Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY7561

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-09-2006
Datum publicatie
06-09-2006
Zaaknummer
200602115/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 maart 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Veere (hierna: het college) afwijzend beslist op het verzoek van appellant om ontheffing te verlenen van het verbod vervat in artikel 2, eerste lid, van de laatstelijk op 17 december 1998 vastgestelde en op 5 januari 1999 in werking getreden Gebruiksverordening tweede woningen Veere (hierna: de verordening) voor de woning aan de [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200602115/1.

Datum uitspraak: 6 september 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. Awb 05/351 van de rechtbank Middelburg van 8 februari 2006 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Veere.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 6 maart 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Veere (hierna: het college) afwijzend beslist op het verzoek van appellant om ontheffing te verlenen van het verbod vervat in artikel 2, eerste lid, van de laatstelijk op 17 december 1998 vastgestelde en op 5 januari 1999 in werking getreden Gebruiksverordening tweede woningen Veere (hierna: de verordening) voor de woning aan de [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 24 maart 2005 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 februari 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Middelburg (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 16 maart 2006, bij de Raad van State ingekomen op 17 maart 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 24 april 2006 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 augustus 2006, waar appellant in persoon, vergezeld van zijn [dochter] is verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Huisvestingswet (hierna: de Hw), voorzover thans van belang, stelt de gemeenteraad, indien het naar zijn oordeel noodzakelijk is regelen te stellen met betrekking tot wijzigingen van de woonruimtevoorraad, een huisvestingsverordening vast.

   Ingevolge artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Hw - voorzover hier van belang - is het verboden een woonruimte die behoort tot een door de gemeenteraad in de huisvestingsverordening daartoe met het oog op het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad aangewezen categorie, zonder vergunning van het college aan de bestemming tot bewoning te onttrekken.

   Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de verordening is het de rechthebbende op een tot permanente bewoning bestemd gebouw verboden dit gebouw te gebruiken, in gebruik te geven of te laten gebruiken als tweede woning.

   Ingevolge artikel 3 van de verordening, voorzover thans van belang, geldt het verbod, vervat in artikel 2, niet ten aanzien van iemand die een woning als tweede woning in gebruik heeft op het tijdstip van het van kracht worden van deze verordening en de rechthebbende op die woning beschikt over een door het college verleende ontheffing op grond van de Gebruiksverordening tweede woningen, zoals vastgesteld door de raad van Domburg op 12 oktober 1993.

   Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de verordening kan het college van het verbod vervat in artikel 2 ontheffing verlenen en aan een zodanige ontheffing voorschriften verbinden.

   Door het college wordt ten aanzien van het verlenen van ontheffing ingevolge artikel 4 van de verordening een stringent beleid gevoerd dat strekt tot terugdringing van het aantal tweede woningen in de kuststrook, teneinde te voorkomen dat de leegstand die het gebruik als tweede woning met zich brengt, leidt tot aantasting van de sociaal-maatschappelijke structuur en algemene en detailhandelsvoorzieningen, alsmede teneinde, gezien de beperkte medewerking die van provinciewege wordt verleend aan uitbreiding van de dorpskernen, de woningvoorraad op peil te houden.

   Blijkens de toelichting op dit artikel vervat in de bijlagen I t/m IV gelden krachtens het aldaar geformuleerde beleid vier ontheffingsgronden of ontheffingscriteria.

   Voor zover thans van belang kan volgens bijlage III, "Ontheffingscriteria op grond van onredelijke bouwkosten" een woning die niet (geheel) voldoet aan de bepalingen van het Bouwbesluit en deze woning niet op basis van in redelijkheid te beoordelen lonende kosten alsnog voldoet aan die bepalingen, ontheffing worden verleend.

   Bijlage IV "Ontheffingscriteria medische gronden" houdt in, kort weergegeven, dat ontheffing kan worden verleend als een bewoner medisch moet worden verzorgd buiten zijn huis.

   Het beleid is erop gericht dat ontheffing kan worden verleend wanneer het belang van het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad niet opweegt tegen het belang van de aanvrager van de ontheffing. De rechtbank heeft terecht onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 7 augustus 2002 in zaak 200201939/1 overwogen dat het beleid niet als onredelijk worden beschouwd.

   Ingevolge artikel 6 van de verordening is het college bevoegd in gevallen, waarin de toepassing van deze verordening naar zijn oordeel tot een bijzondere hardheid leidt, ten gunste van de aanvrager af te wijken van deze verordening.

2.2.    Niet in geschil is dat appellant zijn hoofdverblijf heeft in Berlicum en dat hij de woning in Domburg, waarvan hij in 1976 door vererving mede-eigenaar en later volledig eigenaar is geworden, sinds 1988, het jaar van overlijden van zijn moeder, als tweede woning gebruikt. De moeder van appellant heeft tot haar overlijden in 1988 de woning permanent bewoond.     Evenmin is in geschil dat de woning is gelegen in het gebied waarop de verordening van toepassing is.

   Vaststaat dat appellant van 1988 tot 1990 een tijdelijke ontheffing heeft verkregen van het verbod de woning als tweede woning te gebruiken, een en ander gebaseerd op de destijds geldende Gebruiksverordening tweede woningen van de voormalige gemeente Domburg. Appellant heeft na het expireren van de termijn in 1990 eerst bij brief van 28 januari 2003 om een nieuwe ontheffing verzocht.

2.3.    Appellant, die het gebruik van de Domburgse woning als tweede woning wil voortzetten, betoogt, evenals in beroep, dat het overgangsrecht voldoende grond oplevert om hem de op 28 januari 2003 gevraagde ontheffing te verlenen. Voorts voldoet naar zijn mening de woning niet aan de eisen van het Bouwbesluit en is deze ongeschikt voor permanente bewoning en slechts na het maken van hoge kosten daarvoor geschikt te maken. Verder betoogt appellant dat het medisch advies dat het college ten aanzien van zijn echtgenote hebben laten opstellen, inconsistent is. Bovendien kan van hem niet worden gevergd dat hij de gezondheid van zijn vrouw op het spel zet door zich alsnog permanent in de woning te vestigen. Ter zitting heeft appellant er de nadruk op gelegd dat, mede gezien de historie van de ouderlijke woning als familiebezit, de hardheidsclausule ten onrechte niet is toegepast.

2.4.    Het betoog slaagt niet.

   Het oordeel van de rechtbank dat het in artikel 3 van de verordening vervatte overgangsrecht niet op appellant van toepassing is, is juist. Ten tijde van de inwerkingtreding van de verordening op 5 januari 1999 beschikte appellant niet over een ontheffing krachtens de oude verordening tweede woningen 1993 van de gemeente Domburg. Aan het overgangsrecht ten tijde van de inwerkingtreding van de eerste Verordening tweede woningen van de gemeente Domburg in 1977, dat was gericht op de op dat moment als tweede woning in gebruik zijnde panden, kan, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, appellant als eigenaar evenmin rechten ontlenen: te dien tijde was sprake van permanente bewoning door de moeder van appellant. De woning was derhalve toen niet als tweede woning in gebruik. Dat de moeder van appellant de woning bewoonde op grond van het recht van vruchtgebruik doet aan de feitelijke permanente bewoning niet af en is voor de beoordeling van de vraag of een woning permanent wordt bewoond, zo heeft de rechtbank terecht overwogen, niet van belang.

2.4.1.    Anders dan appellant meent, kan de Domburgse woning permanent worden bewoond. Uit de memo van het college van 19 oktober 2004 en 30 november 2004 blijkt dat geen sprake is van een woning die niet voldoet aan de eisen van het Bouwbesluit. Appellant heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Het college heeft dan ook op goede gronden het standpunt ingenomen dat geen sprake is van onredelijke bouwkosten als bedoeld in bijlage III van de verordening.

2.4.2.    Zoals het college in zijn memorie aan de Afdeling heeft opgemerkt is het criterium medische gronden als bedoeld in bijlage IV van de verordening van toepassing op de ten tijde van de aanvraag permanente hoofdbewoner van de woning. Die situatie doet zich hier niet voor omdat appellant en zijn echtgenote de woning als tweede woning gebruiken. Anders dan het college heeft gedaan, behoefde de aanvraag van appellant niet aan bijlage IV te worden getoetst.

2.5.    Appellant heeft ter zitting nog gewezen op de tegenstrijdigheid in het beleid van het college ten aanzien van tweede woningen nu dit is gericht op het terugdringen van het aantal tweede woningen terwijl de bouw van appartementen in Domburg wordt toegestaan waarvan een deel voor recreatieve bewoning mag worden gebruikt.

   Ook dit betoog faalt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 19 januari 2005 in zaak no. 200404846/1 kan niet worden staande gehouden dat hiermede afbreuk wordt gedaan aan het beleid van tweede woningen, nu met het door appellant bedoelde project geen woningen worden onttrokken aan de voorraad doch aan de woningvoorraad worden toegevoegd.

2.6.     De Afdeling ziet gelet op het vorenoverwogene geen grond voor het oordeel dat het college zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat aan het belang van het behoud of de samenstelling van de woningvoorraad een groter gewicht moet worden toegekend dan aan de persoonlijke belangen van appellant. Daarnaast vormt hetgeen appellant in beroep heeft aangevoerd en in hoger beroep heeft herhaald en ziet op de historie van het familiebezit en de verbondenheid daarmee, geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat geen sprake is van een bijzondere hardheid, die ertoe had moeten leiden ten gunste van appellant in afwijking van de verordening te beslissen.

2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. de Koning, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Altena    w.g. De Koning

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 september 2006

221.