Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY8095

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-09-2006
Datum publicatie
13-09-2006
Zaaknummer
200510020/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 februari 2003 heeft appellant sub 2 (hierna: het college) een exploitatievergunning verleend aan de stichting "De Karspel" (hierna: de stichting) voor het plaatsen van zes tenten als verblijfsaccomodatie (tentenkamp) op het perceel "De Marke", bij het kamphuis aldaar, te Dwingeloo.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200510020/1.

Datum uitspraak: 13 september 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    [appellante sub 1], gevestigd te [plaats], waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B], wonend respectievelijk te [woonplaats] en [woonplaats],

2.    het college van burgemeester en wethouders van Westerveld,

appellanten,

tegen de uitspraak in zaak nos. 03/1050, 1051 en 04/1080, 1081 van de rechtbank Assen van 2 november 2005 in het geding tussen:

1.    [wederpartij sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    [wederpartijen sub 2], allen wonend te [woonplaats]

en

het college van burgemeester en wethouders van Westerveld.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 19 februari 2003 heeft appellant sub 2 (hierna: het college) een exploitatievergunning verleend aan de stichting "De Karspel" (hierna: de stichting) voor het plaatsen van zes tenten als verblijfsaccomodatie (tentenkamp) op het perceel "De Marke", bij het kamphuis aldaar, te Dwingeloo.

Bij besluit van 20 oktober 2003 heeft het college het daartegen door omwonenden [wederpartij sub 2A], [wederpartij sub 2B], [wederpartij sub 2C], [wederpartij sub 2D] en [wederpartij sub 1] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 6 april 2004 heeft het college een exploitatievergunning verleend aan appellanten sub 1, als rechtsopvolgers van de stichting, voor het plaatsen van vijf tenten met per stuk maximaal 12 slaapplaatsen op het terrein van het kamphuis, voor de periode van 1 april tot 31 oktober van elk jaar.

Bij besluit van 28 oktober 2004 heeft het college het daartegen door

[wederpartij sub 2A], [wederpartij sub 2B], [wederpartij sub 2C], [wederpartij sub 2D] en [wederpartij sub 1] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 november 2005, verzonden op 7 november 2005, heeft de rechtbank Assen (hierna: de rechtbank) de tegen de besluiten van

20 oktober 2003 en 28 oktober 2004 door [wederpartij sub 2A], [wederpartij sub 2B], [wederpartij sub 2C], [wederpartij sub 2D] en [wederpartij sub 1] ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd, zelf voorziend de exploitatievergunningen alsnog geweigerd en bepaald dat deze beslissingen in de plaats treden van de vernietigde besluiten. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 december 2005, en het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 december 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 1 februari 2006 heeft het college een nadere memorie ingediend.

Bij brief van 28 april 2006 heeft [wederpartij sub 1] een stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 juni 2006, waar [appellanten sub 1] in de persoon van [vennoot A], en het college, vertegenwoordigd door R.C.E. Barbillion en R.A. Ipema, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Tevens zijn daar verschenen  [wederpartij sub 1] in persoon en [wederpartij sub 2A], [wederpartij sub 2B] en [wederpartij sub 2D], vertegenwoordigd door mr. H.W. Knottenbelt, advocaat te Assen.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 november 1995 is de Wet op de openluchtrecreatie (hierna: de Wor) in werking getreden.

   Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wor wordt onder kampeerterrein verstaan: terrein of plaats, geheel of gedeeltelijk ingericht, en blijkens die inrichting bestemd, om daarop gelegenheid te geven tot het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen ten behoeve van recreatief nachtverblijf.

   Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wor wordt onder kampeermiddel verstaan: tent, tentwagen, kampeerauto of caravan dan wel enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde, waarvoor ingevolge artikel 40 van de Woningwet een bouwvergunning is vereist; een en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.

   Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Wor is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders een kampeerterrein te houden.

    Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling of ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, voor het houden van een kampeerterrein voor ten hoogste tien kampeermiddelen.

   Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de Wor kan een vergunning als bedoeld in artikel 8, eerste lid, slechts worden verleend indien:

a. is voldaan of op redelijke wijze zal worden voldaan aan de regelen gesteld bij of krachtens deze wet en

b. de aanvraag betrekking heeft op een terrein dat bij bestemmingsplan uitsluitend of mede als kampeerterrein is aangewezen.

   Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan een vrijstelling of ontheffing als bedoeld in artikel 8, tweede lid, slechts worden verleend:

a. indien is voldaan of op redelijke wijze zal worden voldaan aan de regelen gesteld bij of krachtens deze wet en

b. voor zover het bestemmingsplan zich er niet tegen verzet.

2.2.    Appellanten betogen allereerst dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de omwonenden geen belanghebbenden zijn bij de onderhavige procedure, omdat zij op een te grote afstand van het tentenkamp wonen en er bovendien geen zicht op hebben.

2.2.1.    Dit betoog slaagt gedeeltelijk. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting worden [wederpartij sub 1] en [wederpartij sub 2D], die wonen op een afstand van ongeveer 235, respectievelijk 275 meter van het tentenkamp, gezien de ruimtelijke uitstraling daarvan rechtstreeks getroffen in hun belangen door de bestreden besluiten. Dit gold eveneens voor [wederpartij sub 2C], die inmiddels is verhuisd. Dit geldt echter niet voor [wederpartij sub 2A] en [wederpartij sub 2B], die op een zodanig grotere afstand van het tentenkamp wonen dat zij door de bestreden besluiten niet in een rechtstreeks belang worden getroffen. Zij zijn ten onrechte ontvangen in hun bezwaren. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.3.    Appellanten richten zich voorts tegen de overweging van de rechtbank dat het onderhavige terrein gelet op artikel 23, eerste lid, van de voorschriften bij het bestemmingsplan "Buitengebied Dwingeloo", goedgekeurd 15 februari 1994, (hierna: het bestemmingsplan) niet als kampeerterrein als bedoeld in de Wor kan worden aangemerkt, zodat de exploitatievergunning op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wor moet worden geweigerd. Volgens appellanten voorziet artikel 23 van de planvoorschriften gelet op de voorgeschiedenis en totstandkoming van het bestemmingsplan wel in het gebruik van het perceel als kampeerterrein.    

2.3.1.    Ingevolge het bestemmingsplan rust op het onderhavige perceel de bestemming "Rsa" (kamphuizen). Uit artikel 23 van de planvoorschriften volgt dat de als zodanig aangegeven gronden zijn bestemd voor: gebouwen ten behoeve van de verblijfsrecreatie, met inbegrip van logies, met de bijbehorende gebouwen waaronder, behoudens voor de gronden aangegeven met "geen dienstwoning", één dienstwoning, bijgebouwen, andere bouwwerken en erven.

   Niet is in geschil dat de op het perceel aanwezige bebouwing in 1952 is opgericht ter facilitering van nachtverblijf in op het perceel in vakantieperioden aanwezige tenten. In het gebouw zijn een eetzaal met keuken en sanitaire voorzieningen ondergebracht. Het biedt zelf geen mogelijkheden tot logies. Evenmin is in geschil dat sinds de oprichting van het gebouw op het perceel groepsgewijs in tenten is gekampeerd, waarbij gebruik werd gemaakt van de faciliteiten in het gebouw.

   Er zijn geen aanwijzingen dat de planwetgever bij de vaststelling van het bestemmingsplan iets anders heeft beoogd dan met de aanduiding op de kaart "Rsa" (kamphuizen) en de omschrijving in artikel 23, eerste lid, van de planvoorschriften, het bestaande gebruik van het perceel positief te bestemmen. Daarbij acht de Afdeling van belang dat de bestemming wat betreft "verblijfsrecreatie, met inbegrip van logies" op het perceel zonder kampeermiddelen niet te realiseren is en dat de Afdeling in de uitspraak van 30 januari 1998 in zaak no. E01.94.0157 bij de verwerping van de bezwaren tegen de aan het perceel gegeven bestemming ook ervan is uitgegaan dat deze bestemming ziet op voortzetting van het bestaande feitelijk gebruik.

   Gelet op het vorenstaande moet in dit geval worden geconcludeerd dat het terrein bij het bestemmingsplan mede is aangewezen als kampeerterrein, zodat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat artikel 10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wor aan het verlenen van de gevraagde exploitatievergunning in de weg staat.

2.4.    De hoger beroepen zijn gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de inleidende beroepen gedeeltelijk gegrond verklaren en de bestreden beslissingen op bezwaar vernietigen voor zover [wederpartij sub 2A] en [wederpartij sub 2B] zijn ontvangen in hun bezwaren en hen alsnog niet-ontvankelijk verklaren in hun bezwaren. Uit het vorenoverwogene volgt dat het betoog in beroep dat de vergunning in strijd met artikel 10 van de Wor is verleend, geen doel treft. Voorts is, anders dan in beroep is aangevoerd, niet gebleken dat de aan de vergunning verbonden voorwaarde dat maximaal vijf personenauto's op het perceel mogen worden geplaatst in strijd is met gemeentelijk of provinciaal beleid of dat de vergunning anderszins onrechtmatig is verleend. Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding de beroepen voor het overige ongegrond te verklaren.

2.5.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart de hoger beroepen gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Assen van 2 november 2005, 03/1050, 1051 en 04/1080, 1081;

III.    verklaart de bij de rechtbank ingestelde beroepen gedeeltelijk  gegrond;

IV.    vernietigt de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Westerveld van 20 oktober 2003 en 28 oktober 2004, voor zover daarbij [wederpartij sub 2A] en [wederpartij sub 2B] zijn ontvangen in hun bezwaren;

V.    verklaart [wederpartij sub 2A] en [wederpartij sub 2B] alsnog niet-ontvankelijk in hun bezwaren;

VI.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de besluiten voor zover deze zijn vernietigd;

VII.    verklaart de bij de rechtbank ingestelde beroepen voor het overige ongegrond;

VIII.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Westerveld tot vergoeding van bij [wederpartij sub 2A] en [wederpartij sub 2B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1303,48 (zegge: duizend driehonderddrie euro en achtenveertig cent), gedeeltelijk toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Westerveld aan [wederpartij sub 2A] en [wederpartij sub 2B] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IX.    gelast dat de gemeente Westerveld aan [appellante sub 1] het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 414,00 (zegge: vierhonderdveertien euro) vergoedt;

X.    gelast dat de gemeente Westerveld aan [wederpartij sub 2A] en [wederpartij sub 2B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 252,00 (zegge: tweehonderdtweeënvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.M. van Angeren, Voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van der Smissen, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Angeren    w.g. Van der Smissen

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 september 2006

419.