Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY7582

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-09-2006
Datum publicatie
06-09-2006
Zaaknummer
200601571/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 januari 2005 heeft de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de Staatssecretaris) appellante een bestuurlijke boete opgelegd van € 4050,00 in verband met een arbeidsongeval op een locatie in Brielle op 28 januari 2004.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2007, 254

Uitspraak

200601571/1.

Datum uitspraak: 6 september 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], gevestigd te [plaats], gemeente Bernisse,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/3324 van de rechtbank Rotterdam van 1 februari 2006 in het geding tussen:

appellante

en

de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 12 januari 2005 heeft de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de Staatssecretaris) appellante een bestuurlijke boete opgelegd van € 4050,00 in verband met een arbeidsongeval op een locatie in Brielle op 28 januari 2004.

Bij besluit van 28 juni 2005 heeft de Staatssecretaris het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 februari 2006, verzonden op 6 februari 2006, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 24 februari 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 3 april 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 4 mei 2006 heeft de Staatssecretaris van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 juli 2006, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. F.R.H. Kuiper, advocaat te Apeldoorn, en [directeur], en de Staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. C.M. Speear en mr. F.W. Jansen, ambtenaren van het Ministerie, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 16, tiende lid, van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 (hierna: de Arbowet) zijn de werkgever, dan wel een ander dan de werkgever bedoeld in het zevende, achtste of negende lid en de werknemers verplicht tot naleving van de voorschriften en verboden als bedoeld in de op grond van dit artikel vastgestelde algemene maatregel van bestuur voor zover en op de wijze als bij deze maatregel is bepaald.

   Ingevolge artikel 33, tweede lid, van de Arbowet wordt als beboetbaar feit tevens aangemerkt de handeling of het nalaten in strijd met artikel 16, tiende lid, voor zover het niet naleven van de in dat artikellid bedoelde voorschriften en verboden bij algemene maatregel van bestuur is aangemerkt als beboetbaar feit. Ter zake van de feiten, bedoeld in de vorige volzin, wordt bij algemene maatregel van bestuur bepaald of een boete kan worden opgelegd van de eerste of tweede categorie.

   Ingevolge artikel 3.17, eerste volzin, van het Arbeidsomstandighedenbesluit (hierna: het Arbobesluit), zoals dat luidde tot 25 februari 2004, wordt het gevaar te worden getroffen door ongewild in beweging komende of vrijkomende voorwerpen, producten, vloeistoffen of gassen voorkomen en, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk beperkt.

   Ingevolge artikel 9.9c, eerste lid, aanhef en onder c, van het Arbobesluit, voor zover hier van belang, wordt als beboetbaar feit ter zake waarvan een boete kan worden opgelegd van de tweede categorie aangemerkt de handeling of het nalaten in strijd met de voorschriften welke zijn opgenomen in artikelen 3.17.

2.2.    Appellante bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat zij artikel 3.17 van het Arbobesluit heeft overtreden, zodat de Staatssecretaris bevoegd was haar een boete op te leggen. Zij voert aan dat zij alles heeft gedaan om een zo veilig mogelijke werkomgeving te garanderen.

2.2.1.    De Staatssecretaris heeft appellante de boete opgelegd naar aanleiding van een arbeidsongeval waarbij een werknemer is geraakt door een boom die is losgeraakt uit de sorteerknijper waarmee de boom, nadat deze door de werknemer was ingezaagd, werd afgebroken en verplaatst. De toedracht van het ongeval is niet in geschil, zodat vast staat dat de werknemer is getroffen door een ongewild vrijkomend voorwerp als bedoeld in artikel 3.17 van het Arbobesluit. Dit brengt mee dat voor het antwoord op de vraag of de Staatssecretaris bevoegd was op grond van die bepaling een boete op te leggen, bepalend is of aannemelijk is dat appellante het gevaar dat dit ongeval zich zou voordoen zoveel mogelijk heeft beperkt. Bij de beantwoording van die vraag spitst het geschil zich toe op de vraag of appellante de werknemer voldoende duidelijke instructies heeft gegeven.

   Niet in geschil is dat de instructie ter zake luidde dat de werknemer na het inzagen van de boom op een veilige afstand van de boom moest gaan staan. Appellante stelt dat deze instructie voldoende duidelijk is, omdat de werknemer een gediplomeerde en ervaren zager is en dat op dit punt geen duidelijker instructie kan worden gegeven omdat per situatie en per boom verschilt wat precies een veilige afstand is. Daarom is het volgens appellante onmogelijk om de werknemer vooraf te instrueren op hoeveel meter afstand van de boom hij moet gaan staan.

   De Afdeling stelt vast dat de boom waardoor de werknemer is geraakt ongeveer zeven meter hoog was en de werknemer, toen de boom losraakte uit de sorteerknijper, op ongeveer drie meter afstand stond, welke afstand zowel door werknemer als door werkgever in de onderhavige omstandigheden als veilig is aangemerkt. Er was evenwel een reële kans dat de afgezaagde boom nabijstaande bomen zou raken en daarmee verstrikt zou raken, nu de werkzaamheden - zoals appellante ter zitting heeft toegelicht - bestonden uit het uitdunnen van in rijen geplante bomen. Daarom valt niet in te zien dat bij het bepalen van wat een veilige afstand tot de boom was, geen rekening diende te worden gehouden met de mogelijkheid dat de boom door aanraking met andere bomen los zou raken uit de sorteerknijper, hetgeen zich in dit geval ook daadwerkelijk heeft voorgedaan en het ongeval heeft veroorzaakt. De Afdeling is dan ook met de rechtbank van oordeel dat de afstand van drie meter, gelet op de hoogte van de boom, niet als veilige afstand kon worden aangemerkt en dat de instructie aan de werknemer om op een veilige afstand te gaan staan kennelijk onvoldoende duidelijk was. De Staatssecretaris heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat appellante het gevaar dat de werknemer werd geraakt door een ongewild vrijkomende boom niet zo veel mogelijk heeft beperkt. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de Staatssecretaris bevoegd was een sanctie op te leggen.

   De klacht van appellante dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet in geschil is dat appellante geen toezicht als bedoeld in artikel 8 van de Arbowet op de werkzaamheden heeft uitgeoefend, kan buiten behandeling blijven, nu de Staatssecretaris het ontbreken van toezicht niet aan zijn besluit ten grondslag heeft gelegd.

2.3.    Het hoger beroep is ongegrond.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. F.P. Zwart en mr. G.J. van Muijen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. I.A. Molenaar, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom    w.g. Molenaar

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 september 2006

413.