Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY7558

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-09-2006
Datum publicatie
06-09-2006
Zaaknummer
200509631/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 november 2003 heeft de burgemeester van Eindhoven (hierna: de burgemeester) bevolen het horecabedrijf (coffeeshop) "Meetpoint" van appellant, gevestigd in het voorste gedeelte van het pand aan de Edisonstraat 91 te Eindhoven, met onmiddellijke ingang tijdelijk voor het publiek te sluiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2006/1568

Uitspraak

200509631/1.

Datum uitspraak: 6 september 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/3588 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 13 oktober 2005 in het geding tussen:

appellant

en

de burgemeester van Eindhoven.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 28 november 2003 heeft de burgemeester van Eindhoven (hierna: de burgemeester) bevolen het horecabedrijf (coffeeshop) "Meetpoint" van appellant, gevestigd in het voorste gedeelte van het pand aan de Edisonstraat 91 te Eindhoven, met onmiddellijke ingang tijdelijk voor het publiek te sluiten.

Bij besluit van 2 november 2004 heeft de burgemeester het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 oktober 2005, verzonden op 17 oktober 2005, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 november 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 21 december 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 23 januari 2006 heeft de burgemeester van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 juli 2006, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. M.J.A. Verhagen, advocaat te Eindhoven, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. F.A.M.C. Hermans en M.I.M. Mesman, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 174, eerste lid, van de Gemeentewet is de burgemeester belast met het toezicht op de openbare samenkomsten en vermakelijkheden alsmede op de voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven.

   In het tweede lid van voornoemd artikel is bepaald dat de burgemeester bevoegd is bij de uitoefening van het toezicht, bedoeld in het eerste lid, de bevelen te geven die met het oog op de bescherming van veiligheid en gezondheid nodig zijn.

   Ingevolge artikel 2.3.1.5., eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Eindhoven 2004 (hierna: de APV), voor zover hier van belang, kan de burgemeester in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in geval van bijzondere omstandigheden, te zijner beoordeling, voor één of meer horecabedrijven tijdelijke sluiting bevelen.

2.2.    Appellant exploiteert de coffeeshop "Meetpoint" aan de Edisonstraat te Eindhoven. Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 28 november 2003 heeft de burgemeester de onmiddellijke sluiting bevolen van zijn coffeeshop, omdat wegens in uitvoering zijnde bouwwerkzaamheden het pand niet meer voldoet aan geldende bouwkundige eisen, waardoor de veiligheid van bezoekers aan de inrichting ernstig in gevaar wordt gebracht.

2.3.    Appellant bestrijdt allereerst het oordeel van de rechtbank dat de burgemeester bevoegd was om tot tijdelijke sluiting van de coffeeshop over te gaan. Volgens appellant was de vermeende onveilige situatie ontstaan door de bouwtechnische gesteldheid van het pand, zodat niet de burgemeester, maar het college van burgemeester en wethouders op grond van de Woningwet het bevoegde orgaan was om tot sluiting over te gaan.

   Dit betoog faalt. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat, gelet op de bevindingen tijdens de inspectie van de inrichting op 27 november 2003 en nu het om een voor het publiek toegankelijke inrichting ging, de burgemeester op grond van artikel 174 van de Gemeentewet en 2.3.1.5., eerste lid, van de APV bevoegd was het bevel tot tijdelijke sluiting van de coffeeshop te geven. Dat de onveilige situatie is ontstaan door een door appellant in gang gezette verbouwing doet aan die bevoegdheid niet af.

2.4.    Appellant handhaaft voorts zijn standpunt dat de situatie zoals deze is vermeld in de bevindingen van de inspectie van 27 november 2003 niet overeenstemt met de werkelijkheid. Volgens appellant had hij een scheidingswand geplaatst tussen het verkoopgedeelte en de ruimte waar de verbouwing plaatsvond, om het gevaar weg te nemen. De burgemeester had dan ook niet op grond van artikel 2.3.1.5. van de APV mogen bevelen de coffeeshop onmiddellijk te sluiten.

2.4.1.    Vast staat dat in de betrokken coffeeshop in november 2003 verbouwingswerkzaamheden plaatsvonden. Vanwege deze werkzaamheden heeft appellant de exploitatie van de coffeeshop verplaatst naar de achterzijde van zijn pand, waarbij bezoekers gebruik maakten van de ingang aan de zijde van de Wattstraat. Op vrijdag 21 november 2003 is door de Politie Brabant Zuid-Oost aan appellant een schriftelijke waarschuwing uitgereikt. Hierin werd appellant gesommeerd de exploitatie van de coffeeshop aan de achterzijde van het pand met onmiddellijke ingang te staken. Uit een proces-verbaal van de Politie Brabant Zuid-Oost van 21 november 2002 is omstreeks 22.00 uur vastgesteld dat appellant de verkoop aan de achterzijde had gestaakt en de voorzijde van het pand wederom als coffeeshop in gebruik had genomen en dat daar op dat moment klanten aanwezig waren.

   Op 27 november 2003 heeft een bezoek plaatsgevonden van bouwinspecteurs van de Dienst Stedelijke Ontwikkeling en Beheer, Sector Bouw- en Woningtoezicht. Blijkens het van die inspectie opgemaakte memo liet de aangetroffen situatie niet toe dat het pand als horecagelegenheid in gebruik werd genomen, omdat het pand, onder meer wegens gevaar voor instorting en elektrocutie niet veilig was. Bij die inspectie zijn foto's gemaakt. Op die foto's is te zien dat appellant een gedeelte van de ruimte waar de verbouwing plaatsvindt heeft ingericht als verkoopruimte, met een toonbank, barkrukken en tapijttegels op de vloer. Een scheidingswand tussen dit gedeelte en de rest van de ruimte is op die foto's niet te zien. Ter zitting heeft appellant niet ontkend dat tijdens de inspectie van 27 november 2003 foto's zijn gemaakt. In hetgeen appellant ter zake heeft aangevoerd ziet de Afdeling, evenmin als de rechtbank, reden te twijfelen dat de in het dossier aanwezige foto's met aanduiding "27/11/2003" op die datum zijn gemaakt. Nu op die foto's geen scheidingswand zichtbaar is, is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat het ervoor moet worden gehouden dat de bevindingen van de inspectie, welke aan het besluit van 28 november 2003 ten grondslag liggen, juist zijn. Het betoog van appellant faalt.

2.5.    Voorts heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat de toepassing van artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in dit geval achterwege mocht blijven. Zoals hiervoor is aangegeven was de voorzijde van de coffeeshop op 21 november 2003 nog open voor verkoop, terwijl de situatie niet toeliet dat de ruimte als horecagelegenheid gebruikt werd. Nadat bij de inspectie van 27 november 2003 was gebleken dat de situatie nog immer onveilig was, terwijl appellant wel voorbereidingen trof om aldaar tot verkoop over te gaan, kon de burgemeester zich met inroepen van artikel 4:11, eerste lid, aanhef en onder a, Awb op het standpunt stellen dat in dit geval de vereiste spoed zich verzette tegen de toepassing van artikel 4:8 Awb. Het hiertegen gerichte betoog van appellant faalt.

2.6.    Gelet op het vorenstaande heeft de burgemeester bij afweging van de belangen aan het belang van bescherming van de veiligheid in redelijkheid een zwaarder gewicht kunnen toekennen dan aan het belang van appellant bij voortzetting van de exploitatie van de inrichting. Het oordeel van de rechtbank dat de burgemeester met de tijdelijke sluiting niet op onredelijke wijze van zijn bevoegdheid heeft gebruik gemaakt, is juist.

2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L.F. Egmond, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom    w.g. Egmond

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 september 2006

426.