Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY7586

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-09-2006
Datum publicatie
06-09-2006
Zaaknummer
200509889/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij afzonderlijke besluiten van 26 juni 2003 heeft het dagelijks bestuur van de deelgemeente Overschie van de gemeente Rotterdam (hierna: het dagelijks bestuur) appellanten gelast de op het perceel [locatie] (hierna: het perceel) zonder bouwvergunning geplaatste acht zeecontainers binnen zestien weken te verwijderen en verwijderd te houden, onder oplegging van een dwangsom van € 8000,-- ineens.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:32
Algemene wet bestuursrecht 7:11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2009/76

Uitspraak

200509889/1.

Datum uitspraak: 6 september 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. GEMWT 05/2049 van de rechtbank Rotterdam van 24 oktober 2005 in het geding tussen:

appellanten

en

het dagelijks bestuur van de deelgemeente Overschie van de gemeente Rotterdam.

1.    Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 26 juni 2003 heeft het dagelijks bestuur van de deelgemeente Overschie van de gemeente Rotterdam (hierna: het dagelijks bestuur) appellanten gelast de op het perceel [locatie] (hierna: het perceel) zonder bouwvergunning geplaatste acht zeecontainers binnen zestien weken te verwijderen en verwijderd te houden, onder oplegging van een dwangsom van € 8000,-- ineens.

Bij afzonderlijke besluiten van 6 mei 2004 heeft het dagelijks bestuur appellanten opnieuw gelast de op het perceel zonder bouwvergunning geplaatste acht zeecontainers binnen zestien weken te verwijderen en verwijderd te houden, onder oplegging van een dwangsom van € 80.000,-- ineens.

Bij besluit van 7 december 2004 heeft het dagelijks bestuur geweigerd de bij voormelde besluiten van 26 juni 2003 en 6 mei 2004 aan appellanten opgelegde lasten onder dwangsom op te heffen.

Bij besluit van 26 april 2005 heeft het dagelijks bestuur het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 oktober 2005, verzonden op 26 oktober 2005, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 1 december 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 25 januari 2006 heeft het dagelijks bestuur van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 juli 2006, waar [gemachtigde], bijgestaan door mr. A. van Diermen, gemachtigde, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door drs. D. Noppe, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) vindt, indien het bezwaar ontvankelijk is, op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats.

   Ingevolge artikel 7:11, tweede lid, van de Awb herroept het bestuursorgaan, voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, het bestreden besluit en neemt het voor zover nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit.

2.1.1.    Appellanten betogen allereerst dat de rechtbank heeft miskend dat, nu de wettelijke grondslag van de beslissing op bezwaar een andere is dan die van het in primo bestreden besluit, sprake is van een nieuw primair besluit. Dit betoog faalt. Terecht heeft de rechtbank geoordeeld dat artikel 7:11 van de Awb niet in de weg staat aan handhaving van een besluit op grond van een andere wettelijk bepaling dan die waarop het in het bezwaar bestreden primaire besluit berust. Integendeel, voor het herstellen van misslagen biedt de bezwaarschriftprocedure, met haar karakter van algehele heroverweging, een gelegenheid bij uitstek. Aangezien bij de beslissing op bezwaar nog steeds sprake is een weigering de opgelegde last onder dwangsom op te heffen, ook al is dat krachtens een andere wettelijke bepaling, is er naar het oordeel van de Afdeling dan ook geen sprake van een nieuw primair besluit.

2.2.    Appellanten betogen dat de rechtbank heeft miskend dat zij in de onmogelijkheid verkeren aan de hen bij besluiten van 26 juni 2003 en 6 mei 2004 opgelegde last te voldoen. Hiertoe voeren zij aan dat zij niet als overtreder zijn aan te merken, althans het niet in hun macht hebben aan deze last te voldoen.

2.2.1.    Ingevolge artikel 5:34, eerste lid, van de Awb, voor zover thans van belang, kan het bestuursorgaan dat een last onder dwangsom heeft opgelegd, op verzoek van de overtreder de last opheffen, ingeval van blijvende of tijdelijke gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid voor de overtreder om aan zijn verplichtingen te voldoen.

2.2.2.    Bij uitspraak van 12 april 2006, in zaak no. 200504062/1, heeft de Afdeling geoordeeld dat het dagelijks bestuur appellanten terecht heeft aangemerkt als overtreder van het verbod van artikel 40, eerste lid, van de Woningwet om te bouwen zonder bouwvergunning. Tevens heeft de Afdeling geoordeeld dat het dagelijks bestuur zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat aan appellanten de feitelijke zeggenschap toekomt over het perceel en de daarop aanwezige zeecontainers, zodat het zij het in hun macht hebben aan de bij de besluiten van 26 juni 2003 en 6 mei 2004 opgelegde lasten te voldoen.

2.2.3.    Anders dan appellanten van mening zijn leent de thans voorliggende procedure zich er niet voor om het overtrederschap opnieuw aan een rechterlijk oordeel te onderwerpen. Hetgeen dienaangaande ter zitting nog naar voren is gebracht dient dan ook buiten beschouwing te worden gelaten.

2.2.4.    Daargelaten kan worden of de rechtbank terecht heeft overwogen dat eenmaal ingevorderde dwangsommen niet met terugwerkende kracht kunnen worden opgeheven, omdat gelet op hetgeen hiervoor onder 2.2.2 is overwogen, zij met juistheid heeft geoordeeld dat het dagelijks bestuur niet heeft hoeven aannemen dat appellanten in een blijvende of tijdelijke gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid verkeerden om aan hun verplichtingen te voldoen. Evenzeer terecht heeft zij overwogen dat het dagelijks bestuur evenmin andere, niet in artikel 5:34, eerste lid, van de Awb bedoelde omstandigheden die tot opheffing van de last zouden moeten leiden hebben hoeven aannemen.

Het betoog van appellanten slaagt niet.

2.3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink    w.g. Steinebach-de Wit

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 september 2006

328-476.