Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY8078

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-09-2006
Datum publicatie
13-09-2006
Zaaknummer
200510340/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 maart 2004 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam Oud Zuid (hierna: het dagelijks bestuur) geweigerd aan [directeur] in zijn hoedanigheid als directeur van appellante, bouwvergunning te verlenen voor het gedeeltelijk veranderen van de indeling van de zolderverdieping van het gebouw [locatie] te Amsterdam ten behoeve van een zelfstandige zolderwoning.

Wetsverwijzingen
Woningwet
Woningwet 4
Woningwet 40
Woningwet 44
Bouwbesluit 2003
Bouwbesluit 2003 4.21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2007/7 met annotatie van N.P.M. Scholten
Gst. 2007, 10 met annotatie van A.G.A. Nijmeijer
Module Vastgoed en wonen 2006/339
Module Bouwregelgeving 2006/309
JOM 2009/79
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200510340/1.

Datum uitspraak: 13 september 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ROCK Beheer, gevestigd te Amsterdam,

appellante,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/4193 van de rechtbank Amsterdam van 28 oktober 2005 in het geding tussen:

appellante

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam Oud Zuid van de gemeente Amsterdam.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 23 maart 2004 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam Oud Zuid (hierna: het dagelijks bestuur) geweigerd aan [directeur] in zijn hoedanigheid als directeur van appellante, bouwvergunning te verlenen voor het gedeeltelijk veranderen van de indeling van de zolderverdieping van het gebouw [locatie] te Amsterdam ten behoeve van een zelfstandige zolderwoning.

Bij besluit van 22 juli 2004 heeft het dagelijks bestuur het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 oktober 2005, verzonden op 3 november 2005, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 6 december 2005, hoger beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het hoger beroepschrift bij brief van 16 december 2005, ter behandeling doorgezonden naar de Afdeling. Het hoger beroepschrift is aangehecht.

Bij brief van 7 februari 2006 heeft het dagelijks bestuur van antwoord gediend.

Bij brieven van 2 januari 2006, 21 februari 2006 en 4 augustus 2006 zijn nader stukken ontvangen van appellante. Deze zijn aan het dagelijks bestuur toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 augustus 2006, waar appellante, vertegenwoordigd door [directeur] en J. Kootkar, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. E. Pans, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellante betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de zolderverdieping al 35 jaar als zolderwoning wordt gebruikt. Er wordt derhalve geen nieuwe woning gebouwd, aldus appellante.

   Voorts komt appellante op tegen het oordeel van de rechtbank dat het dagelijks bestuur terecht aan de nieuwbouweisen van het Bouwbesluit 2003 heeft getoetst.

2.1.1.    Uit de stukken blijkt dat de zolderverdieping bij de oprichting in 1912 was bestemd voor kamers en bergingen ten dienst van de onderliggende woonlagen. Van een zelfstandige zolderwoning was geen sprake.

2.1.2.    Het voorliggende bouwplan voorziet in bouwkundige veranderingen aan het bouwwerk waardoor het gebruik van de zolderverdieping in die zin wordt gewijzigd dat een voor zelfstandige bewoning geschikte zolderruimte ontstaat. Nu het gebruik van de zolderverdieping wordt gewijzigd is geen sprake van een verandering van niet-ingrijpende aard. De omstandigheid dat het bouwplan reeds 35 jaar geleden is uitgevoerd, betekent niet dat geen bouwvergunning meer benodigd is, aangezien de reeds verrichtte bouwwerkzaamheden als bouwen in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet dienen te worden aangemerkt.

Aangezien appellante een aanvraag om bouwvergunning heeft gedaan ter legalisering van de zonder bouwvergunning verbouwde zolderverdieping heeft het dagelijks bestuur daar terecht op beslist. Dat appellante deze aanvraag enkel op verzoek van het dagelijks bestuur heeft gedaan doet daar niet aan af.

De rechtbank is derhalve terecht tot het oordeel gekomen dat een bouwvergunning is vereist.

2.1.3.    Uit artikel 4 van de Woningwet en de geschiedenis van totstandkoming van deze bepaling (Kamerstukken II 1998-1999, 26 734, nr. 3, blz. 37) en de Nota van Toelichting (blz. 174 en 181, Stb. 2001, 410) volgt dat op het verbouwen van een bouwwerk in beginsel de nieuwbouweisen van het Bouwbesluit van toepassing zijn. Deze eisen gelden alleen ten aanzien van dat gedeelte van het bouwwerk dat is verbouwd, in dit geval de zolderverdieping.

   Gelet op het voorgaande is de rechtbank met juistheid tot het oordeel gekomen dat het college de aanvraag om bouwvergunning terecht heeft getoetst aan de nieuwbouweisen van het Bouwbesluit 2003 en derhalve aan artikel 4.21, tweede lid, van dit besluit. Voorts is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat het bouwplan in strijd is met deze bepaling, nu het bouwplan slechts een vloeroppervlakte heeft van 22 m² aan verblijfsgebied, terwijl op grond van artikel 4.21, tweede lid, van het Bouwbesluit 2003 een minimale oppervlakte van 24 m² is vereist.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt gesteld dat een ontheffing niet mogelijk is, hetgeen in hoger beroep ook niet is bestreden. De rechtbank is dan ook terecht tot het oordeel gekomen dat het college gehouden was bouwvergunning te weigeren wegens strijd met artikel 44, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet.

2.2.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.3.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk    w.g. Steinebach-de Wit

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 september 2006

328-430.