Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY7590

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-09-2006
Datum publicatie
06-09-2006
Zaaknummer
200601078/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 oktober 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (hierna: het college) een verzoek van appellante de Sacramentskerk aan de Ringbaan Oost 180 te Tilburg aan te wijzen als beschermd gemeentelijk monument afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200601078/1.

Datum uitspraak: 6 september 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de vereniging "Heemkundekring Tilborch", gevestigd te Tilburg,

appellante,

tegen de uitspraak in zaak no. 04/1175 van de rechtbank Breda van 30 december 2005 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 13 oktober 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (hierna: het college) een verzoek van appellante de Sacramentskerk aan de Ringbaan Oost 180 te Tilburg aan te wijzen als beschermd gemeentelijk monument afgewezen.

Bij besluit van 20 april 2004 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 december 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 7 februari 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 21 maart 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 18 april 2006 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 juli 2006, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. L.P.J. Mertens, advocaat te Tilburg, en [bestuurslid] en [lid] van appellante, en het college, vertegenwoordigd door drs. L.M.A. Pols en drs. J. op 't Hoog, ambtenaren van de gemeente Tilburg, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, ten eerste, van de Monumentenverordening gemeente Tilburg (hierna: de Monumentenverordening) verstaat deze verordening onder monument: zaak die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde.

   Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Monumentenverordening kunnen burgemeester en wethouders, al dan niet op verzoek van belanghebbenden, een onroerend monument aanwijzen als beschermd gemeentelijk monument.

   Ingevolge het tweede lid van dit artikel vragen burgemeester en wethouders, voordat zij over de aanwijzing een besluit nemen, advies aan de monumentencommissie.

2.2.    De Afdeling stelt vooraf vast dat niet in geschil is dat de Sacramentskerk een monument is, als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, ten eerste, van de Monumentenverordening. Hetgeen partijen verdeeld houdt is de vraag of de Sacramentskerk moet worden aangewezen als beschermd gemeentelijk monument.

2.3.    Appellante heeft allereerst aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op de reactie die zij ter zitting van 28 september 2005 heeft gegeven op het verslag van de vergadering van de monumentencommissie van 9 mei 2005.

2.3.1.    Anders dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het hier niet gaat om nieuw aangevoerde beroepsgronden, maar dat de reactie van appellante op het verslag van de vergadering van 9 mei 2005 dient te worden beschouwd als een aanvulling op de beroepsgrond dat de adviezen, waarop het college het besluit heeft gebaseerd, niet zorgvuldig tot stand zijn gekomen. De rechtbank heeft deze reactie dan ook ten onrechte buiten beschouwing gelaten.

2.4.    Voorts heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank heeft miskend dat de Sacramentskerk voldoet aan alle voorwaarden voor aanwijzing als beschermd monument, dat geen sprake is van een deugdelijk onderzoek door de monumentencommissie en dat de weigering de Sacramentskerk aan te wijzen als beschermd monument een adequate en voor derden kenbare motivering ontbeert.

2.4.1.    In het onderhavige geval heeft het college het besluit de Sacramentskerk niet op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen gebaseerd op de adviezen van de monumentencommissie van 28 augustus 2003 en 8 maart 2004, die ten behoeve van het primaire besluit onderscheidenlijk de beslissing op bezwaar zijn opgesteld. In het eerste advies heeft de monumentencommissie geadviseerd de Sacramentskerk niet aan te wijzen als beschermd gemeentelijk monument omdat de cultuurhistorische en architectuurhistorische waarde van die kerk niet hoog wordt ingeschat en de stedenbouwkundige situatie niet van zodanig belang wordt geacht dat tot aanwijzing moet worden overgegaan. In het tweede advies is hieraan toegevoegd dat een groot deel van de door appellante aangevoerde argumenten voor elk kerkgebouw geldt, dat de kerk op geen enkel van de beoordeelde criteria kan overtuigen, dat de sociale en emotionele argumenten geen basis vormen voor plaatsing en dat in stedenbouwkundig opzicht de locatie van groter belang wordt geacht dan het gebouw zelf. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel, dat het college, door in het besluit tot afwijzing van appellantes verzoek en in het besluit tot handhaving van deze afwijzing te verwijzen naar de consistente adviezen van de monumentencommissie deze besluiten voldoende heeft gemotiveerd en dat deze motivering ook kenbaar is.

   Het college heeft vervolgens, nadat door appellante in de beroepsprocedure bij de rechtbank op 28 februari 2005 een als deskundig tegenadvies te beschouwen rapport van Res Nova (hierna: het rapport van Res Nova) is overgelegd, dit rapport ter beoordeling voorgelegd aan de monumentencommissie. De monumentencommissie heeft de door haar opgestelde adviezen van 28 augustus 2003 en 8 maart 2004 aan het rapport van Res Nova getoetst. Zoals blijkt uit de brief van de monumentencommissie van 27 mei 2005 en de documenten die daaraan ten grondslag liggen, vormt het rapport van Res Nova voor de monumentencommissie geen aanleiding terug te komen op de eerder door haar gegeven adviezen. Hoewel de Sacramentskerk cultuurhistorische waarde heeft, acht zij in architectonisch en stedenbouwkundig opzicht onvoldoende kwaliteit aanwezig. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het rapport van Res Nova onvoldoende aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat de adviezen van de monumentencommissie van 28 augustus 2003 en 8 maart 2004 niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen of anderszins gebreken vertonen. Dat in het rapport van Res Nova een andere mening over het belang en de waarde van de Sacramentskerk is vervat, is hiervoor onvoldoende. Ook het feit dat de monumentencommissie niet unaniem is in haar in de brief van 27 mei 2005 vervatte nadere advies betekent, anders dan appellante kennelijk meent, niet dat het ten behoeve van de adviezen door de monumentencommissie verrichte onderzoek niet op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.

2.5.    Gelet op het voorgaande is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat het college de adviezen van de monumentencommissie van 28 augustus 2003 en 8 maart 2004 aan zijn weigering de Sacramentskerk aan te wijzen als beschermd gemeentelijk monument ten grondslag mocht leggen. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van de gronden waarop zij berust vanwege hetgeen in rechtsoverweging 2.3.1 is overwogen, te worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. S.F.M. Wortmann, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek    w.g. Groenendijk

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 september 2006

164-420.