Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY7580

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-09-2006
Datum publicatie
06-09-2006
Zaaknummer
200510373/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 juni 2005 heeft appellant (hierna: het college) aan de gemeente Noordwijkerhout sloopvergunning verleend ingevolge de Leefmilieuverordening Centrum Noordwijkerhout (hierna: leefmilieuverordening) voor de sloop van de muur rond de Witte Kerk op het perceel Dorpsstraat 7 te Noordwijkerhout.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Bouwregelgeving 2006/157

Uitspraak

200510373/1.

Datum uitspraak: 6 september 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Noordwijkerhout,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nos. AWB 05/7396, 05/7972 en 05/7904 van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage van 23 november 2005 in het geding tussen:

de Vereniging Dorpsbehoud Noordwijkerhout, gevestigd te Noordwijkerhout

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 6 juni 2005 heeft appellant (hierna: het college) aan de gemeente Noordwijkerhout sloopvergunning verleend ingevolge de Leefmilieuverordening Centrum Noordwijkerhout (hierna: leefmilieuverordening) voor de sloop van de muur rond de Witte Kerk op het perceel Dorpsstraat 7 te Noordwijkerhout.

Bij afzonderlijk besluit van 6 juni 2005 heeft het college aan de gemeente Noordwijkerhout sloopvergunning verleend ingevolge de bouwverordening van de gemeente Noordwijkerhout (hierna: de bouwverordening) voor de sloop van de muur.

Bij besluit van 16 juni 2005 heeft het college aan de gemeente Noordwijkerhout bouwvergunning verleend voor een muur rond de kerk.

Bij besluit van 18 oktober 2005 heeft het college de bezwaren tegen de bouwvergunning van 16 juni 2005 gegrond verklaard omdat ten tijde van de verlening daarvan een aanhoudingsplicht gold ingevolge artikel 50, eerste lid, van de Woningwet, onder herroeping van dat besluit alsnog bouwvergunning verleend, en de tegen de besluiten van 6 juni 2005 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 november 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het tegen het besluit van 18 oktober 2005 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover daarbij is beslist op de bezwaren tegen de besluiten van 6 juni 2005, en voorts het besluit van 18 oktober 2005 tot verlening van bouwvergunning vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief van 15 december 2005, bij de Raad van State ingekomen op 21 december 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 25 januari 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 20 februari 2006 heeft de Vereniging Dorpsbehoud Noordwijkerhout van antwoord gediend.

Op 18 juli 2006 zijn nadere stukken ontvangen van de Vereniging Dorpsbehoud Noordwijkerhout. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 augustus 2006, waar het college, vertegenwoordigd door mr. J. Correljé en J. Jansen-van der Heijden, ambtenaren van de gemeente, is verschenen.

Voorts is als partij gehoord de Vereniging Dorpsbehoud Noordwijkerhout, vertegenwoordigd door F.O. Vijselaar.

2.    Overwegingen

2.1.    Niet in geschil is dat de kerk is aangewezen als beschermd monument en dat de daaromheen geplaatste muur en de daarbinnen gelegen hof ten tijde hier van belang niet als zodanig waren aangewezen. Het bouwplan voorziet in een muur ter vervanging van de bestaande muur.

2.2.    De Vereniging Stad, Dorp & Land (hierna: de welstandscommissie) heeft zich in haar advies van 24 mei 2005 op het standpunt gesteld dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand. Daarin is aangegeven dat het bouwplan reeds is besproken in de monumentencommissie. Bij brief van 3 juni 2005 heeft de welstandcommissie het college bericht dat het bij de advisering op 24 mei 2005 is uitgegaan van de mededeling dat de monumentencommissie akkoord was en dat, nu haar is gebleken dat die commissie een meer genuanceerde mening heeft geuit ten aanzien van het bouwplan, zij een integraal welstands- en monumentenadvies wenselijk acht. In een brief van 13 juni 2005 heeft de monumentencommissie het college bericht dat het bouwplan niet voldoet aan de historische kwaliteit van de stedenbouwkundige ruimte zoals die gegroeid, vastgesteld en in de loop van de jaren is gewijzigd. Het college heeft geen gevolg gegeven aan de in de brief van de welstandscommissie van 3 juni 2005 gedane suggestie en heeft zich bij zijn beslissing op bezwaar mede op grond van het welstandsadvies van 24 mei 2005 op het standpunt gesteld dat het bouwplan niet in strijd is met redelijke eisen van welstand.

2.3.    Het college betoogt met succes dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat het zijn oordeel dat het bouwplan niet in strijd is met redelijke eisen van welstand niet heeft mogen baseren op het welstandsadvies van 24 mei 2005. De welstandscommissie is in de procedure niet teruggekomen op het eerder uitgebrachte positieve advies. Het college heeft voorts in zijn bij de beslissing op bezwaar gehandhaafde besluit tot verlening van bouwvergunning voldoende gemotiveerd aangegeven waarom hij het in de brief van 24 mei 2005 neergelegde standpunt van de welstandscommissie onderschrijft en waarom het geen gehoor heeft gegeven aan de in de brief van 3 juni 2005 gedane suggestie.

2.4.    Het college betoogt voorts met succes dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat het de beslissing op aanvraag om een voor de sloop van de muur ingevolge de leefmilieuverordening vereiste sloopvergunning op grond van artikel 22, tweede lid, van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing had behoren aan te houden, omdat wegens het ontbreken van een positief welstandsadvies onzeker was dat bouwvergunning voor de vervangende muur zou kunnen worden verleend. Zoals hiervoor is overwogen heeft het college terecht zijn standpunt gehandhaafd dat het bouwplan niet in strijd is met redelijke eisen van welstand zodat de welstandsaspecten niet in de weg stonden aan het verlenen van bouwvergunning.

2.5.    Ten slotte slaagt het betoog van het college dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat het de beslissing op de aanvraag om een sloopvergunning ingevolge de bouwverordening van de gemeente Noordwijkerhout had moeten aanhouden. Weliswaar heeft het college bij de verlening van die vergunning miskend dat ingevolge artikel 8.1.4, tweede lid, van de bouwverordening de aanhoudingsplicht eerst eindigt zes weken nadat is beslist op de aanvraag om sloopvergunning ingevolge de leefmilieuverordening, doch dit laat onverlet dat de aanhoudingsplicht was geëindigd ten tijde van de beslissing op bezwaar. De omstandigheid dat de voorzieningenrechter het besluit tot handhaving van de sloopvergunning ingevolge de leefmilieuverordening heeft vernietigd, betekent niet dat de aanhoudingsplicht herleeft.

2.6.    Gelet op het voorgaande behoeft het betoog van het college dat de voorzieningenrechter ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, geen bespreking.

2.7.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep van de Vereniging Dorpsbehoud Noordwijkerhout afdoen.

2.8.    In beroep heeft de Vereniging Dorpsbehoud Noordwijkerhout aangevoerd dat het college het bouwplan ten onrechte niet in strijd met redelijke eisen van welstand heeft geacht. Gelet op hetgeen onder 2.3. is overwogen, faalt dat betoog. Haar stelling dat het bouwplan in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Centrum" is door de voorzieningenrechter uitdrukkelijk en zonder voorbehoud verworpen. Tegen dat oordeel zijn geen rechtsmiddelen aangewend, zodat van de juistheid van dat oordeel thans moet worden uitgegaan. Het beroep van de Vereniging Dorpsbehoud Noordwijkerhout is ongegrond.

2.9.    Voor inwilliging van het verzoek van het college om te bepalen dat onmiddellijk uitvoering kan worden gegeven aan de gehandhaafde besluiten bestaat geen wettelijke grondslag. De Afdeling merkt in dit verband op dat ten aanzien van de bestaande muur rond de Witte Kerk inmiddels een procedure ingevolge de Monumentenwet 1988 is ingezet die in dit geding niet aan de orde is.

2.10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage van 23 november 2005, AWB 05/7396, 05/7972 en 05/7904;

III.    verklaart het door de Vereniging Dorpsbehoud Noordwijkerhout bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Willems, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk    w.g. Willems

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 september 2006

412.