Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY8077

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-09-2006
Datum publicatie
13-09-2006
Zaaknummer
200603145/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 augustus 2004 heeft verweerder zijn beslissing om op 13 augustus 2004 bestuursdwang toe te passen ter zake van het ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen op schrift gesteld. Daarbij heeft verweerder beslist dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang (€ 50,00) voor rekening van appellant komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200603145/1.

Datum uitspraak: 13 september 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te Amsterdam,

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oud-West,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 17 augustus 2004 heeft verweerder zijn beslissing om op 13 augustus 2004 bestuursdwang toe te passen ter zake van het ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen op schrift gesteld. Daarbij heeft verweerder beslist dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang (€ 50,00) voor rekening van appellant komen.

Bij besluit van 17 mei 2005, verzonden op dezelfde datum, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 24 juni 2005, bij de rechtbank Amsterdam ingekomen op 27 juni 2005, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 5 september 2005. De rechtbank Amsterdam heeft het beroepschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken naar de Afdeling doorgezonden, alwaar het op 27 april 2006 is ingekomen.

Bij brief van 20 juni 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 augustus 2006, waar appellante in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door J.E.A.M. Niesten, ambtenaar van het stadsdeel, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening Oud-West 2004 (hierna: de Verordening) kan inzameling onder meer plaatsvinden via een inzamelvoorziening voor de gebruikers van een aantal percelen.

   Ingevolge artikel 9, tweede lid, van de Verordening kan het dagelijks bestuur aanwijzen via welk al dan niet van gemeentewege verstrekt inzamelmiddel of via welke inzamelvoorziening de inzameling van een bepaalde categorie huishoudelijke afvalstoffen ten behoeve van de gebruiker van een perceel plaatsvindt.

   Ingevolge artikel 15 van de Verordening is het de gebruiker van een perceel voor wie krachtens artikel 9, tweede lid, mede ten behoeve van zijn perceel een inzamelvoorziening voor een bepaalde categorie huishoudelijke afvalstoffen is aangewezen, verboden de betreffende afvalstoffen anders aan te bieden dan via de betreffende inzamelvoorziening.

2.2.     De toepassing van bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van huishoudelijke afvalstoffen, op 13 augustus 2004 aangetroffen naast de inzamelvoorziening ter hoogte van de [locatie] te Amsterdam. Volgens verweerder waren deze huishoudelijke afvalstoffen, bestaande uit een huisvuilzak, afkomstig van appellante en heeft zij die in strijd met de Verordening ter inzameling aangeboden.

2.3.    Appellante heeft als formeel punt aangevoerd dat verweerder haar naar aanleiding van het maken van bezwaar niet heeft gehoord. Appellante voert in dit verband aan dat zij op 13 augustus 2004 de ondergrondse afvalcontainers ter hoogte van de [locatie] vol aantrof. Aangezien zij met vakantie ging en geen afval in huis wilde achterlaten en voorts niet in de gelegenheid was de huishoudelijke afvalstoffen ergens anders aan te bieden of het stadsdeel op de hoogte te stellen van de volle afvalcontainers, heeft zij haar huisvuil naast de containers geplaatst. Volgens appellante moet het vanwege vakantie verkeerd aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid, gelijk de politierechter in Amsterdam, aldus appellante, in een aantal huisvuilzaken heeft overwogen. Zij acht het dan ook niet redelijk dat de kosten voor de uitvoering van bestuursdwang voor haar rekening komen.

2.3.1.    Verweerder heeft betoogd dat van het horen is afgezien, omdat het bezwaar kennelijk ongegrond werd geacht en voorts van bijzondere omstandigheden geen sprake was.

2.3.2.    Ingevolge artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht stelt een bestuursorgaan, voordat hij op het bezwaar beslist, belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord.

   Ingevolge artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht kan van het horen van belanghebbenden worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is.

2.4.    Vaststaat dat appellante in de bezwaarfase niet in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord.

   De Afdeling overweegt dat van 'kennelijke ongegrondheid' slechts sprake kan zijn wanneer uit een bezwaarschrift aanstonds volgt dat de bezwaren ongegrond zijn en redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie.

   Ter zitting heeft verweerder betoogd dat de eerstvolgende afvalcontainer op 150 meter is gelegen en dat er derhalve een alternatief was om de huishoudelijke afvalstoffen aan te bieden. Hierin is zijns inziens de 'kennelijke ongegrondheid' van het beroep gelegen.

   Niet is gebleken dat ten tijde van de overtreding onderzocht is of die alternatieve containers eveneens vol waren. Gelet hierop en gelet op het bezwaarschrift, waarin appellante gemotiveerd een aantal redenen aanvoert met betrekking tot het onjuist aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, kan niet worden geoordeeld dat redelijkerwijs geen twijfel mogelijk was over de ongegrondheid van het bezwaar. Verweerder had aldus niet kunnen afzien van het horen van appellante.

2.5.    Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

2.6.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oud-West van 17 mei 2005, kenmerk 2005/8210;

III.    gelast dat de gemeente Amsterdam aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 138,00 (zegge: honderdachtendertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.T. Heijstek-van Leussen, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink    w.g. Heijstek-van Leussen

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 september 2006

353.