Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY8102

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-09-2006
Datum publicatie
13-09-2006
Zaaknummer
200601488/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 januari 2006 heeft verweerder aan [vergunninghouders] een vergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een fok- en vleesvarkenshouderij gelegen op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 13 januari 2006 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200601488/1.

Datum uitspraak: 13 september 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting "Stichting Werkgroep Behoud de Peel" en de stichting "Stichting Brabantse Milieufederatie", respectievelijk gevestigd te Meijel en Tilburg,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Asten,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 3 januari 2006 heeft verweerder aan [vergunninghouders] een vergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een fok- en vleesvarkenshouderij gelegen op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 13 januari 2006 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 22 februari 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld.

Bij brief van 31 maart 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 augustus 2006, waar appellanten, vertegenwoordigd door W.M.M. van Opbergen, en verweerder, vertegenwoordigd door T.J. Jeukens, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts zijn vergunninghouders als partij gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat de bij deze wetten doorgevoerde wetswijzigingen niet van toepassing zijn op het huidige geding.

2.2.    De bij het bestreden besluit krachtens de Wet milieubeheer verleende revisievergunning heeft betrekking op het houden van 1.664 vleesvarkens, 60 kraamzeugen, 172 dragende/guste zeugen, 816 biggen en 6 beren.

2.3.    Appellanten voeren aan dat verweerder heeft miskend dat de inrichting valt onder de werkingssfeer van de Richtlijn 96/61/EG van de Raad van de Europese Unie van 24 september 1996 inzake de geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (hierna: de Richtlijn). Onder verwijzing naar bijlage I, onder 2, van de Richtlijn, betogen zij dat bij de beantwoording van de vraag of de drempelwaarden van bijlage I, onder 6.6, van de Richtlijn worden overschreden, de aantallen van de verschillende diersoorten die in de inrichting mogen worden gehouden, respectievelijk in totaal 1.664 vleesvarkens en 232 zeugen, (procentueel) bij elkaar moeten worden opgeteld.

2.4.    Ingevolge artikel 1 van de Richtlijn, voor zover hier van belang, heeft deze richtlijn de geïntegreerde preventie en beperking van verontreiniging door de in bijlage I genoemde activiteiten ten doel.

   In bijlage I, onder 2, van de Richtlijn wordt gesteld:

"De hieronder genoemde drempelwaarden hebben in het algemeen betrekking op de productiecapaciteit of op het vermogen. Wanneer een exploitant in dezelfde installatie of op dezelfde plaats verscheidene activiteiten van dezelfde rubriek verricht, worden de capaciteiten van de activiteiten bij elkaar opgeteld".

   In deze bijlage worden onder 6.6 genoemd installaties voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij met meer dan:

a) 40.000 plaatsen voor pluimvee;

b) 2.000 plaatsen voor mestvarkens (van meer dan 30 kg); of

c) 750 plaatsen voor zeugen.

2.5.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 3 mei 2006 in zaak no. 200508099/1 volgt uit het stelsel van de Richtlijn dat het houden van mestvarkens enerzijds en het houden van zeugen anderzijds te onderscheiden activiteiten zijn die behoren tot respectievelijk de categorie genoemd in bijlage I, onder 6.6, aanhef en onder b, van de Richtlijn en de categorie genoemd in bijlage I, onder 6.6, aanhef en onder c, van de Richtlijn. Uit de bewoordingen van bijlage I, onder 6.6, aanhef en onder a, b en c, van de Richtlijn, onder meer uit het gebruik van het woord "of", volgt naar het oordeel van de Afdeling verder dat, bij de beoordeling van de vraag of de inrichting onder de werkingssfeer van de Richtlijn valt, de capaciteiten van deze activiteiten niet bij elkaar dienen te worden opgeteld.

   Nu in de inrichting in totaal 1.664 mestvarkens en 232 zeugen mogen worden gehouden, en met die activiteiten de drempelwaarden voor mestvarkens en voor zeugen genoemd in bijlage I, onder 6.6, aanhef en onder b en c, van de Richtlijn niet worden overschreden, is verweerder er terecht vanuit gegaan dat de inrichting niet valt onder de werkingssfeer van de Richtlijn.

2.6.    Het beroep is ongegrond.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Beekhuis, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van Staat.

w.g. Beekhuis    w.g. De Vink

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 september 2006

312-492.