Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY8490

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-09-2006
Datum publicatie
20-09-2006
Zaaknummer
200508945/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 april 2005 heeft verweerder op verzoek van het college van burgemeester en wethouders van Maarssen (hierna: het college) krachtens de Wet geluidhinder voor 325 nog te bouwen woningen hogere waarden voor de geluidsbelasting vastgesteld ten behoeve van het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan "Maarssen-Zuid".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200508945/1.

Datum uitspraak: 20 september 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant sub 1], wonend te [woonplaats], en [appellanten sub 2], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 7 april 2005 heeft verweerder op verzoek van het college van burgemeester en wethouders van Maarssen (hierna: het college) krachtens de Wet geluidhinder voor 325 nog te bouwen woningen hogere waarden voor de geluidsbelasting vastgesteld ten behoeve van het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan "Maarssen-Zuid".

Bij besluit van 13 september 2005, verzonden op 16 september 2005, heeft verweerder - naar de Afdeling begrijpt - het hiertegen door appellanten gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard voor wat [appellant sub 1] aangaat en voor wat de andere appellanten betreft ongegrond.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 25 oktober 2005, bij de Raad van State ingekomen op 27 oktober 2005, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 22 november 2005.

Bij brief van 16 januari 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 19 april 2006 (hierna: het deskundigenbericht). Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek is een nadere stuk ontvangen van verweerder. Dit is aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 augustus 2006, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. M.F.C.L.C.M. Mooren, en verweerder, vertegenwoordigd door S.W.A. Kreuger en A.A.M. Bakker, ambtenaren bij de provincie, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord het college, vertegenwoordigd door P.E.H. Swart, ambtenaar bij de gemeente.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht dat de bij deze wetten doorgevoerde wetswijzigingen niet van toepassing zijn op het geding.

2.2.    Op grond van artikel 146 van de Wet geluidhinder en artikel 20.13 van de Wet milieubeheer in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van het nemen van het besluit van 7 april 2005, kan tegen dat besluit ten aanzien waarvan afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing is, uitsluitend door een belanghebbende bezwaar worden gemaakt en vervolgens beroep worden ingesteld.

   Artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat onder belanghebbende wordt verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.2.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 16 augustus 2006 in zaak no. 200510321/1 kan naast degene die om vaststelling van hogere waarden voor de geluidbelasting heeft verzocht, in beginsel uitsluitend de (toekomstige) eigenaar, een (andere) zakelijk gerechtigde of een gebruiker van een woning waarvoor de hogere grenswaarde is vastgesteld, als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht worden aangemerkt.

   Uit de stukken noch het verhandelde ter zitting is gebleken dat appellant [appellant sub 1] (toekomstig) eigenaar, (ander) zakelijk gerechtigde of gebruiker is van één of meerdere van de in het besluit van 7 april 2005 genoemde nieuw te bouwen woningen. Evenmin is gebleken dat hij anderszins daarbij een rechtstreeks betrokken belang heeft. [Appellant sub 1] is dan ook geen belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht bij dat besluit. Het bezwaar tegen het besluit van 7 april 2005 voor zover mede door hem gemaakt is daarom door verweerder terecht niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het bestreden besluit voor zover door hem ingesteld kan daarom niet slagen.

   [Appellanten sub 2] zijn eigenaar van het perceel [locatie sub 2]. Bij het besluit van 7 april 2005 is een hogere grenswaarde vastgesteld voor één van de twee - na toepassing van de in het ontwerp-bestemmingsplan "Maarssen-Zuid" opgenomen bevoegdheid om de bestemming van dit perceel te wijzigen - nieuw te bouwen woningen op hun perceel. Derhalve zijn de belangen van appellanten [appellanten sub 2] wel en alleen in zoverre rechtstreeks bij het besluit van 7 april 2005 betrokken.

2.3.    Appellanten [appellanten sub 2] betwisten de juistheid van de berekende geluidsbelasting van 52 dB(A) vanwege het wegverkeer ter hoogte van de nieuw te bouwen woning op hun perceel. Volgens hen is onvoldoende rekening gehouden met de ontwikkelingen in de komende 10 jaar. Zij stellen dat het bestreden besluit niet uitsluitend gebaseerd had mogen worden op het advies van de adviescommissie Algemene wet bestuursrecht voor Water en Milieu van de provincie Utrecht (hierna: de adviescommissie) van 26 augustus 2005.

2.3.1.    Verweerder stelt zich op het standpunt dat de adviescommissie voldoet aan artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht. Hij ziet geen grond de uitkomsten van het akoestisch onderzoek in twijfel te trekken nu het is uitgevoerd in overeenstemming met het Reken- en meetvoorschrift wegverkeerslawaai 2002 (hierna: het RMW 2002).

2.3.2.    Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het RMW 2002 wordt bij de bepaling van het equivalente geluidsniveau vanwege een weg rekening gehouden met:

a. de maatgevende verkeersintensiteiten van de onderscheidene categorieën motorvoertuigen;

b. de verkeerssnelheden van de onderscheidene categorieën motorvoertuigen;

c. de geluidemissies van de onderscheidene categorieën motorvoertuigen, bepaald op een wegdek van dicht asfaltbeton;

d. de invloed van het wegdektype op de geluidemissie;

e. de verzwakking van het geluid ten gevolge van de geometrische uitbreiding van het geluidsveld;

f. de verzwakking van het geluid door absorptie van geluidsenergie in de atmosfeer;

g. de invloed van de bodem op de geluidsoverdracht;

h. de meteorologische invloeden op de geluidsoverdracht.

   Ingevolge artikel 3, eerste lid, van het RMW 2002 wordt het equivalente geluidsniveau bepaald volgens de in bijlage II bij deze regeling beschreven standaardrekenmethode II.

   Ingevolge artikel 4 van het RMW 2002 wordt, bij een van dicht asfaltbeton afwijkend wegdektype, het effect van het afwijkend wegdektype op de geluidemissie bepaald overeenkomstig de in bijlage V bij deze regeling beschreven methode.

   Ingevolge artikel 7, eerste lid, van het RMW 2002 worden de resultaten van het akoestisch onderzoek ter bepaling van het equivalente geluidsniveau, vastgelegd in een overeenkomstig bijlage IV bij deze regeling ingericht rapport.

2.3.3.    Het bij het bestreden besluit gehandhaafde besluit van 7 april 2005 is onder meer gebaseerd op het rapport "Akoestisch onderzoek en luchtkwaliteit onderzoek" uit mei 2004 opgesteld door Kuiper Compagnons (kenmerk 253.203.10). Het deskundigenbericht vermeldt dat bij de totstandkoming van dit rapport gebruik is gemaakt van in artikel 3, eerste lid, van het RMW 2002 voorgeschreven standaardrekenmethode II, dat de akoestisch relevante situatie in de directe omgeving van de nieuw te bouwen woning op het perceel [locatie sub 2] en de daarbinnen gesitueerde relevante bronnen gedetailleerd zijn gemodelleerd, dat ook de overige uitgangspunten zijn beschreven en dat het akoestisch onderzoek op verifieerbare wijze is uitgevoerd. Omdat 2015 als peiljaar is gehanteerd en uit het gekozen verkeersmodel een goede nauwkeurigheid van de geprognosticeerde verkeersintensiteit kan worden verkregen, is blijkens het deskundigenbericht voldoende rekening gehouden met de invloed van toekomstige ontwikkelingen van het wegverkeer op de geluidsbelasting ter plaatse. De bezwaren van [appellanten sub 2] treffen in zoverre dan ook geen doel.

   Uit het deskundigenbericht blijkt voorts dat bij het akoestisch onderzoek gebruik is gemaakt van de mogelijkheid om de invloed van het voorgenomen gebruik van een van dicht asfaltbeton afwijkend wegdektype in de berekening te verwerken. Daarbij is echter niet zoals voorgeschreven in artikel 4 van het RMW 2002 het effect van dat afwijkend wegdektype op de geluidemissie bepaald overeenkomstig de in bijlage V bij deze regeling beschreven methode. Dit gebrek aan het besluit van 7 april 2005 is niet hersteld bij het bestreden besluit. In zoverre klagen appellanten [appellanten sub 2] dan ook terecht dat verweerder niet had mogen volstaan met een verwijzing naar het advies van de adviescommissie van 26 augustus 2005.

   Het bestreden besluit is in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en evenmin voldoende draagkrachtig gemotiveerd.

2.4.    [appellanten sub 2] voeren aan dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar alternatieve maatregelen om de geluidbelasting te verminderen.

2.4.1.    Verweerder is van mening dat tegen alternatieve maatregelen overwegende bezwaren van financiële en landschappelijke aard bestaan. Het plaatsen van een geluidscherm acht hij, gelet op de daarmee gemoeide kosten, niet doelmatig.

2.4.2.    In het door het college ingediende verzoek om vaststelling van hogere grenswaarden van 9 februari 2005 zijn de mogelijke maatregelen om de geluidbelasting tot een lagere waarde te verminderen dan de verzochte hogere waarden, inclusief de daaraan verbonden kosten, beschreven. Een geluidsscherm langs de N230 zou een hoogte van 2 meter moeten hebben en 750 meter lang moeten zijn, terwijl de N230 zelf reeds hoog ligt ten opzicht van het maaiveld. Verder zou dit geluidsscherm technisch moeilijk te bevestigen zijn op de brug over het Amsterdam-Rijnkanaal (daarvan zou onder meer de constructie moeten worden verzwaard) en door reflectie een verhoging van de geluidbelasting kunnen veroorzaken bij de bestaande woningen in de wijk Zandweg-Oostwaard. De kosten van het geluidsscherm zouden ongeveer twee keer zo hoog uitvallen als het aanbrengen van toereikend geluidsarm asfalt op de N230.

   Mede gelet op het deskundigenbericht, ziet de Afdeling in hetgeen [appellanten sub 2] aanvoeren geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een geluidsscherm, gegeven ook de ligging van het perceel [locatie sub 2] buiten de bebouwde kom, en de hoge kosten voor het plaatsen daarvan, afstuit op bezwaren van financiële en landschappelijke aard. Evenmin bestaan in hetgeen appellanten [appellanten sub 2] aanvoeren aanknopingspunten voor het oordeel dat onvoldoende onderzoek is verricht naar alternatieve maatregelen.

   Deze beroepsgrond van [appellanten sub 2] faalt.

2.5.    Het beroep van [appellanten sub 2] is gegrond. Het bestreden besluit, voor zover daarbij hun bezwaar ongegrond is verklaard, dient te worden vernietigd.

   De Afdeling zal evenwel bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Daartoe wordt overwogen dat na het nemen van het bestreden besluit op 3 november 2005 het rapport "PCG aan NoBelpave op de N230 bij Maarsen" is opgesteld door Van Keulen Advies B.V. (kenmerk 05ve10.05r093). Niet is bestreden dat daarbij wel in overeenstemming met artikel 4 van het RMW 2002 het effect van het afwijkend wegdektype op de geluidemissie is bepaald overeenkomstig de in bijlage V bij deze regeling beschreven methode.

   Het beroep voor zover ingesteld door [appellant sub 1] is ongegrond.

2.6.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep voor zover ingesteld door [appellanten sub 2] gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Utrecht van 13 september 2005, kenmerk 2005WEM003607i, voor zover daarbij het bezwaar van [appellanten sub 2] ongegrond is verklaard;

III.    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

IV.    verklaart het beroep voor zover ingesteld door van [appellant sub 1] ongegrond;

V.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Utrecht tot vergoeding van bij [appellanten sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Utrecht aan [appellanten sub 2] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI.    gelast dat de provincie Utrecht aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 138,00 (zegge: honderdachtendertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Voorzitter, en mr. Ch.W. Mouton en mr. W. Sorgdrager, Leden, in tegenwoordigheid van mr. F.T.T. van der Heijde, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd    w.g. Van der Heijde

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 september 2006

349.