Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY5091

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-07-2006
Datum publicatie
26-07-2006
Zaaknummer
200601082/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 september 2004 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel ZuiderAmstel (hierna: het dagelijks bestuur) appellant onder voorschriften en beperkingen ontheffing verleend van het verbod in artikel 2.17 van de toen geldende Verordening op de haven en het binnenwater 1995 (hierna: de Verordening), voor het plaatsen van een aantal aanhorigheden bij de ligplaats van appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200601082/1.

Datum uitspraak: 26 juli 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/655 van de rechtbank Amsterdam van 16 januari 2006 in het geding tussen:

appellant

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel ZuiderAmstel.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 21 september 2004 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel ZuiderAmstel (hierna: het dagelijks bestuur) appellant onder voorschriften en beperkingen ontheffing verleend van het verbod in artikel 2.17 van de toen geldende Verordening op de haven en het binnenwater 1995 (hierna: de Verordening), voor het plaatsen van een aantal aanhorigheden bij de ligplaats van appellant.

Bij besluit van 21 december 2004 heeft het dagelijks bestuur het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 januari 2006, verzonden op 17 januari 2006, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde door appellant beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 6 februari 2006, bij de Raad van State ingekomen op 7 februari 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 27 maart 2006 heeft het dagelijks bestuur van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 juni 2006, waar appellant in persoon, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. A. van Soest, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 1 van het Eerste protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het Eerste Protocol), voor zover hier van belang, heeft iedere natuurlijke of rechtspersoon recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht. Deze bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang.

Ingevolge artikel 1.6, eerste lid, van de Verordening, voor zover hier van belang, kan een ontheffing voor bepaalde of onbepaalde tijd worden verleend. Ingevolge het tweede lid van dat artikel, voor zover hier van belang, kunnen aan een ontheffing voorschriften en beperkingen worden verbonden.

Ingevolge artikel 2.17, eerste lid, van de Verordening, is het verboden in, op of boven openbaar water voorzieningen aan te brengen of voorwerpen te plaatsen.

Ingevolge artikel 2.17, derde lid, van de Verordening, kunnen burgemeester en wethouders van het verbod in het eerste lid ontheffing verlenen.

Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Verordening op de stadsdelen, is de bevoegdheid tot het verlenen van de ontheffing als bedoeld in artikel 2.17, derde lid, van de Verordening overgedragen aan de dagelijks besturen van de stadsdelen.

2.2.    Appellant heeft ontheffing aangevraagd voor het plaatsen van drie vlotten en een steiger bij zijn woonark met een totale oppervlakte van 54,5 m2. De ontheffing is hem verleend, maar appellant kan zich niet verenigen met een van de aan de ontheffing verbonden voorwaarden, te weten:

"[…]

[6.]    Deze ontheffing is persoonsgebonden en geldt uitsluitend voor zover de aanhorigheden worden gebruikt als buitenruimte bij woonark […].

[…]"

2.3.    Appellant kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat het zogenoemde uitsterfbeleid van het dagelijks bestuur niet kennelijk onredelijk is. Appellant heeft in dit kader tevens betoogd dat het uitsterfbeleid in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol.

2.3.1.    Het door appellant bedoelde uitsterfbeleid strekt tot de eenmalige legalisatie voor de huidige bewoners van woonboten van alle aanhorigheden bij hun woonboten, door het verlenen van ontheffingen van het verbod van artikel 2.17 van de Verordening, onder het stellen van het voorschrift dat deze ontheffing persoons- en woonschipgebonden is. Bij wisseling van eigenaar of van de woonark zal het oppervlak van de aanhorigheden moeten worden teruggebracht naar 25 m2.

2.3.2.    Naar het oordeel van de Afdeling is van onteigening in deze zaak geen sprake. Immers, de eigendom van de aanhorigheden, nu of in de toekomst, is niet aan de orde. Appellant wordt evenmin gestoord in het bezit of genot van zijn eigendom, nu hij daarover vrijelijk kan beschikken.

Voor zover appellant heeft willen betogen dat een bepaald recht - het recht om meer dan 25 m2 aan aanhorigheden op deze plaats te mogen laten liggen - wordt onteigend dan wel ingeperkt door de beperkende voorwaarde in de ontheffing, faalt dit betoog reeds omdat appellant een dergelijk recht voorafgaand aan de onderhavige ontheffing nooit heeft gehad.

2.3.3.    Het stelsel van artikel 2.17 van de Verordening gaat uit van een algeheel verbod op aanhorigheden als hoofdregel, met de mogelijkheid om van dit verbod ontheffing te verlenen. De bevoegdheid tot het verlenen van ontheffingen brengt een ruime beleidsvrijheid mee voor het dagelijks bestuur. Het dagelijks bestuur heeft deze beleidsvrijheid ingevuld door het vaststellen van de nota "Wonen op de Amstel geregeld".

2.3.4.    In deze nota heeft het dagelijks bestuur het beleid vastgelegd dat in beginsel voor maximaal 25 m2 aan aanhorigheden ontheffing wordt verleend.

De Afdeling is van oordeel dat het beleid om het oppervlak van aanhorigheden aan een maximum te binden niet kennelijk onredelijk is.

Het dagelijks bestuur heeft het maximum van 25 m2 vastgesteld nadat Binnenwaterbeheer Amsterdam (BBA) is geraadpleegd, een globale inventarisatie van de door woonbootbewoners gebruikte buitenruimte is gemaakt en navraag is gedaan naar vergelijkbare voorschriften in andere stadsdelen. Gelet hierop acht de Afdeling het maximum van 25 m2 niet kennelijk onredelijk.

Hieraan doet niet af dat in het kader van overgangsbeleid aanhorigheden met grotere oppervlakten zijn toegestaan totdat de woonboot in kwestie van eigenaar wisselt. Dit onderdeel van het beleid is ingegeven door de omstandigheid dat het dagelijks bestuur gedurende lange tijd in het geheel niet handhavend heeft opgetreden tegen de aanwezigheid van aanhorigheden. Het staat los van de beslissing van het dagelijks bestuur - dat het beleidsbepalende orgaan in dezen is - welk oppervlak aan aanhorigheden wenselijk is en blijvend gelegaliseerd kan worden.

2.3.5.    Vervolgens dient te worden beoordeeld of het beleid om het maximum van 25 m2 tegen te werpen bij een ontheffingsverzoek nadat de woonboot wordt overgedragen dan wel vervangen, kennelijk onredelijk is.

In afwijking van de hoofdregel in de Verordening - dat aanhorigheden in het geheel niet zijn toegestaan - en de hoofdregel in het beleid - dat aanhorigheden slechts tot een totaal van 25 m2 zijn toegestaan - wordt woonbootbewoners toegestaan aanhorigheden te hebben van meer dan 25 m2. Het enkele feit dat er een zekere begrenzing is aan de werkingsduur van de ontheffing, maakt het beleid niet onredelijk.

2.4.    Ten slotte heeft appellant betoogd dat het dagelijks bestuur op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht zou moeten afwijken van zijn beleid. Hij heeft in dit verband gewezen op het feit dat het dagelijks bestuur een vorige eigenaar van de woonboot had aangeschreven het betonnen terrasvlot dat toen bij de woonboot lag te verwijderen. Met medeweten van het dagelijks bestuur heeft die rechtsvoorganger toen het houten terrasvlot neergelegd dat nu nog steeds ter plaatse aanwezig is. Nu het dagelijks bestuur kennelijk heeft ingestemd met dit houten terrasvlot, kan het niet via een omweg alsnog handhavend optreden.

Daarnaast heeft appellant gewezen op de hoogte van de schade die hij zal lijden in de vorm van een lagere verkoopprijs wanneer hij zijn woonboot zou moeten verkopen met een geringer oppervlak aan aanhorigheden.

2.4.1.    De Afdeling is van oordeel dat het dagelijks bestuur in redelijkheid in deze omstandigheden geen aanleiding heeft hoeven zien om een afwijking van het beleid te rechtvaardigen. Appellant noch zijn rechtsvoorganger heeft ooit een ontheffing voor aanhorigheden van meer dan 25 m2 verkregen. Daarom kan niet staande worden gehouden dat het dagelijks bestuur verplicht was om meer dan een persoonsgebonden ontheffing te verstrekken.

Hieraan kan niet afdoen dat, zoals appellant stelt, hij schade lijdt omdat hij zijn woonboot voor een lagere prijs moet verkopen dan met een ontheffing voor meer dan 25 m2 aanhorigheden. Het betoog van appellant faalt.

2.5.    Het beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. G.J. van Muijen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom    w.g. Matulewicz

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2006

45-514.