Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY5463

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-07-2006
Datum publicatie
02-08-2006
Zaaknummer
200604436/1 en 200604436/4
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 juli 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Lingewaard (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Next Invest B.V. (hierna: Next) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het vernieuwen, veranderen en vergroten van winkelcentrum en woningen gelegen aan Brink 1 tot en met 14 (woningen) en Brink 15 tot en met 31 (bedrijfsunit) te Huissen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200604436/1 en 200604436/4.

Datum uitspraak: 27 juli 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nos. AWB 06/1535 en 06/1534 VV van de voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem van 28 april 2006 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Lingewaard.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 28 juli 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Lingewaard (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Next Invest B.V. (hierna: Next) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het vernieuwen, veranderen en vergroten van winkelcentrum en woningen gelegen aan Brink 1 tot en met 14 (woningen) en Brink 15 tot en met 31 (bedrijfsunit) te Huissen.

Bij besluit van 24 januari 2006 heeft het college, voor zover thans van belang, het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 april 2006, verzonden op 8 mei 2006, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 12 juni 2006, bij de Raad van State ingekomen op 15 juni 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. Bij brief van 10 juli 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hebben appellanten de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 juli 2006, waar appellanten in persoon en het college, vertegenwoordigd door A.M.C.J. Pastoor, ambtenaar van de gemeente, bijgestaan door mr. P.W.M. Dorn, advocaat te Geldrop, zijn verschenen. Voorts is verschenen Next, vertegenwoordigd door [directeur], en ing. M.A.C. Marcon, bijgestaan door mr. P.W.M. Dorn, advocaat te Geldrop.

2.    Overwegingen

2.1.    In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2.    Niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Zilverkamp 1e en 2e fase".

   Om niettemin bouwvergunning voor het bouwplan te kunnen verlenen heeft het college toepassing gegeven aan de bevoegdheid vrijstelling te verlenen krachtens artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO).

2.3.    De afwijking van het geldende bestemmingsplan is voornamelijk gelegen in een overschrijding van de bebouwingsgrenzen en de maximaal toegestane bouwhoogten. De voorzieningenrechter heeft de inbreuk op het geldende bestemmingsplan op deze punten terecht niet gering geacht. Hij heeft echter tevens terecht overwogen dat in de ruimtelijke onderbouwing uitvoerig is ingegaan op deze aspecten en op de relatie van het bouwplan met het geldende bestemmingsplan en dat het college afdoende gemotiveerd heeft waarom medewerking aan het bestreden bouwplan kan worden verleend.

2.4.    In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Voorzitter evenals de voorzieningenrechter onvoldoende aanleiding om te oordelen dat aan de bezonningsrapporten waarnaar het college heeft verwezen naar de inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken kleven, dat het college zich daar niet op heeft kunnen baseren.

2.5.    Het betoog van appellanten dat het college onvoldoende aandacht heeft besteed aan de specifieke situatie van de woning van appellanten aan [locatie] slaagt niet. Niet in geschil is dat het bouwplan voor appellanten consequenties heeft voor wat betreft privacy, uitzicht en bezonning. Zoals ter zitting door het college is erkend, wordt de woning aan [locatie] door de ligging en de wijze waarop deze is gebouwd nadeliger beïnvloed door het bouwplan dan de overige woningen in de omgeving van het bouwplan. In verband daarmee heeft de voorzieningenrechter niet ten onrechte erop gewezen, dat appellanten zich tot de gemeenteraad kunnen wenden met een verzoek op grond van artikel 49 van de WRO om vergoeding van schade die naar hun oordeel redelijkerwijs niet te hunnen laste dient te blijven. Het college heeft zich echter op het standpunt gesteld dat niet is gebleken van onevenredig nadeel voor appellanten in verhouding tot de met het plan te dienen doelen. De voorzieningenrechter heeft terecht geoordeeld dat het college zich gelet op de belangen die met het bouwplan zijn gediend in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. Daarbij neemt de Voorzitter in aanmerking dat de bestuursrechter de bestuurlijke afweging, die aan de keuze voor dit bouwplan ten grondslag ligt niet ten volle, maar terughoudend toetst.

   Voor zover appellanten betogen dat zij hinder zullen ondervinden als gevolg van vrachtverkeer ter bevoorrading van de winkels faalt dit betoog, nu het college naar het oordeel van de Voorzitter niet ten onrechte heeft gesteld dat het aannemelijk is dat de thans bestaande overlast op dit punt door realisatie van het bouwplan vanwege verplaatsing van de bevoorradingslocatie niet zal toenemen.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7.    Gelet op het voorgaande, moet het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening worden afgewezen.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak    w.g. Klein Nulent

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2006

444.