Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY5098

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-07-2006
Datum publicatie
26-07-2006
Zaaknummer
200600769/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 september 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (hierna: het college) geweigerd appellant een vergunning te verlenen voor bemiddeling bij het verkrijgen van woonruimte en appellant verzocht zijn activiteiten te staken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200600769/1.

Datum uitspraak: 26 juli 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Amsterdam,

tegen de uitspraak in zaak no. Awb 05-415 van de rechtbank Amsterdam van 13 december 2005 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 6 september 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (hierna: het college) geweigerd appellant een vergunning te verlenen voor bemiddeling bij het verkrijgen van woonruimte en appellant verzocht zijn activiteiten te staken.

Bij besluit van 20 december 2004 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 december 2005, verzonden op 16 december 2005, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 januari 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 14 maart 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 11 mei 2006 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 juli 2006, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. E.V. Brunings, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.C. Smit, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening op de woning- en kamerbemiddelingsbureaus 1998 (hierna: de verordening) wordt onder woonruimte verstaan: een besloten ruimte die, al dan niet tezamen met een of meer andere ruimten, bestemd of geschikt is voor bewoning door een huishouden.

   Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de verordening wordt onder bemiddeling verstaan: zowel het tegen vergoeding registreren van woning- of kamerzoekenden als het bedrijfsmatig of bij wijze van beroep of gewoonte, handelend als tussenpersoon, doen aanbieden van woonruimte van derden aan een woning- of kamerzoekende.

   Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van de verordening wordt onder woning- en kamerbemiddelingsbureau verstaan: een natuurlijk persoon die handelend onder eigen naam of handelsnaam bemiddeling verleent bij het verkrijgen dan wel beschikbaar stellen van woonruimte.

   Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de verordening is het verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het college:

a. bemiddeling te verlenen bij het verkrijgen van woonruimte;

b. zich met dat doel te vestigen of op te treden als woning- en kamerbemiddelingsbureau.

   Ingevolge artikel 5 van de verordening kan het college een vergunning in ieder geval weigeren, indien naar zijn oordeel gegronde vrees bestaat, dat de aanvrager bij het verlenen van bemiddeling bij het verkrijgen van woonruimte het belang van een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van schaarse woonruimte zal schaden of dat daarbij het belang van de betrokken kamer- of woningzoekende onvoldoende zal zijn gewaarborgd.

   Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de verordening is de vergunninghouder verplicht, alvorens tot het verlenen van bemiddeling bij het verkrijgen van woonruimte, dan wel tot (onder)verhuur van woonruimte over te gaan, de eigenaar van de woonruimte in de zin van de Huisvestingswet een schriftelijke toestemming te vragen.

   In artikel 12, eerste lid, eerste volzin, van de verordening is bepaald dat indien de bepalingen van deze verordening naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet of niet behoorlijk worden nageleefd of indien blijkt dat de vergunninghouder bij het verlenen van bemiddeling bij het verkrijgen van woonruimte de bevordering van een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van schaarse woonruimte heeft geschaad of indien hij naar hun oordeel daarbij het belang van betrokken kamer- of woningzoekende onvoldoende heeft gewaarborgd, kunnen zij aan de vergunninghouder een waarschuwing zenden.

2.2.    Appellant exploiteert [kamerbemiddelingsbureau]. Bij besluit van 21 oktober 1998 is aan appellant vergunning verleend om bemiddeling te verlenen bij het verkrijgen van woonruimte. Deze vergunning is verleend voor een periode van vijf jaar. In de vergunning is expliciet vermeld dat de vergunning op 1 november 2003 vervalt en niet van rechtswege wordt verlengd. Op 23 mei 2003 heeft appellant verzocht om verlenging van zijn vergunning. Na een onderzoek naar de bemiddelingsactiviteiten van appellant heeft het college deze aanvraag afgewezen.

2.3.    De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er gegronde vrees bestaat dat appellant bij het verlenen van bemiddeling bij woonruimte het belang van een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van schaarse woonruimte zal schaden of dat daarbij het belang van de betrokken kamer- of woningzoekende onvoldoende zal zijn gewaarborgd. Niet is in geschil dat appellant de bepalingen van de verordening niet of niet behoorlijk heeft nageleefd. Zo is de administratie van appellant ondeugdelijk en niet controleerbaar gebleken, heeft appellant bemiddeld zonder bij de Dienst Wonen te informeren of voor die woonruimten een huisvestingsvergunning is vereist en heeft appellant corporatiewoningen bemiddeld zonder schriftelijke toestemming van de eigenaar.

2.4.    Voorts moet met de rechtbank worden geoordeeld dat geen grond aanwezig is voor het oordeel dat het college bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot weigering van de vergunning heeft kunnen besluiten. In tegenstelling tot hetgeen appellant betoogt rechtvaardigen voornoemde verzuimen de weigering van de onderhavige vergunning.

De omstandigheid dat appellant geen waarschuwing van het college heeft ontvangen als bedoeld in artikel 12 van de verordening, leidt ook niet tot een gegrond hoger beroep. De waarschuwing als bedoeld in dat artikel ziet op situaties dat een verleende vergunning dreigt te worden ingetrokken. In het geval van appellant is de vergunning op 1 november 2003 vervallen en niet van rechtswege verlengd. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de gedragingen van appellant zijn beoordeeld in het kader van een nieuwe aanvraag. In dat kader wordt een waarschuwing niet gegeven.

Wel moet aan appellant worden toegegeven dat het college met het nemen van het primaire besluit van 6 september 2004 de wettelijke beslistermijn ruimschoots heeft overschreden. De wetgever heeft aan het overschrijden van de beslistermijn slechts de sanctie verbonden dat na het verstrijken van die beslistermijn tegen het niet tijdig nemen van een besluit in rechte kan worden opgekomen. Appellant heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt. Ook is er geen grond voor het oordeel dat appellant door het overschrijden van de beslistermijn in zijn belangen is geschaad, nu hij de exploitatie van zijn kamerbemiddelingsbureau in de periode tussen het vervallen van de vergunning op 1 november 2003 en het primaire besluit heeft kunnen voortzetten.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.F. Egmond, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Altena    w.g. Egmond

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2006

426.