Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY5094

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-07-2006
Datum publicatie
26-07-2006
Zaaknummer
200602431/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 26 augustus 2004 heeft de desbetreffende leerplichtambtenaar, naar aanleiding van een beroep van appellante van 6 augustus 2004 op vrijstelling van de leerplicht voor haar [dochter], aan appellante medegedeeld dat dit beroep niet voldoet aan de eisen die de Leerplichtwet stelt en dat dit betekent dat zij geen vrijstelling heeft van de verplichting haar dochter bij een school of instelling in te schrijven en van de verplichting ervoor te zorgen dat haar dochter deze school of instelling regelmatig bezoekt.

Wetsverwijzingen
Leerplichtwet 1969
Leerplichtwet 1969 2
Leerplichtwet 1969 5
Leerplichtwet 1969 6
Leerplichtwet 1969 8
Leerplichtwet 1969 22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2006/260
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200602431/1.

Datum uitspraak: 26 juli 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/1151 van de rechtbank 's-Gravenhage van 27 maart 2006 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Leiden.

1.    Procesverloop

Bij brief van 26 augustus 2004 heeft de desbetreffende leerplichtambtenaar, naar aanleiding van een beroep van appellante van 6 augustus 2004 op vrijstelling van de leerplicht voor haar [dochter], aan appellante medegedeeld dat dit beroep niet voldoet aan de eisen die de Leerplichtwet stelt en dat dit betekent dat zij geen vrijstelling heeft van de verplichting haar dochter bij een school of instelling in te schrijven en van de verplichting ervoor te zorgen dat haar dochter deze school of instelling regelmatig bezoekt.

Bij besluit van 18 februari 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leiden (hierna: het college) het daartegen door appellante gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 27 maart 2006, verzonden op 28 maart 2006, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 april 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 9 mei 2006 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 juli 2006, waar appellante in persoon, bijgestaan door mr. M.A.R. Schuckink Kool, advocaat te Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door mr. R. Lever, advocaat te Leiden, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969 (hierna: de Leerplichtwet), voor zover hier van belang, zijn degene die het gezag over een jongere uitoefent, en degene die zich met de feitelijke verzorging van een jongere heeft belast, verplicht overeenkomstig de bepalingen van deze wet te zorgen, dat de jongere als leerling van een school is ingeschreven en deze school na inschrijving geregeld bezoekt.

   Ingevolge artikel 5, aanhef en onder b, van de Leerplichtwet, voor zover hier van belang, zijn de in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen vrijgesteld van de verplichting om te zorgen dat een jongere als leerling van een school onderscheidenlijk een instelling is ingeschreven, zolang zij tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van de woning gelegen scholen onderscheidenlijk instellingen waarop de jongere geplaatst zou kunnen worden, overwegende bedenkingen hebben.

   Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Leerplichtwet kunnen de in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen zich slechts beroepen op vrijstelling, indien zij aan burgemeester en wethouders van de gemeente waar de jongere als ingezetene in de basisadministratie persoonsgegevens is ingeschreven, hebben kennis gegeven, voor welke jongere en op welke grond zij daarop aanspraak menen te mogen maken.

   Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Leerplichtwet, voor zover hier van belang, kan slechts een beroep op vrijstelling op grond van artikel 5 onder b, worden gedaan, indien de kennisgeving de verklaring bevat, dat tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van de woning gelegen scholen onderscheidenlijk instellingen waarop de jongere geplaatst zou kunnen worden, overwegende bedenkingen bestaan.

   Ingevolge artikel 22, eerste lid, van de Leerplichtwet, voor zover hier van belang, stelt de leerplichtambtenaar een onderzoek in indien blijkt, dat een leerplichtige jongere niet als leerling is ingeschreven, zonder dat een grond voor vrijstelling aanwezig is.

2.2.    Appellante betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte haar bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard. Hiertoe voert appellante aan dat de brief van 26 augustus 2004 wel is gericht op rechtsgevolg en dat derhalve sprake is van een besluit waartegen ingevolge de Algemene wet bestuursrecht bezwaar kan worden gemaakt en beroep openstaat.

2.3.    Hetgeen appellante ter onderbouwing van haar betoog heeft aangevoerd is een herhaling van hetgeen zij reeds eerder in de procedure naar voren heeft gebracht. De rechtbank is, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 12 september 2001 in zaak no. 200004311/1 (AB 2002, 78), op goede gronden tot het oordeel gekomen dat het door appellante tegen de inhoud van de brief van 26 augustus 2004 gemaakte bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de vrijstelling van de verplichting om te zorgen dat een jongere als leerling van een school is ingeschreven rechtstreeks voortvloeit uit artikel 5, aanhef en onder b, van de Leerplichtwet en het college - of de leerplichtambtenaar namens het college - derhalve niet bevoegd was en is - en ook niet heeft beoogd - ter zake van de kennisgeving van appellante bij brief van 6 augustus 2004 een inhoudelijke beslissing te nemen. Voor zover appellante een beroep doet op artikel 2 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: het EVRM), in samenhang met artikel 9 van het EVRM, wordt bij gebreke van een besluit niet toegekomen aan toetsing aan deze verdragsartikelen. De Afdeling wijst tevens op haar uitspraak van 15 februari 2006 in zaak no. 200505240/1, die bij appellante bekend wordt verondersteld. In die zaak zijn grotendeels dezelfde argumenten naar voren gebracht als thans, welke argumenten zijn verworpen. De Afdeling ziet geen reden thans anders te oordelen.

2.4.    Hetgeen appellante heeft aangevoerd kan niet tot het door haar beoogde doel leiden. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink    w.g. Dallinga

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2006

18-505.