Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY8113

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-09-2006
Datum publicatie
13-09-2006
Zaaknummer
200601023/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 september 2003 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel De Baarsjes van Amsterdam (hierna: het dagelijks bestuur) de kerk van de Rooms Katholieke Parochie Onze Lieve Vrouw van Altijddurende Bijstand (hierna: de Chassékerk) met bijbehorende pastorie op de lijst van beschermde gemeentelijke monumenten geplaatst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200601023/1.

Datum uitspraak: 13 september 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Rooms Katholieke Parochie van de Heilige Drie Eenheid, gevestigd te Amsterdam,

appellante,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/3545 van de rechtbank Amsterdam van 22 december 2005 in het geding tussen:

appellante

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel De Baarsjes van Amsterdam.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 23 september 2003 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel De Baarsjes van Amsterdam (hierna: het dagelijks bestuur) de kerk van de Rooms Katholieke Parochie Onze Lieve Vrouw van Altijddurende Bijstand (hierna: de Chassékerk) met bijbehorende pastorie op de lijst van beschermde gemeentelijke monumenten geplaatst.

Bij besluit van 15 juni 2004 heeft het dagelijks bestuur het daartegen door de rechtsvoorganger van appellante, de Rooms Katholieke Parochie Onze Lieve Vrouw van Altijddurende Bijstand (hierna: appellante) gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 december 2005, verzonden op 30 december 2005, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat het dagelijks bestuur een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 6 februari 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 2 maart 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij besluit van 28 februari 2006 heeft het dagelijks bestuur, opnieuw beslissend, het door appellante tegen het besluit van 23 september 2003 gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en dat besluit, onder verbetering van de motivering, gehandhaafd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 10 april 2006 beroep ingesteld bij de rechtbank. Het beroepschrift is door de rechtbank doorgezonden aan de Afdeling. De gronden van dit beroep zijn door appellante aangevuld bij brief van 18 mei 2006.

Bij brief van 5 juli 2006 heeft het dagelijks bestuur van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 juli 2006, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. M.F.A. Dankbaar, advocaat te Haarlem, en E.A.C.A. Adriaansen en J.T. Mesdag, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. P. Lans, ambtenaar van het stadsdeel De Baarsjes, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de in 1996 in werking getreden Monumentenverordening De Baarsjes (hierna: de Monumentenverordening) kan het dagelijks bestuur al dan niet op aanvraag van belanghebbenden besluiten onroerende monumenten als beschermd gemeentelijk monument op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen.

   Ingevolge het tweede lid van dit artikel besluit het dagelijks bestuur over plaatsing van onroerende monumenten op de gemeentelijke monumentenlijst, nadat de Amsterdamse Raad voor de Monumentenzorg (hierna: de ARM) in de gelegenheid is gesteld advies uit te brengen en de vaste commissie van advies en bijstand op het gebied van de monumentenzorg alsmede, voor zover mogelijk, de eigenaar en de zakelijk gerechtigde zijn gehoord.

   Ingevolge artikel 3 van de verordening wordt bij de toepassing van deze verordening rekening gehouden met het gebruik van het monument.

2.2.    De rechtbank heeft de beslissing op bezwaar van 15 juni 2004 vernietigd, omdat het dagelijks bestuur zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de belangen van appellante in het kader van de aanwijzing tot gemeentelijk monument geen rol spelen en deze beslissing aldus onzorgvuldig heeft voorbereid.

Het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank van 22 december 2005.

2.3.    Bij besluit van 4 februari 2003 heeft het dagelijks bestuur het verzoek de Chassékerk op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen afgewezen. Het dagelijks bestuur heeft dit besluit gebaseerd op het negatieve advies van het Bureau Monumenten en Archeologie (hierna: het BMA) van de gemeente Amsterdam van 4 november 2002; het BMA heeft overwogen dat de Chassékerk weliswaar vanuit architectuur- en cultuurhistorisch, alsmede uit stedenbouwkundig oogpunt betekenis heeft, doch dat deze kwaliteiten naar zijn oordeel niet van een zodanige aard, noch dermate prominent aanwezig zijn dat zij aanwijzing van de Chassékerk als gemeentelijk monument rechtvaardigen. Het dagelijks bestuur heeft het naar aanleiding van het verzoek eveneens uitgebrachte positieve advies van de ARM van 19 december 2002 niet gevolgd.

   Bij besluit van 22 april 2003 heeft het dagelijks bestuur het besluit van 4 februari 2003, waartegen door derden tijdig bezwaar was gemaakt, hangende de bezwaarprocedure, ingetrokken.

   Bij besluit van 23 september 2003 heeft het dagelijks bestuur besloten de Chassékerk alsnog op de gemeentelijke lijst van monumenten te plaatsen. Als motivering daarvoor wordt verwezen naar het advies van de ARM van 19 december 2002 en naar, niet met name genoemde, nadere informatie welke door de ARM en het Cuypersgenootschap zou zijn verschaft met betrekking tot de monumentwaardigheid van de Chassékerk tijdens een op 16 juni 2003 over die kerk gehouden inspraakavond en in de Commissievergadering die vervolgens op 17 juni 2003 over de positie van de kerk heeft plaatsgevonden. Voorts wordt gewezen op de omstandigheid dat een "grote meerderheid in de buurt" veel waarde hecht aan het behoud van de kerk.

   In de beslissing op bezwaar van 15 juni 2004 heeft het dagelijks bestuur, onder overneming van het - ongedateerde - advies van de bezwaarschriftencommissie, het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. In genoemd advies heeft de bezwaarschriftencommissie, voor zover hier van belang, vermeld dat zij, gelet op de inhoud van de adviezen van de ARM en het BMA, van oordeel is dat de cultuurhistorische waarde van de Chassékerk van een dusdanig gewicht is dat dit plaatsing op de gemeentelijke monumentenlijst rechtvaardigt. Dat het BMA aan de andere waarden een lager oordeel toekent dan de ARM en op die gronden tot een negatief advies komt, staat daar volgens de bezwaarschriftencommissie niet aan in de weg.

2.4.    Appellante beoogt met het hoger beroep een verdergaande vernietiging van het besluit van 15 juni 2004 te bewerkstelligen. In dit verband heeft appellante er in de eerste plaats op gewezen dat, mede in aanmerking genomen de eerdere afwijzing van het verzoek tot plaatsing op de gemeentelijke monumentenlijst, de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het dagelijks bestuur het advies van de ARM aan zijn besluit dit verzoek alsnog toe te wijzen ten grondslag heeft mogen leggen.

2.4.1.    Dit betoog slaagt. Vooropgesteld zij dat het een bestuursorgaan vrij staat op een eerder genomen besluit terug te komen, zeker wanneer zoals hier het geval is dat besluit nog niet in rechte onaantastbaar is. Strijd met het vertrouwens- en/of rechtszekerheidsbeginsel brengt dat op zich niet mee, evenmin kan in dit verband gesproken worden van willekeur. Wel geldt bij een dergelijk terugkomen allereerst de eis dat daarvoor gegronde redenen aanwezig dienen te zijn en dat die redenen in het desbetreffende besluit ook duidelijk naar voren moeten worden gebracht. Aan deze eis is niet voldaan. Weliswaar wordt melding gemaakt van nadere informatie van de zijde van de ARM en het Cuypersgenootschap met betrekking tot de monumentwaardigheid van de kerk. Waaruit die informatie zou hebben bestaan wordt echter niet vermeld. De verwijzing naar het advies van de ARM van 19 december 2002, dat in het kader van de eerdere besluitvorming niet van voldoende gewicht werd geacht om tot een plaatsing op de gemeentelijke monumentenlijst te komen, kan niet als een voldoende motivering worden aangemerkt om thans wel tot die plaatsing over te gaan. Voor het vragen van een nader schriftelijk deskundigenadvies is geen aanleiding gezien, terwijl dat, gelet op de voorgeschiedenis en de tegenstrijdige conclusies van de reeds uitgebrachte adviezen, toch voor de hand zou hebben gelegen. Dat is gebleken dat een "grote meerderheid in de buurt" veel waarde hecht aan het behoud van de kerk is - wat daarvan ook zij - een argument dat in het kader van de beoordeling van de monumentwaardigheid van de kerk niet relevant is.

   Onder deze omstandigheden kan van een zorgvuldige voorbereiding en een deugdelijke motivering van het in bezwaar gehandhaafde besluit tot plaatsing van de kerk op de gemeentelijke monumentenlijst niet worden gesproken.

2.4.2.    Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank het besluit van 15 juni 2004 weliswaar terecht vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb, doch heeft zij daarbij ten onrechte deze vernietiging niet mede gebaseerd op de hierboven vermelde aan de besluitvorming klevende gebreken.

2.5.    Dat bij de besluitvorming, zoals appellante voorts heeft betoogd, tevens sprake zou zijn geweest van détournement de pouvoir is door appellante niet aannemelijk gemaakt. Uit de stukken kan niet anders worden opgemaakt dan dat voor het dagelijks bestuur de vraag of de kerk voldoende waarde heeft om als monument te worden aangewezen steeds centraal heeft gestaan.

2.6.    Het hoger beroep, voor zover dit is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank van 22 december 2005, is gegrond. De uitspraak dient, met verbetering van gronden, te worden bevestigd.

Het beroep tegen het besluit van 28 februari 2006.

2.7.    In het bestreden besluit van 28 februari 2006 heeft het dagelijks bestuur onder verbetering van de motivering het besluit van 23 september 2003 gehandhaafd. Het dagelijks bestuur heeft dit besluit nader gemotiveerd door erop te wijzen dat gebleken is dat indien de Chassékerk aan de eredienst zou worden onttrokken, een hergebruik mogelijk zal kunnen zijn. Hierdoor kan volgens het dagelijks bestuur niet worden uitgesloten dat er ook financieel meer armslag voor appellante mogelijk zou zijn. Derhalve kan aan de belangen bij het handhaven van het besluit tot plaatsen van de Chassékerk op de gemeentelijke monumentenlijst een grotere waarde worden toegekend dan aan de belangen bij het niet handhaven van dit besluit.

2.8.    Appellante heeft in dit verband aangevoerd dat een duurzaam exploitabele en waardige herbestemming van de Chassékerk niet mogelijk is en dat het dagelijks bestuur door de aanwijzing ervan tot gemeentelijk monument onvoldoende rekening heeft gehouden met de financiële belangen van appellante.

2.9.    Het dagelijks bestuur heeft voor wat betreft het punt van de monumentwaardigheid van de kerk aan het bestreden besluit het ongedateerde advies van de bezwaarschriftencommissie ten grondslag gelegd dat ook reeds aan het besluit van 15 juni 2004 ten grondslag was gelegd. Aan het bestreden besluit kleven voor wat betreft dit punt dan ook dezelfde, hiervoor geschetste, gebreken als aan het besluit van 15 juni 2004. Bovendien heeft het dagelijks bestuur, naar ter zitting door de vertegenwoordiger ook is erkend, geen aandacht besteed aan de nadelige financiële consequenties die herbestemming, zo al mogelijk, van het onderhavige kerkgebouw voor appellante heeft en is het besluit in dit opzicht derhalve onvoldoende gemotiveerd.

2.10.    Reeds gelet hierop is het beroep tegen het besluit van 28 februari 2006 evenzeer gegrond. Dit besluit dient te worden vernietigd. Het dagelijks bestuur dient een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

2.11.    Het dagelijks bestuur dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    bevestigt de aangevallen uitspraak met verbetering van de gronden waarop deze rust;

III.    verklaart het beroep tegen het besluit van het dagelijks bestuur van het stadsdeel De Baarsjes van Amsterdam van 28 februari 2006, kenmerk 06/BO0017, gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van 28 februari 2006;

V.    veroordeelt het dagelijks bestuur van het stadsdeel De Baarsjes tot vergoeding van bij appellante in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 665,07 (zegge: zeshonderdvijfenzestig euro zeven), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door het stadsdeel De Baarsjes (gemeente Amsterdam) aan appellante onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI.    gelast dat het stadsdeel De Baarsjes (gemeente Amsterdam) aan appellante het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 414,00 (zegge: vierhonderdveertien euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. S.F.M. Wortmann, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek    w.g. Groenendijk

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 september 2006

164-420.