Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY7574

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-09-2006
Datum publicatie
06-09-2006
Zaaknummer
200600535/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 november 2005 heeft verweerder aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen van de inrichting gelegen op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 9 december 2005 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200600535/1.

Datum uitspraak: 6 september 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Littenseradiel,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 30 november 2005 heeft verweerder aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen van de inrichting gelegen op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 9 december 2005 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 18 januari 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld.

Bij brief van 1 maart 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 augustus 2006, waar verweerder, vertegenwoordigd door mr. H. Meijering, ambtenaar van de gemeente, is verschenen.

Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door [gemachtigde], ing. K. Kooistra en mr. C. T. de Weerdt, advocaat te Drachten, als partij gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat de bij deze wetten doorgevoerde wetswijzigingen niet van toepassing zijn op het huidige geding.

   Op 1 december 2005 zijn de wet van 16 juli 2005, houdende wijziging van de Wet milieubeheer en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Stb. 2005, 432), en het besluit van 8 oktober 2005, houdende wijziging van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (Stb. 2005, 527), in werking getreden. Nu het bestreden besluit vóór 1 december 2005 is genomen, moet dit worden beoordeeld aan de hand van het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wet en dit besluit.

2.2.    Verweerder heeft gesteld dat het beroep niet-ontvankelijk is voor zover dat zich keert tegen de naleefbaarheid van de in de voorschriften gestelde geluidgrenswaarden als gevolg van het plaatsen van een windmolen.

   Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer, zoals dat vóór 1 juli 2005 luidde, kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a.    degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b.    de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c.    degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d.    belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

   Anders dan verweerder heeft gesteld vindt de grond inzake de naleefbaarheid van de geluidgrenswaarden wel zijn grondslag in de bedenkingen waarin immers is aangevoerd dat niet aan de gestelde geluidgrenswaarden kan worden voldaan. Het beroep is daarom in zoverre ontvankelijk.

   Appellant heeft de gronden inzake de toereikendheid van de gestelde geluidgrenswaarden, de ammoniakemissie, het stalsysteem en de toetsing aan de stankwet niet als bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellant redelijkerwijs niet kan worden verweten op dit punt geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk is.

2.3.    Appellant stelt dat niet aan de bij het bestreden besluit gestelde geluidvoorschriften kan worden voldaan nu geen rekening is gehouden met de windmolen die binnen de inrichting is geplaatst nadat de onderliggende vergunning van 7 september 1999 is verleend.

2.3.1.    Verweerder stelt dat de windmolen niet tot de inrichting behoort, maar een inrichting op zich is.

2.3.2.    Ter zitting is gebleken dat de windmolen zich op het terrein van de inrichting bevindt, dat de windmolen wordt aangewend ten behoeve van de inrichting en dat de bij het bestreden besluit verleende vergunning mede ziet op de windmolen. Verweerder heeft derhalve ten onrechte gesteld dat de windmolen niet tot de inrichting behoort. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dat eist dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van het besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten.

2.3.3.    Ingevolge artikel 8.19, eerste lid, van de Wet milieubeheer geldt een voor een inrichting verleende vergunning ook voor een onderdeel van de inrichting, ten aanzien waarvan, ware het een zelfstandige inrichting, het in artikel 8.1, eerste lid, gestelde verbod niet zou gelden ingevolge een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 8.40, indien dat bij die maatregel is bepaald. In dat geval gelden voor het betrokken onderdeel uitsluitend de bij de maatregel gestelde voorschriften.

   Het Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer (hierna: het Besluit) is een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 8.40 van de Wet milieubeheer als bedoeld in artikel 8.19, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Ter zitting is niet gebleken dat verweerder heeft onderzocht of het Besluit van toepassing is op de binnen de inrichting aanwezige windmolen, zodat hij niet kon bepalen of de geluidbelasting die de windmolen met zich brengt, dient te worden meegenomen in de beoordeling van de akoestische situatie van de inrichting. Gelet hierop overweegt de Afdeling dat verweerder niet heeft kunnen vaststellen of de gestelde geluidgrenswaarden kunnen worden nageleefd. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, dat eist dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van het besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten, en in strijd met artikel 3:46 van die wet niet deugdelijk gemotiveerd.

2.4.    Het beroep is, voor zover ontvankelijk, gegrond. Nu het geluidaspect bepalend is voor de beantwoording van de vraag of de gevraagde vergunning kan worden verleend, dient het besluit in zijn geheel te worden vernietigd. De overige beroepsgronden behoeven dan ook geen bespreking.

2.5.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep, voor zover het de gronden inzake de toereikendheid van de gestelde geluidgrenswaarden, de ammoniakemissie, het stalsysteem en de toetsing aan de stankwet betreft, niet-ontvankelijk;

II.    verklaart het beroep voor het overige gegrond;

III.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Littenseradiel van 30 november 2005;

IV.    gelast dat de gemeente Littenseradiel aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 138,00 (zegge: honderdachtendertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H. Beekhuis, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Beekhuis    w.g. Van Hardeveld

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 september 2006

312-492.