens onder de reikwijdte van de IPPC-richtlijn valt. Voorts staat vast dat de veehouderij niet in een kwetsbaar gebied of in een zone van 250 meter rondom een dergelijk gebied is gelegen. Verweerder dient de gevolgen van ammoniakemissie derhalve te toetsen aan artikel 6, tweede lid, van de Wav.

2.3.4.    De Afdeling overweegt, onder verwijzing naar haar uitspraak van 10 november 2004, no. 200304823/1 (AB 2005, 40), dat bij de toetsing of sprake is van een belangrijke verontreiniging naar analogie van artikel 8.8 van de Wet milieubeheer rekening dient te worden gehouden met de bestaande toestand van het milieu (de heersende depositie), en met de gevolgen voor het milieu (depositie) die de inrichting kan veroorzaken, alsmede met de met betrekking tot de inrichting en het gebied waar de inrichting zal zijn of is gelegen redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen die van belang zijn met het oog op de bescherming van het milieu.

   Ter zitting is gebleken dat de aanwezige achtergronddepositie ter plaatse van de gebieden "Swolgensbroek" en "Swolgenderheide" reeds zodanig hoog is dat de van toepassing zijnde kritische depositiewaarde voor naaldbos wordt overschreden. Verder worden de door verweerder genoemde maximale depositieniveaus van 300 en 600 mol per hectare per jaar - wat van deze depositieniveaus ook zij - overschreden. Onder deze omstandigheden moet worden geoordeeld dat vanuit een oogpunt van ammoniakdepositie sprake is van een overbelaste situatie. Niet is gebleken dat verweerder bij zijn beoordeling of de bij het bestreden besluit vergunde toename van de ammoniakemissie een belangrijke toename van de verontreiniging veroorzaakt rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat sprake is van een overbelaste situatie en met eventuele redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen die van belang zijn met het oog op de bescherming van het milieu.

   Gezien het vorenstaande kan de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende voorbereiding niet zorgvuldig en de daarin neergelegde motivering niet toereikend worden geacht. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.4.    Appellant is beducht voor stankhinder. Hij heeft aangevoerd dat verweerder de woningen in de omgeving van de inrichting ten onrechte op basis van niet formeel vastgesteld beleid heeft ingedeeld in categorie IV als bedoeld in de Wet stankemissie landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden (hierna: de Wet stankemissie). Verder heeft appellant gewezen op de tegen het ontwerp-besluit ingebrachte bedenkingen. In de bedenkingen is aangevoerd dat de Wet stankemissie zich verzet tegen een wijze van beoordeling van de stankhinder waarbij de twee clusters van stallen worden beschouwd als afzonderlijke veehouderijen.

2.4.1.    Verweerder heeft in het bestreden besluit het aantal mestvarkeneenheden en de minimaal aan te houden afstanden tot voor stank gevoelige objecten voor elke cluster van stallen separaat beoordeeld. Volgens verweerder wordt bij deze wijze van beoordelen voldaan aan de op grond van de Wet stankemissie minimaal in acht te nemen afstanden tot de relevante voor stank gevoelige categorie IV-objecten Osterbos 8 en Krienestraat 2. Ten behoeve van de categorie-indeling heeft verweerder gebruik gemaakt van de van de door de regio Noord- en Midden-Limburg opgestelde "Nota stankbeleid veehouderij".

2.4.2.    Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet stankemissie betrekt het bevoegd gezag bij beslissingen inzake de vergunning voor het oprichten of veranderen van een veehouderij die geheel of gedeeltelijk is gelegen in een landbouwontwikkelingsgebied, verwevingsgebied of een extensiveringsgebied met het primaat natuur waarvoor een reconstructieplan is bekendgemaakt, de stankhinder uitsluitend op de wijze die is aangegeven bij of krachtens de artikelen 3 tot en met 6 van deze wet.

   Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet stankemissie wordt een vergunning voor een veehouderij geweigerd, indien de afstand van de veehouderij tot een voor stank gevoelig object, behorend tot een van de categorieën I tot en met IV, dat niet tot de veehouderij behoort, minder bedraagt dan het aantal meters dat volgt uit de in de bijlage opgenomen berekeningsmethode.

2.4.3.    Niet in geschil is dat de veehouderij geheel of gedeeltelijk is gelegen in een landbouwontwikkelingsgebied, verwevingsgebied of een extensiveringsgebied met het primaat natuur waarvoor een reconstructieplan is bekendgemaakt. Verweerder is derhalve gehouden om de stankhinder uitsluitend te beoordelen op de wijze die is aangegeven bij of krachtens de artikelen 3 tot en met 6 van de Wet stankemissie.

2.4.4.    De Afdeling overweegt dat, nu in de Wet stankemissie niet is voorzien in een regeling om de stankhinder van een gedeelte van een veehouderij te beoordelen, bij de toetsing aan deze wet dient te worden gekeken naar de stankhinder van de gehele veehouderij.

   Het bij het bestreden besluit vergunde veebestand komt blijkens de stukken overeen met 6.820,4 mestvarkeneenheden. Uit de in de bijlage van de Wet stankemissie opgenomen berekeningsmethode volgt dat bij een dergelijk veebestand minimaal een afstand van 220 meter moet worden aangehouden tot relevante voor stank gevoelige categorie IV-objecten.

   In de directe omgeving van de inrichting is niet-agrarische bebouwing gelegen, maar deze is niet zodanig geconcentreerd dat zij aan het betreffende buitengebied een overwegende woon- of recreatiefunctie verleent als is vereist voor een categorie III-situatie. Gelet hierop heeft verweerder de relevante voor stank gevoelige objecten Osterbos 8 en Krienestraat 2 - wat van de gebruikte "Nota stankbeleid veehouderij" ook zij - terecht beschouwd als verspreid liggende niet-agrarische bebouwing behorend tot categorie IV als bedoeld in de Wet stankemissie.

   De afstand van de woningen Osterbos 8 en Krienestraat 2 tot het dichtstbijzijnde emissiepunt van de veehouderij bedraagt blijkens de stukken ongeveer 210 respectievelijk 187 meter, zodat niet wordt voldaan aan de minimaal in acht te nemen afstand van 220 meter die in dit geval volgt uit de in de bijlage van de Wet stankemissie opgenomen berekeningsmethode.

   Gezien het vorenstaande is het bestreden besluit in zoverre in strijd met artikel 3, eerste lid, van de Wet stankemissie.

2.5.    Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. In verband hiermee behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking.

2.6.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Meerlo-Wanssum van 9 januari 2006;

III.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Meerlo-Wanssum tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 681,07 (zegge: zeshonderdeenentachtig euro en zeven cent), waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Meerlo-Wanssum aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV.    gelast dat de gemeente Meerlo-Wanssum aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 138,00 (zegge: honderdachtendertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.M. van Angeren, Voorzitter, en mr. M. Oosting en mr. W. Sorgdrager, Leden, in tegenwoordigheid van mr. B.S. Jansen, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Angeren    w.g. Jansen

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 september 2006

399.