Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY7583

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-09-2006
Datum publicatie
06-09-2006
Zaaknummer
200508980/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 februari 2005 heeft de gemeenteraad van Dordrecht, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 11 november 2004, aangevuld bij voorstel van 21 januari 2005, het bestemmingsplan "Oud- en Nieuw Krispijn" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200508980/1.

Datum uitspraak: 6 september 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 1 februari 2005 heeft de gemeenteraad van Dordrecht, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 11 november 2004, aangevuld bij voorstel van 21 januari 2005, het bestemmingsplan "Oud- en Nieuw Krispijn" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 6 september 2005,

kenmerk DRM/ARB/05/1496A, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 27 oktober 2005, bij de Raad van State ingekomen op 28 oktober 2005, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 22 november 2005.

Bij brief van 11 januari 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 8 maart 2006. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 juni 2006, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. P. Groeneveld, en verweerder, vertegenwoordigd door ir. T. Leene, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord de gemeenteraad van Dordrecht, vertegenwoordigd door E.M. Pronk en R.P.E. Koppelaar, ambtenaren van de gemeente.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht, zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten, op dit geding van toepassing blijft.

Toetsingskader van de Afdeling

2.2.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Het standpunt van appellante

2.3.    Appellante stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de in artikel 3, achtste en negende lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan neergelegde regeling. Zij betoogt dat door de regeling bij hoekwoningen ruimere bebouwingsmogelijkheden ontstaan, die ongewenst zijn en in strijd met de ruime opzet van de wijk. De motivering van het gemeentebestuur voor de ruimere bebouwingsmogelijkheden is een behoefte aan meer woon- en leefruimte. Deze behoefte is echter niet nader onderzocht en bovendien niet aanwezig, aldus appellante.

Het standpunt van verweerder

2.4.    Verweerder heeft artikel 3, achtste en negende lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en heeft deze bepaling goedgekeurd. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat door de gedetailleerde regeling objectieve normen worden vastgelegd waaraan in de toekomst kan worden getoetst en heeft ingestemd met de ruimtelijke en stedenbouwkundige onderbouwing van het bestemmingsplan, zoals weergegeven in de plantoelichting.

De vaststelling van de feiten

2.5.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.5.1.    Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan, voor zover hier van belang, zijn de op de plankaart voor "Woondoeleinden" aangewezen gronden bestemd voor woondoeleinden.

   Ingevolge artikel 3, vijfde lid, van de voorschriften mogen woningen slechts worden gebouwd met inachtneming van de op de plankaart opgenomen aanduiding:

W:    niet gestapelde woningen alsmede boven- en benedenwoningen;

W(s):    gestapelde woningen;

W(v):    vrijstaande woning;

W(tw):    twee onder een kap woningen;

W(d):    dijkwoningen.

   Ingevolge artikel 3, achtste lid, van de voorschriften gelden ter plaatse van de op de plankaart bij W, W(v), W(tw) en W(d) behorende en met "tuin" aangeduide gronden per perceel de volgende regels:

Toegestaan zijn:

a.    aanbouwen in de vorm van een overkapping voor de voorgevel ter plaatse van de toegang van de woning met dien verstande dat:

   - de breedte niet meer dan 1,5 meter mag bedragen;

   - de diepte vanuit de voorgevel niet meer dan 1,25 meter mag bedragen;

   - de overkapping, de voorgevel niet meegerekend, maximaal aan één zijde gesloten mag zijn;

b. erfafscheidingen tot een hoogte van 1 meter met dien verstande dat:

   - de hoogte van een direct aan de voorgevel geplaatste erfafscheiding tot een afstand van 1,5 meter voor de voorgevel niet meer dan 1,80 mag bedragen;

   - de hoogte achter de voorgevelrooilijn 2 meter mag bedragen.

c. vlaggenmasten tot een hoogte van 9 meter;

d. bouwwerken geen gebouwen zijnde, met uitzondering van overkappingen en erfafscheidingen, tot een hoogte van maximaal 3 meter.

   Ingevolge artikel 3, negende lid, van de voorschriften gelden ter plaatse van de op de plankaart bij W, W(v), W(tw) en W(d) behorende en met "erf" aangeduide gronden per perceel de volgende regels:

a. toegestaan zijn aan- en bijgebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde;

b. het gezamenlijke oppervlak van bouwwerken mag niet meer bedragen dan 50% van de met "erf" aangeduide gronden tot een maximum van 50 m2 met dien verstande dat als de oppervlakte van de met "erf" aangeduide gronden van een perceel minder dan 30 m2 bedraagt deze oppervlakte voor 100% mag worden bebouwd;

c. de hoogte van aan- en bijgebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde mag niet meer bedragen dan 3 meter;

d. in afwijking van het bepaalde onder c. zijn aan- en bijgebouwen en overkappingen aan de achterkant van de woning tot een diepte van

2,5 meter buiten het bouwvlak alsmede aan de zijkant van de woning toegestaan tot een hoogte van 0,25 meter boven de vloer van de eerste verdieping van de woning tot een maximum van 4 meter of als de woning lager is tot de hoogte van de woning;

e. bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegestaan in de vorm van vlaggenmasten tot een hoogte van 9 meter en in de vorm van antennemasten tot een hoogte van 1 meter boven de nokhoogte van het hoofdgebouw op het desbetreffende perceel.

2.5.2.    In de plantoelichting staat dat binnen de bestemming "Woondoeleinden" op de plankaart en in de voorschriften een onderscheid is gemaakt in:

- een bouwvlak, waarbinnen onder meer hoofdbebouwing is toegestaan;

- een gebied waar aan- en bijgebouwen zijn toegestaan (aanduiding "erf");

- een gebied waar in principe geen gebouwen zijn toegestaan (aanduiding "tuin").

Volgens de plantoelichting is het bouwvlak veelal om de huidige bebouwing gelegd; in nieuwe situaties is het bouwvlak geënt op de voorgenomen hoofdbebouwing voor zover die bekend is. Als uitbreiding van de hoofdbebouwing in één laag of met dezelfde hoogte als de hoofdbebouwing acceptabel is, is het bouwvlak uitgebreid. Dit is bijvoorbeeld het geval bij vrijstaande woningen of bij hoeksituaties. Daarbij is rekening gehouden met de ligging van voorgevels in bedoelde straten.

Bij eengezinswoningen is het gedeelte waar aan- en bijgebouwen zijn toegestaan (erf) gesitueerd aan de achterzijde en bij hoek- of vrijstaande woningen ook aan de zijkant van de woning. Het gedeelte aan de zijkant van de woning ligt 0,5 meter achter de voorgevel van de woning, heeft een breedte van maximaal 2/3 van de breedte van de voorgevel en een afstand van 1 meter tot de perceelgrens.

Voor de hoogte en diepte van aan- en uitbouwen is aansluiting gezocht bij de criteria voor vergunningvrije bouwwerken in de Woningwet: een uitbreiding mag een diepte hebben van 2,5 meter buiten het bouwvlak tot een hoogte van 0,25 meter boven de vloer van de eerste verdieping van de woning (tot een maximum van 4 meter). Andere aan- en bijgebouwen zijn toegestaan mits deze onder meer niet hoger zijn dan 3 meter en het gezamenlijk oppervlak van bouwwerken niet meer bedraagt dat 50% van het erf tot een maximum van 50 m2.

Op de grotendeels vóór de voorgevel gelegen gronden met de nadere aanduiding "tuin" zijn in principe geen gebouwen toegestaan. Wel zijn bouwwerken geen gebouwen zijnde toegestaan, waaronder erfafscheidingen. Voor de voorgevelrooilijn, die op de plankaart is aangegeven, mogen erfafscheidingen een hoogte hebben van 1 meter en achter de voorgevelrooilijn een hoogte van 2 meter. Als een zij- en achterperceel grenst aan (grotere) voortuinen van andere woningen wordt de scheiding tussen tuin en erf mede bepaald door de uitzichthoek (30 graden) vanuit het midden van de voorgevel van de 'andere woning'.

Bij gestapelde bebouwing is het bouwvlak gelegd rondom de bestaande bebouwing. Ook hier is op de kaart en in de voorschriften gewerkt met de nadere aanduidingen "tuin" en "erf". Als op de gronden van gestapelde bebouwing aan- en bijgebouwen aanwezig of acceptabel zijn, zijn de - in principe achter het hoofdgebouw/bouwvlak gelegen - gronden nader aangeduid met "erf". De overige gronden en als dergelijke bebouwing niet acceptabel is alle gronden rond de gestapelde bebouwing zijn aangeduid met "tuin", aldus de plantoelichting.

2.5.3.    In het nader ingekomen stuk van het gemeentebestuur van 11 januari 2006 staat dat de plankaart en de voorschriften van het bestemmingsplan gedetailleerd vastleggen welke bouwwerken op welke plaatsen gebouwd mogen worden. Hierbij wordt met het intekenen van bouwvlakken gebruik gemaakt van de aanduidingen "erf" en "tuin", waarbij de aanduiding "erf" ruimere bebouwingsmogelijkheden kent dan de aanduiding "tuin". De aanduiding "tuin" bevindt zich voornamelijk voor de voorgevels van woningen terwijl de aanduiding "erf" voornamelijk de zij- en achtertuin betreft. In situaties waarbij een zij- en achtertuin van een hoekwoning grenst aan de voortuin van een andere woning zijn de bouwmogelijkheden in de zij- en achtertuin van de hoekwoning beperkt ten opzichte van andere zij- en achtertuinen. Bij hoekwoningen wordt namelijk in de zij- en achtertuin een scheiding aangebracht tussen "tuin" en "erf". Deze scheiding is bepaald door de uitzichthoek (30 graden) te nemen vanuit het midden van de voorgevel van de 'andere woning'. In het bestemmingsplan zijn objectieve normen vastgelegd waaraan getoetst kan worden en de gemaakte keuzes zijn voorzien van een draagkrachtige motivering, aldus het gemeentebestuur.

Het oordeel van de Afdeling

2.6.    Gelet op het stelsel van de Wet op de Ruimtelijke Ordening komt de gemeenteraad in beginsel een grote mate van vrijheid toe om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht.    

2.6.1.    Uit het gestelde in de overwegingen 2.5.2. en 2.5.3. kan worden afgeleid dat aan de regeling die is opgenomen in artikel 3, achtste en negende lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan bewust beleid ten grondslag ligt.

In de voorschriften van het bestemmingsplan is een onderscheid gemaakt tussen gronden met een woonbestemming met de nadere aanduiding "erf" en gronden met de nadere aanduiding "tuin". Blijkens artikel 3 van de planvoorschriften zijn op de gronden met de nadere aanduiding "erf" ruimere bebouwingsmogelijkheden toegestaan. Bij hoekwoningen ligt de grens tussen de gronden met de aanduiding "tuin" en "erf" 30 graden vanuit het midden van de voorgevel van de dichtstbijzijnde woning. Uit de stukken blijkt dat het gemeentebestuur hierbij een afweging heeft gemaakt tussen de behoefte aan ruimere bebouwingsmogelijkheden enerzijds en de wens om niet geconfronteerd te worden met (de mogelijkheid tot) grote bouwmassa's direct grenzend aan de woning anderzijds. Ter zitting is voorts gebleken dat tevens rekening is gehouden met de wens van de bewoners van de (hoek)woningen om privacy te behouden en enig zicht veilig te stellen, maar dat van een zichtlijnregeling in de voorschriften geen sprake is.

De Afdeling acht deze uitgangspunten niet onredelijk. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat de bebouwingsmogelijkheden in betekenende mate afbreuk doen aan de opzet van de wijk. Evenmin heeft zij aannemelijk gemaakt dat de ruimere bebouwingsmogelijkheden niet voorzien in een behoefte, dan wel dat deze leiden tot een onaanvaardbare inbreuk op de privacy.

2.6.2.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de in artikel 3, achtste en negende lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan neergelegde regeling niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan artikel 3, achtste en negende lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan.

Het beroep is ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, Voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Ettekoven    w.g. Neuwahl

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 september 2006

280-464.