Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY8110

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-09-2006
Datum publicatie
13-09-2006
Zaaknummer
200506637/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij afzonderlijke besluiten van 27 februari 2004 heeft het dagelijks bestuur van de deelgemeente Hoek van Holland (hierna: het dagelijks bestuur) appellanten, onder oplegging van een dwangsom, gelast bouwkundige voorzieningen te treffen aan hun recreatieverblijf of een gekoppeld rookmeldsysteem te plaatsen, dan wel het gebruik van de logiesfunctie te staken en gestaakt te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2006/225
Module Bouwregelgeving 2006/694
Module Vastgoed en wonen 2006/539

Uitspraak

200506637/1.

Datum uitspraak: 13 september 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], te [plaats]

tegen de uitspraak in zaak no. GEMWT 04/3271 van de rechtbank Rotterdam van 20 juni 2005 in het geding tussen:

appellanten

en

het dagelijks bestuur van de deelgemeente Hoek van Holland van de gemeente Rotterdam.

1.    Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 27 februari 2004 heeft het dagelijks bestuur van de deelgemeente Hoek van Holland (hierna: het dagelijks bestuur) appellanten, onder oplegging van een dwangsom, gelast bouwkundige voorzieningen te treffen aan hun recreatieverblijf of een gekoppeld rookmeldsysteem te plaatsen, dan wel het gebruik van de logiesfunctie te staken en gestaakt te houden.

Bij besluit van 24 mei 2004 heeft het dagelijks bestuur, voor zover thans van belang, het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 juni 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de stichting "Rotterdam aan Zee", namens appellanten, bij brief van 28 juli 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 23 augustus 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 25 april 2006 heeft het dagelijks bestuur van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 mei 2006, waar appellanten, bijgestaan door mr. I. Correljé, advocaat te Hoek van Holland, en ir. P.H.E. van de Leur, werkzaam bij het expertisecentrum Regelgeving Bouw, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. S.G.J. Klok en R.A. Rijlaarsdam, beiden ambtenaar van de gemeente. Voort is namens het dagelijks bestuur verschenen ir. R.E.M. van Herpen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Woningwet kunnen burgemeester en wethouders, indien een gebouw, niet zijnde een woning, woonkeet of woonwagen, wegens strijd met de in artikel 2, eerste lid, bedoelde voorschriften of uit anderen hoofde noodzakelijk voorzieningen behoeft dan wel wegens strijd met de in artikel 2, tweede lid, bedoelde voorschriften voorzieningen behoeft, degene die als eigenaar of uit anderen hoofde tot het treffen van die voorzieningen bevoegd is, aanschrijven binnen een door hen te bepalen termijn de door hen aan te geven voorzieningen te treffen.    

   Ingevolge artikel 2.110, eerste lid, van het Bouwbesluit 2003, zoals dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit gold, (hierna: het Bouwbesluit), is een bestaand bouwwerk zodanig dat de uitbreiding van brand voldoende wordt beperkt.

   Ingevolge artikel 2.111, eerste lid, voor zover hier van belang, ligt een besloten ruimte van een gebouw in een brandcompartiment.

   Ingevolge artikel 2.113, eerste lid, voor zover hier van belang, is de volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment naar een ander brandcompartiment, niet lager dan 20 minuten.

   Ingevolge artikel 2.121, eerste lid, ligt een al dan niet gemeenschappelijke verblijfsruimte in een subbrandcompartiment.

   Ingevolge het tweede lid van het vorenbedoelde artikel, ligt een subbrandcompartiment in een brandcompartiment.

   De Afdeling stelt vast dat de voorzieningen waartoe is aangeschreven, als oogmerk hebben dat elk recreatieverblijf op zichzelf voldoet aan de in het vorenbedoelde artikel 2.110 gestelde functionele eis. Aldus strekt de aanschrijving ertoe dat elk recreatieverblijf afzonderlijk in een brandcompartiment ligt. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Aan de vraag die partijen in hoger beroep met name verdeeld houdt, namelijk of de afzonderlijke recreatieverblijven als subbrandcompartimenten als bedoeld in artikel 2.121 kunnen worden aangemerkt, wordt derhalve niet toegekomen.

2.2.    Gelet op het voorgaande wordt het hoger beroep aldus opgevat dat het dagelijks bestuur appellanten ten onrechte heeft aangeschreven tot het treffen van bouwkundige voorzieningen, die ertoe strekken dat ten aanzien van de als afzonderlijke brandcompartimenten aangemerkte recreatieverblijven een weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag wordt bereikt die niet lager is dan 20 minuten.

2.2.1.    Dat, zoals appellanten naar voren hebben gebracht, voor de recreatieverblijven een bouwvergunning is verleend, doet niet af aan de uit artikel 17, eerste lid, van de Woningwet voortvloeiende bevoegdheid van het dagelijks bestuur om aan te schrijven tot het treffen van de voorzieningen. Nu is aangeschreven met het oogmerk om te voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit voor bestaande bouw stelt, valt evenmin in te zien dat, zoals appellanten betogen, in strijd met de uitgangspunten van dat besluit onvoldoende gewicht is toegekend aan verworven rechten.

2.2.2.    Niet in geschil is dat een recreatieverblijf een logiesfunctie zoals bedoeld in artikel 2.110 van het Bouwbesluit heeft. Uit artikel 2.111, eerste lid, van het Bouwbesluit volgt dat zo'n verblijf, als afzonderlijk gebouw met een logiesfunctie, in een brandcompartiment ligt.

2.2.3.    Het betoog van appellanten dat het dagelijks bestuur niet bevoegd was om aan te schrijven tot het treffen van voorzieningen aan de bij de recreatieverblijven behorende bergingen faalt. Uit het Bouwbesluit volgt niet dat een berging niet kan worden aangemerkt als onderdeel van de gebruiksfunctie ten dienste waarvan deze staat. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat blijkens de toelichting op dat besluit een gebruiksfunctie alles omvat waarop die gebruiksfunctie is aangewezen (Stb 2001, 410, p. 177). Gelet hierop is er geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het dagelijks bestuur de bij de recreatieverblijven behorende bergingen niet heeft kunnen aanmerken als behorend tot de logiesfunctie, zodat ook die onderdeel uitmaken van het brandcompartiment.

2.2.4.    Aan de aanschrijvingen ligt een plaatselijk onderzoek van de gemeentelijke brandweer en van de afdeling Bouwtoezicht van de Dienst Stedenbouw en Volkshuisvesting van de gemeente Rotterdam ten grondslag. In laatstbedoeld onderzoek is elk recreatieverblijf afzonderlijk beoordeeld op de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag. De aanschrijvingen steunen verder op de verklaring van het hoofd preventie van de brandweer van de gemeente Rotterdam dat op grond van kennis en expertise gesteld kan en mag worden dat een afstand van 3 meter tussen de recreatieverblijven gelijk staat aan een weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van 20 minuten.

   Mede in aanmerking genomen de betrokkenheid van de gemeentelijke brandweer, die als terzake deskundig moet worden aangemerkt, is er geen grond voor het oordeel dat het dagelijks bestuur er op basis van deze gegevens niet van heeft kunnen uitgaan dat voor de recreatieverblijven waarop de aanschrijvingen betrekking hebben niet is voldaan aan het vereiste dat de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment naar een ander brandcompartiment niet lager is dan 20 minuten, zodat evenmin is voldaan aan de in artikel 2.110, eerste lid, van het Bouwbesluit gestelde functionele eis. De door appellanten overgelegde adviezen van TNO van 15 maart 2004, 21 juni 2004, 26 mei 2005 en 27 juni 2005 bieden onvoldoende aanknopingspunten voor een ander oordeel. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat uit die adviezen niet kan worden afgeleid dat - in tegenstelling tot het uitgangspunt van de aanschrijvingen - een weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag wordt bereikt die zodanig is dat de verspreiding van brand in voldoende mate wordt beperkt. Evenmin is aannemelijk geworden dat wanneer de recreatieverblijven niet alleen aan de buitenzijde, maar ook aan de binnenzijde zouden zijn geïnspecteerd, de conclusie zou moeten worden getrokken dat aan de vorenbedoelde eis wordt voldaan.

   Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat het dagelijks bestuur, in verband met het kunnen voldoen aan de functionele eis van artikel 2.110, appellanten in redelijkheid heeft kunnen aanschrijven tot het treffen van de bouwkundige voorzieningen.

2.3.    Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Woningwet, voor zover thans van belang, laten burgemeester en wethouders, indien zij van oordeel zijn dat de kosten, verbonden aan de uitvoering van een aanschrijving, niet in redelijke verhouding staan tot de daarvan te verwachten opbrengsten en de aanschrijving betrekking heeft op een niet tot bewoning bestemd gebouw, bij die aanschrijving de keuze tussen enerzijds het treffen van de voorzieningen en anderzijds het binnen een door hen in de aanschrijving te bepalen termijn staken of doen staken van het gebruik, in verband waarmede de voorzieningen worden gelast.

   Anders dan appellanten betogen heeft het dagelijks bestuur, op basis van dit artikellid, bij de aanschrijving een keuze kunnen laten tussen het treffen van de bouwkundige voorzieningen en het staken van het gebruik van het recreatieverblijf voor nachtverblijf. Daartoe wordt overwogen dat, anders dan appellanten kennelijk veronderstellen, een recreatieverblijf moet worden aangemerkt als een niet voor bewoning bestemd gebouw.

2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, met verbetering van de gronden waarop die rust.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

2.6.    Evenmin bestaat aanleiding voor het op artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht gebaseerde verzoek van appellanten om schadevergoeding, aangezien het hoger beroep ongegrond is.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.M. van Angeren, Voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E.E. van der Vlis, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Angeren    w.g. Van der Vlis

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 september 2006

275.