Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY5482

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-07-2006
Datum publicatie
02-08-2006
Zaaknummer
200603678/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Het college van burgemeester en wethouders van Smallingerland heeft bij besluit van 30 januari 2006 het wijzigingsplan "Aanloopgebied Achterwei Oudega, kavel 2 en 3" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200603678/2.

Datum uitspraak: 28 juli 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Fryslân,

verweerder.

1.    Procesverloop

Het college van burgemeester en wethouders van Smallingerland heeft bij besluit van 30 januari 2006 het wijzigingsplan "Aanloopgebied Achterwei Oudega, kavel 2 en 3" vastgesteld.

Bij besluit van 4 april 2006, kenmerk 635561, heeft verweerder beslist over de goedkeuring van dit plan.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 16 mei 2006, bij de Raad van State ingekomen op 18 mei 2006, beroep ingesteld. Bij brief van 28 mei 2006, bij de Raad van State ingekomen op 30 mei 2006, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 14 juli 2006, waar verzoeker, in persoon, en het college van burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. J. Jukema, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Verweerder is, met bericht van afwezigheid, niet verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    Het wijzigingsplan voorziet op gronden aan de Achterwei te Oudega in de wijziging van de bestemming "Woudengebied" met de aanduiding "aanloopgebieden 5+6" in de bestemming "Woudengebied" met de aanduiding "bedrijven" ten behoeve van twee bedrijfskavels.

2.3.    Verzoeker stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan. Daartoe voert hij onder meer aan dat de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden als gevolg van het plan ernstig worden beperkt, waardoor zijn bouwplannen ter plaatse kunnen worden gefrustreerd. Hij vreest dat bij een mogelijke wijziging van de bestemming van zijn gronden andere voorwaarden zullen worden gesteld.

2.4.    Verweerder heeft het wijzigingsplan goedgekeurd. Hij stelt dat aan de in het bestemmingsplan "Buitengebied" vervatte wijzigingsvoorwaarden is voldaan en dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of het recht.

2.5.    Ter zitting is gebleken dat voor de bouw van de bedrijven in het plangebied bouwvergunningen zijn verleend die inmiddels niet meer in rechte aantastbaar zijn. Gelet hierop is hetgeen verzoeker met zijn verzoek wil bewerkstelligen niet mogelijk. Het schorsen van het wijzigingsplan heeft namelijk niet tot gevolg dat van deze bouwvergunningen geen gebruik mag worden gemaakt. Overigens merkt de Voorzitter op dat in voormeld bestemmingsplan zowel op de gronden van verzoeker als op de thans in het wijzigingsplan vervatte gronden de wijzigingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 13 rust. Het vorenstaande brengt mee dat bij de door verzoeker gewenste wijziging van de bestemming van zijn gronden aan dezelfde wijzigingsvoorwaarden dient te worden voldaan als bij het voorliggende wijzigingsplan, hetgeen door het college van burgemeester en wethouders ter zitting is bevestigd. Anders dan verzoeker vreest, zal bij een dergelijke wijziging derhalve geen ander toetsingskader worden gehanteerd dan bij onderhavig wijzigingsplan.      

2.6.    Met het verzoek is, gelet op het vorenstaande, geen spoedeisend belang gemoeid dat het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigt.

2.7.    Het verzoek dient te worden afgewezen.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel    w.g. Langeveld

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2006

317-459.