Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY8106

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-09-2006
Datum publicatie
13-09-2006
Zaaknummer
200601556/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 mei 2005 heeft verweerder appellanten, onder oplegging van een dwangsom van € 800,00 per week met een maximum van € 8000,00 gelast: 1.    binnen twee weken na het in werking treden van het besluit, de overtreding van artikel 12 van de Natuurbeschermingswet ongedaan te maken door de keet uit het beschermd natuurmonument 'Gorzen tussen Oostersche laagjes en Haringvlietbrug' te verwijderen en verwijderd te houden; 2.    de overtreding van artikel 12 van de Natuurbeschermingswet niet meer te herhalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200601556/1.

Datum uitspraak: 13 september 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], allen wonend te [woonplaats],

en

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 18 mei 2005 heeft verweerder appellanten, onder oplegging van een dwangsom van € 800,00 per week met een maximum van € 8000,00 gelast: 1.    binnen twee weken na het in werking treden van het besluit, de overtreding van artikel 12 van de Natuurbeschermingswet ongedaan te maken door de keet uit het beschermd natuurmonument 'Gorzen tussen Oostersche laagjes en Haringvlietbrug' te verwijderen en verwijderd te houden; 2.    de overtreding van artikel 12 van de Natuurbeschermingswet niet meer te herhalen.

Bij besluit van 17 januari 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft verweerder het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 24 februari 2006, bij de Raad van State ingekomen op 27 februari 2006, beroep ingesteld.

Bij brief van 1 mei 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn van appellanten nadere stukken ontvangen. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 augustus 2006, waar [gemachtigden], in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M. Nagel, ambtenaar van het ministerie, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellanten beogen de in geschil zijnde keet buiten het beschermde natuurgebied te plaatsen. Het geschil betreft dan ook enkel de ligging van de grens van het beschermd natuurmonument.

   Gelet op de bij het besluit tot aanwijzing van het gebied 'Gorzen tussen Oostersche laagjes en Haringvlietbrug' als beschermd natuurmonument behorende kaart, kan twijfel rijzen over de nauwkeurige begrenzing van het beschermd natuurmonument.

   Ter zitting is vast komen te staan dat verweerder geen dwangsommen heeft ingevorderd en dit vanwege de verjaring van artikel 5:35 van de Algemene wet bestuursrecht voor 2005 ook niet meer kan doen. Tevens heeft verweerder gesteld dat ook in de toekomst geen actie meer ondernomen zal worden om dwangsommen in te vorderen. Voorts is niet in geschil dat de keet thans buiten het beschermd natuurmonument staat en is ter zitting gebleken dat appellanten voornemens zijn om de keet ook in de toekomst buiten het beschermd natuurmonument, waarvan de vermoedelijke grens is aangegeven met een afrastering, te plaatsen. Gelet hierop bestaat bij appellanten geen procesbelang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit. Het beroep moet derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard.

Proceskosten

2.2.    Zoals de Afdeling ter zitting heeft toegelicht, ziet zij in de gegeven omstandigheden aanleiding om verweerder op na te melden wijze in de proceskosten te veroordelen.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

II.    veroordeelt de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) aan appellanten onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Troost, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel    w.g. Troost

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 september 2006

234-528.