Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY8075

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-09-2006
Datum publicatie
13-09-2006
Zaaknummer
200508484/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 16 november 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Sevenum (hierna: het college) appellanten vrijstelling en bouwvergunning geweigerd voor het oprichten van een scharrelkippenstal met opslagloods op het perceel, plaatselijk bekend [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Reconstructiewet concentratiegebieden
Reconstructiewet concentratiegebieden 1
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 19
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.1
Wet milieubeheer 8.4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2007/9 met annotatie van Bokelaar
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200508484/1.

Datum uitspraak: 13 september 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], beiden gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak in zaak nos. 05/1048, 05/1049, 05/566 en 05/567 van de rechtbank Roermond van 7 september 2005 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Sevenum.

1.    Procesverloop

Bij besluiten van 16 november 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Sevenum (hierna: het college) appellanten vrijstelling en bouwvergunning geweigerd voor het oprichten van een scharrelkippenstal met opslagloods op het perceel, plaatselijk bekend [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluiten van 17 mei 2005 heeft het college de daartegen door appellanten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 september 2005, verzonden op 8 september 2005, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Roermond (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, de daartegen door appellanten ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 3 oktober 2005, bij de Raad van State ingekomen op 4 oktober 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 21 december 2005 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 juni 2006, waar appellanten, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. J.J.J. De Rooij, advocaat te Tilburg, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.C.M.G. Beusmans, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het bouwplan voorziet in het oprichten van een scharrelkippenstal met opslagloods op het perceel. Op dat perceel voeren appellanten een akkerbouwbedrijf en tot 2001 een varkenshouderij. De varkenshouderij hebben zij beëindigd na gebruikmaking van de Regeling Beëindiging Veehouderijtakken, op grond waarvan aan hen subsidie is verleend.

   Het geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1998" (hierna: het bestemmingsplan) staat ter plaatse de bouw van de stal met loods niet toe. Het college heeft geweigerd vrijstelling te verlenen voor het bouwplan omdat het volgens hem in strijd is met het Reconstructieplan Noord- en Midden-Limburg (hierna: het reconstructieplan). Het heeft zich op het standpunt gesteld dat de oprichting van de scharrelkippenstal als een nieuwvestiging in de zin van in het reconstructieplan moet worden aangemerkt en dat plan nieuwvestiging niet toelaat.

2.2.    Voor zover appellanten betogen dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het aan de provincie is voorbehouden om te beoordelen of een bouwplan in strijd is met het provinciale beleid en het college niet op die grond vrijstelling heeft mogen weigeren, is dat tevergeefs. Het college diende bij de besluiten van 16 november 2004, voor zover daarbij vrijstelling is geweigerd voor het bouwplan, te toetsen of dat plan al dan niet in strijd is met het provinciale beleid. Artikel 19, eerste lid, van de WRO, alsmede de aard van de daarin opgenomen bevoegdheid om vrijstelling te verlenen, nopen er immers toe voormeld beleid te betrekken bij een besluit op een aanvraag waar om toepassing van die bevoegdheid wordt verzocht.

2.3.    Appellanten betogen dat de voorzieningenrechter voorts heeft miskend dat ten tijde van het indienen van de aanvraag om bouwvergunning het provinciale, waaronder het destijds geldende reconstructieplan, en gemeentelijke beleid niet in de weg stond aan verwezenlijking van het bouwplan. Gezien de tijd die is verstreken tussen het indienen van de aanvraag en het beslissen daarop, behoorde het college aan dat beleid te toetsen, aldus appellanten.

2.3.1.    Dit betoog faalt. De voorzieningenrechter heeft met juistheid overwogen dat het college de aanvraag om bouwvergunning, die tevens een verzoek om vrijstelling inhoudt, terecht heeft getoetst aan het beleid dat gold op het moment dat op het verzoek om vrijstelling is beslist. De enkele omstandigheid dat de aanvraag om bouwvergunning op 15 november 2001 is ingediend en daarop eerst bij het besluit van 16 november 2004 is beslist, is onvoldoende voor een ander oordeel.

2.4.    Voorts betogen appellanten dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan in strijd is met het reconstructieplan. Daartoe voeren zij aan dat geen sprake is van nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf als bedoeld in dat plan maar van voortzetting van de intensieve veehouderijtak van het agrarisch bedrijf, zij het in een andere vorm.

2.4.1.    In het reconstructieplan is het perceel aangewezen als verwevingsgebied. Volgens dat plan is nieuwvestiging van intensieve veehouderijen op als zodanig aangewezen gebieden niet toegestaan. In het reconstructieplan wordt onder nieuwvestiging van een intensieve veehouderij, voor zover thans van belang, tevens omschakeling verstaan. Omschakeling is in het reconstructieplan omschreven als het vestigen van een intensieve veehouderijtak op een reeds bestaande agrarische bouwkavel waar nog geen intensieve veehouderijtak is.

2.4.2.    De voorzieningenrechter heeft terecht overwogen dat het college zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat de beoogde oprichting van de scharrelkippenstal als omschakeling en daarmee als nieuwvestiging van intensieve veehouderij als bedoeld in het reconstructieplan moet worden aangemerkt. Volgens het college wordt de intensieve veehouderij binnen het agrarisch bedrijf niet voortgezet omdat de varkenshouderij door appellanten reeds was beëindigd, de stallen daarvan zijn gesloopt en de oprichting van de scharrelkippenstal een andere tak van intensieve veehouderij omvat. Gelet hierop is niet van belang of het perceel al dan niet mede is aangewezen als een zogeheten bouwkavel en dat appellanten op het perceel tevens een akkerbouwbedrijf voeren. De omstandigheden dat een eerdere versie van de Regeling Beëindiging Veehouderijtakken, naar appellanten stellen, niet uitsloot dat na beëindiging van de varkenshouderij een pluimveehouderij werd opgezet, dat in 2002 geen vergunning als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder a van de Wet milieubeheer (oprichtingsvergunning) maar een vergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid (revisievergunning) is verleend en dat sprake is van omliggende agrarische bebouwing, zijn, gelet op het begrip "omschakeling" in het reconstructieplan, evenmin van belang.

2.4.3.    Voorts heeft de voorzieningenrechter in de overige door appellanten aangevoerde omstandigheden terecht geen aanleiding gevonden voor een ander oordeel. Het beroep dat appellanten hebben gedaan op het vertrouwensbeginsel treft geen doel. Aan de omstandigheid dat het college hangende de bouwaanvraag niet te kennen heeft gegeven dat een voornemen om vrijstelling voor het bouwplan niet in procedure zou worden gebracht, hebben appellanten niet het gerechtvaardigde vertrouwen kunnen ontlenen dat het college vrijstelling voor het bouwplan zou verlenen. Dat het college destijds, naar appellanten stellen, al heeft kunnen weten dat provinciaal beleid aan verwezenlijking van het bouwplan in de weg stond, maakt dit niet anders. Het college heeft aan appellanten geen toezegging gedaan dat vrijstelling voor het bouwplan zou worden verleend. Derhalve dienden appellanten, ondanks de tijd die is verstreken tussen het indienen van de aanvraag en het beslissen op die aanvraag, er rekening mee te houden dat een zodanige vrijstelling zou worden geweigerd.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn‑van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. J.H.B. van der Meer en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. Huijben, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek    w.g. Huijben

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 september 2006

313-503.