Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY8101

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-09-2006
Datum publicatie
13-09-2006
Zaaknummer
200606061/1 en 200606061/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 maart 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (hierna: het college) een velvergunning verleend voor het vellen van 50 knotwilgen voor het realiseren van de nieuwe ontsluitingsweg Utrecht-West (hierna: Nouw-2).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Algemene wet bestuursrecht 7:12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2009/98

Uitspraak

200606061/1 en 200606061/2.

Datum uitspraak: 8 september 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

de stichting "Utrechtse Bomen Stichting", gevestigd te Utrecht,

appellante,

tegen de uitspraak in zaak nos. SBR 06/2563 en 06/2564 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 10 augustus 2006 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 1 maart 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (hierna: het college) een velvergunning verleend voor het vellen van 50 knotwilgen voor het realiseren van de nieuwe ontsluitingsweg Utrecht-West (hierna: Nouw-2).

Bij besluit van 26 juni 2006 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 augustus 2006, verzonden op 14 augustus 2006, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 augustus 2006, hoger beroep ingesteld, onderscheidenlijk de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 18 augustus 2006 heeft het college van antwoord gediend.

De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 augustus 2006, waar appellante, vertegenwoordigd door drs. C. van Oosten, en het college, vertegenwoordigd door S. van Oeveren en W. van Kampen, beiden werkzaam als ambtenaar bij de gemeente, zijn verschenen.

2.1.    Overwegingen

2.2.    In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.3.        Ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Utrecht (hierna: de APV) is het verboden zonder vergunning van het college houtopstand te vellen of te doen vellen.

       Ingevolge artikel 88, eerste lid, van de APV kan het college de vergunning weigeren dan wel onder voorwaarden verlenen in het belang van:

a. natuur- en milieuwaarden;

b. landschappelijke waarden;

c. cultuurhistorische waarden;

d. waarden van stadsschoon;

e. waarden van recreatie en leefbaarheid;

f. de beeldbepalende waarden van de boom.

2.4.        Appellante betoogt - samengevat weergegeven - dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college niet in redelijkheid een vergunning heeft kunnen verlenen, nu voor de aan te leggen Nouw-2, waarvoor de 50 knotwilgen moeten wijken, nog geen verklaring van geen bezwaar is afgegeven, zodat onzeker is dat de weg zal worden gerealiseerd en derhalve van een redelijk belang bij het vellen van de bomen thans geen sprake is.

2.4.1.    Dit betoog slaagt niet. Het college dient een aanvraag om een  velvergunning te toetsen aan het in de APV opgenomen beoordelingskader dat los staat van de te volgen procedure op grond van de Wet op de Ruimtelijke Ordening voor Nouw-2. Dat voor het tracé van de Nouw-2 alternatieven zijn, is in onderhavige procedure niet aan de orde. Het college heeft voldoende aannemelijk kunnen achten dat de aanleg van de Nouw-2 doorgang zal vinden volgens de bij de aanvraag van de velvergunning gevoegde aanduiding van het tracé waarover de Nouw-2 zal worden aangelegd. Daarvoor is niet vereist dat alle procedures ter zake zijn afgerond. Mede gelet op het prepareren van de grond in verband met zetting heeft het college kunnen aannemen dat sprake is van een redelijk belang bij het doen vellen van de bomen.

2.5.        Appellante betoogt voorts dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat niet is gebleken van enig onderzoek door het college naar de waarde van de bomen, noch van enige afweging van het belang van de waarden als genoemd in artikel 88 van de APV tegenover het belang de bomen te kappen.

2.5.1.    Anders dan het college stelt, heeft appellante in haar bezwaarschrift aangevoerd dat niet is gebleken dat de in artikel 88 genoemde elementen zijn getoetst en er derhalve geen zorgvuldige afweging is gemaakt en heeft zij dit standpunt bij de voorzieningenrechter gehandhaafd. Er is derhalve geen grond voor het oordeel dat dit betoog in hoger beroep buiten beschouwing moet blijven, zoals door het college is betoogd.

2.5.2.     Het college heeft de velvergunning verleend omdat de bomen waarvoor de vergunning is aangevraagd naar het oordeel van het college geen waarden als bedoeld in artikel 88, eerste lid, van de APV vertegenwoordigen. Uit de stukken blijkt evenwel niet waarop dit oordeel is gebaseerd. Het college heeft in het besluit van 26 juni 2006 gesteld dat een inventarisatie van de bomen heeft plaatsgevonden door het ingenieursbureau van de gemeente Utrecht en dat een senior boomdeskundige van de afdeling Cultuurtechniek van de gemeente Utrecht de bomen op de waarden als bedoeld in artikel 88 van de APV heeft onderzocht. De enkele stelling dat het onderzoek heeft plaatsgevonden en dat daaruit is gebleken dat de bomen niet waardevol zijn, kan niet worden beschouwd als een ingevolge de Awb vereiste onderbouwing van voormeld oordeel. Dat appellante het oordeel van het college niet met een deskundigenrapport heeft weerlegd staat los van de verplichtingen die het college ingevolge die wet in acht heeft te nemen. Het college heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij bij de voorbereiding van het besluit de nodige kennis heeft vergaart omtrent de relevante feiten en zijn voormeld oordeel onvoldoende gemotiveerd. De voorzieningenrechter heeft dit ten onrechte niet onderkend. Het betoog slaagt derhalve.

2.6.        Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het beroep gegrond verklaren en het besluit van 26 juni 2006 vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb. Het college dient opnieuw te beslissen op de ingediende bezwaren met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, waarbij het college, zo de bomen in meer of mindere mate de in artikel 88, eerste lid, van de APV, genoemde waarden bezitten, een belangenafweging dient te verrichten.

2.7.        Gelet hierop dient het verzoek om voorlopige voorziening hangende het hoger beroep als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb te worden afgewezen. De Voorzitter ziet evenwel ter voorkoming van onevenredig nadeel, eruit bestaande dat de bomen al gekapt zouden zijn alvorens een nieuwe beslissing op bezwaar is genomen en eventueel ter toetsing in rechte kan worden voorgelegd, aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb te bepalen dat het besluit van 1 maart 2006 wordt geschorst tot zes weken na de nieuw te nemen beslissing op bezwaar. Daarbij kan het college met het oog op de aanmerkelijk te achten belangen bij een spoedige realisering van Nouw-2 voortvarendheid betrachten.

2.8.        De gemeente dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 10 augustus 2006, nos. SBR 06/2563 en 06/2564;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Utrecht van 26 juni 2006, 06/54393 06/54396 JZ;

V.    draagt het college van burgemeester en wethouders van Utrecht op binnen zes weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit te nemen;

VI.    treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 1 maart 2006 wordt geschorst tot zes weken na het nemen van de nieuw te nemen beslissing op bezwaar;

VII.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Utrecht tot vergoeding van bij appellante in verband met de behandeling van het hoger beroep en het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1288,00 (zegge: zeshonderdenvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Utrecht aan appellante onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VIII.    gelast dat de gemeente Utrecht aan appellante het door haar voor de behandeling van het hoger beroep en het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 703,00 (zegge: zevenhonderdendrie euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak    w.g. Groenendijk

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 september 2006

362.