Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY7569

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-09-2006
Datum publicatie
06-09-2006
Zaaknummer
200508570/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 augustus 2005 heeft verweerder aan appellante een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend ten behoeve van een inrichting voor het verwerken van cacaobonen en diverse andere cacaoproducten gelegen aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 8 september 2005 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200508570/1.

Datum uitspraak: 6 september 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Ede,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 30 augustus 2005 heeft verweerder aan appellante een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend ten behoeve van een inrichting voor het verwerken van cacaobonen en diverse andere cacaoproducten gelegen aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 8 september 2005 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 10 oktober 2005, bij de Raad van State ingekomen op 11 oktober 2005, beroep ingesteld.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 23 maart 2006. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 juli 2006, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. J.W. van der Linde, advocaat te Ede, en ir. R.J.P. Henderickx, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. H. van Laar en J.J. van Ginkel, beiden ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat de bij deze wetten doorgevoerde wetswijzigingen niet van toepassing zijn op het huidige geding.

   Op 1 december 2005 zijn de wet van 16 juli 2005, houdende wijziging van de Wet milieubeheer en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Stb. 2005, 432), en het besluit van 8 oktober 2005, houdende wijziging van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (Stb. 2005, 527), in werking getreden. Nu het bestreden besluit vóór 1 december 2005 is genomen, moet dit worden beoordeeld aan de hand van het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wet en dit besluit.

2.2.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel, zoals dat vóór 1 juli 2005 luidde, worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voor zover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

   Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van artikel 8.10, eerste lid, en artikel 8.11, zoals dat vóór 1 juli 2005 luidde, van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.3.    De inrichting is gelegen op het bedrijventerrein Frankeneng te Ede. De inrichting grenst aan een in hetzelfde pand gelegen sociale werkplaats. In directe nabijheid zijn nog andere bedrijven gelegen. De kortste afstand tussen de inrichting en deze bedrijven bedraagt ongeveer 20 meter.

2.4.    Appellante voert aan dat verweerder ten onrechte voorschriften aan de vergunning heeft verbonden met betrekking tot stofexplosiegevaar. Dit omdat de Arbeidsomstandighedenwet 1998 en daarmee verwante regelingen reeds voorzien in regelgeving daaromtrent. Daarbij komt dat volgens haar de effecten van een eventuele stofexplosie zich niet uitstrekken tot buiten de grenzen van de inrichting. Dit aspect valt dan ook niet onder het regime van de Wet milieubeheer, aldus appellante.

2.4.1.    Vaststaat dat vanwege de vergunde activiteiten binnen de inrichting condities kunnen ontstaan die leiden tot een stofexplosie. In het bij de aanvraag van 26 november 2004 gevoegde rapport [appellante]; Risicoschatting stofontploffingsgevaar" van Schoonderbeek en Partners Advies B.V. van dezelfde datum zijn met toepassing van de CPR 14E "Methods for the calculation of physical effects (Yellow Book)", 3rd edition 1997, de effecten van een eventuele stofexplosie beoordeeld. De kracht van een stofexplosie en daarmee het effect van een explosie is afhankelijk van de soort stof, het stofwolkvolume (m3), de concentratie van stof in de wolk (g/m3) en de verbrandingswaarde van deze stof. Maatgevend voor het optredende effect is de procesinstallatie met het grootste inwendige volume waarbinnen stofwolken optreden. Binnen de inrichting betreft dit volgens het rapport de mengsilo. De omvang van het optredende effect wordt uitgedrukt in effectafstanden. Uit de berekening, zoals weergegeven in het rapport, volgt dat uitgaande van een "worst case" situatie zich effecten vanwege de stofexplosie tot op maximaal 100 meter van de mengsilo kunnen voordoen.

   De mengsilo bevindt zich op een centrale plaats in de voorbewerkingshal aan de zuidzijde van de inrichting. De kortste afstand van de mengsilo tot aan grens van de inrichting en daarmee tot aan een in hetzelfde pand gelegen inrichting, namelijk een sociale werkplaats, bedraagt 18 meter. De effecten van een eventuele stofexplosie blijven bij een maximale effectstand van 100 meter rondom de mengsilo dan ook niet slechts beperkt tot binnen de grenzen van de inrichting, zodat, mede gezien het deskundigenbericht, de gevolgen van een eventuele stofexplosie door verweerder terecht in het kader van de vergunningverlening krachtens de Wet milieubeheer zijn meegewogen. Dat de Arbeidsomstandighedenwet 1998 en daarmee verwante regelingen reeds voorzien in regelgeving omtrent het voorkomen dan wel beperken van een stofexplosie maakt dit niet anders.

   Deze beroepsgrond faalt derhalve.

2.5.    Appellante betoogt voor het overige dat verweerder heeft miskend dat eerst de in voorschrift 44 van de vergunning bedoelde gevarenzone-indeling moet worden opgesteld alvorens tot het voorschrijven van maatregelen, als bedoeld in de voorschriften 42 en 45 tot en met 54 van de vergunning, over te gaan.

2.5.1.    Een stofexplosie kan zich in het onderhavige geval voordoen wanneer een binnen de zogenoemde explosiegrenzen gelegen concentratie van cacaostof in een zuurstofrijke omgeving in aanraking komt met potentiële ontstekingsbronnen die een voldoende hoeveelheid energie ontwikkelen. In het bij de aanvraag gevoegde rapport is onder toepassing van de Nederlandse praktijkrichtlijn 7910-2 "Gevarenzone-indeling met betrekking tot ontploffingsgevaar - Deel 2: stofontploffingsgevaar, gebaseerd op NEN-EN 0281-1" aan de hand van een gevarenzone-indeling het explosierisico beoordeeld en zijn gevarenzones vastgesteld. Binnen deze gevarenzones zijn volgens het rapport enkele potentiële ontstekingsbronnen aanwezig die een stofontploffing kunnen initiëren. In het rapport wordt aanbevolen om door het treffen van enkele aanvullende technische en organisatorische maatregelen het risico van een stofontploffing verder te voorkomen en te beheersen.

   De technische maatregelen betreffen het aanpassen van Tl-armaturen of het vervangen van Tl-buizen. Tevens dienen alle elektrische installaties voorzien te zijn van aarding. De organisatorische maatregelen betreffen het hanteren van een instructie bij onderhoudswerkzaamheden voor zover het lassen en slijpen betreft en het regelmatig verwijderen van de stofafzetting op installaties binnen de inrichting. Voorts wordt aanbevolen om na het treffen van de genoemde maatregelen het explosierisico opnieuw vast te stellen en daarmee de definitieve gevarenzones.

   In de aanvraag noch in het rapport is enig voorbehoud gemaakt ten aanzien van de daarin weergegeven aard en omvang van de te treffen maatregelen. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de Afdeling dan ook terecht op het standpunt gesteld dat de in het desbetreffende rapport genoemde maatregelen zijn aangevraagd. Verweerder heeft met het bepaalde in de voorschriften 42, 44, 47, 48, 49 en 50 van de vergunning overeenkomstig de aanvraag vergunning verleend.

   Voor zover het de voorschriften 45 en 46 van de vergunning betreft, overweegt de Afdeling dat, anders dan appellante kennelijk meent, uit deze voorschriften volgt dat pas nadat overeenkomstig voorschrift 44 van de vergunning opnieuw het veiligheidsrisico en daarmee van de nieuwe gevarenzones zijn vastgesteld de in deze voorschriften genoemde maatregelen dienen te worden getroffen.

   De overige voorschriften, waartegen het beroep zich richt, zien op het waarborgen van een goede werking van de filterdoekinstallatie, waarmee eveneens het risico op een stofexplosie verder wordt verkleind. Aan deze voorschriften dient direct te worden voldaan. Gezien de stukken en het verhandelde ter zitting heeft verweerder naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid de in de voorschriften 51 tot en met 54 van de vergunning genoemde maatregelen noodzakelijk kunnen achten ter bescherming van het milieu.

   Het beroep treft ook in zoverre geen doel.

2.6.    Het beroep is ongegrond.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. S.F.M. Wortmann, Leden, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen    w.g. Drouen

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 september 2006

375.