Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY5086

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-07-2006
Datum publicatie
26-07-2006
Zaaknummer
200510549/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 juli 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (hierna: het college) appellant medegedeeld dat zijn inschrijving op de wachtlijst van gegadigden voor een vrijkomende plaats op de manufacturenmarkt in de Breedstraat te Utrecht voor de verkoop van kledingstoffen is vervallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200510549/1.

Datum uitspraak: 26 juli 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. SBR 05/188 van de rechtbank Utrecht van 15 november 2005 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 28 juli 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (hierna: het college) appellant medegedeeld dat zijn inschrijving op de wachtlijst van gegadigden voor een vrijkomende plaats op de manufacturenmarkt in de Breedstraat te Utrecht voor de verkoop van kledingstoffen is vervallen.

Bij besluit van 1 december 2004 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 november 2005, verzonden op 21 november 2005, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 december 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 8 maart 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 11 april 2006 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 juli 2006, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. G.H. Schoorl, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. I.A. Weijenberg, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de Marktverordening gemeente Utrecht 1997 (hierna: de verordening) verleent het college vergunning als volgt:

a. eerst aan de relatiepartner of kind van een voormalige vergunninghouder die voldoet aan de elementen van artikel 12, vierde lid;

b. dan aan bestaande vergunninghouders van vaste standplaatsen die bij het college een aanvraag hebben ingediend voor een andere standplaats, zulks in volgorde van hun aanvraag;

c. voorts in volgorde van inschrijving op de wachtlijst, van de betreffende artikelengroep, zoals bedoeld in artikel 13.

   Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de verordening stelt het college een wachtlijst per artikelengroep vast.

   Ingevolge artikel 14, eerste lid, aanhef en onder d, van de verordening vervalt de plaatsing op de wachtlijst indien de aanvrager zich minder dan eenmaal per drie weken bij de marktmeester heeft aangemeld om te trachten een dagplaats te verkrijgen, tenzij het niet aanmelden het gevolg is van ziekte of vakantie.

   Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de verordening verleent het college voor standplaatsen waar geen vergunning voor een vaste standplaats of standwerkersplaats is verleend en voor niet ingenomen vaste standplaatsen, vergunningen voor een dagplaats.

   Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de verordening dienen aanvragers zich, teneinde een dagplaatsvergunning te verkrijgen, voor de aanvang van de markt te melden bij de marktmeester op het betreffende marktterrein.

   Ingevolge artikel 16, tweede lid, van de verordening verleent het college dagplaatsvergunningen op volgorde van de wachtlijst van de betreffende artikelengroep.

2.2.    Appellant staat sinds 19 februari 2003 ingeschreven op de wachtlijst van gegadigden voor een vaste standplaats en neemt op die lijst nummer 15 in. Gedurende de periode februari 2003 tot oktober 2003 heeft hij geen enkele keer een dagplaatsvergunning verkregen. Vaststaat dat appellant zich na oktober 2003 niet meer bij de marktmeester heeft gemeld om te trachten een dagplaatsvergunning te verkrijgen.

2.3.    Om die reden heeft het college bij zijn besluit van 28 juli 2004, gehandhaafd bij de beslissing op bezwaar, met toepassing van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder d, van de verordening appellant bericht dat zijn inschrijving op de wachtlijst is vervallen.

2.4.    Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder d, van de verordening opgenomen verplichting onrechtmatig is te achten. Daartoe voert hij aan dat de doelstelling van deze bepaling geen openbaar belang dient en ten koste gaat van vrij ondernemerschap omdat ondernemers, zoals appellant, op de dag van de melding bij de marktmeester geen plaats meer op een andere markt kunnen bemachtigen en daardoor inkomsten derven.    

2.5.    De Afdeling verstaat het betoog van appellant aldus dat de bepaling waarin de verplichting is opgenomen dat degene die op de wachtlijst is geplaatst zich tenminste eenmaal per drie weken bij de marktmeester moet melden om te trachten een dagplaats te verkrijgen, onverbindend moet worden geacht. Dit betoog faalt. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat de gemeenteraad door vaststelling van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder d, van de verordening niet buiten de aan zijn verordenende bevoegdheid te stellen grenzen is getreden. Met deze bepaling van de verordening is beoogd om de continuïteit in de bezetting van de marktplaatsen en de orde op de markt te verzekeren en om te voorkomen dat "slapende" gegadigden op de wachtlijst blijven staan, hetgeen in het belang van de gemeente is. Nu appellants echtgenote, die één plaats hoger op de wachtlijst staat en met wie hij gezamenlijk aan de meldingsplicht voldoet, omdat zij samen de eventueel beschikbare standplaats innemen, enkele keren een dagplaatsvergunning heeft gekregen, kan voorts niet worden gezegd dat het college met het vereiste om in persoon te verschijnen aan de in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder d, van de verordening vermelde meldingsplicht een onevenredig bezwarende invulling heeft gegegeven. Daarbij heeft de rechtbank terecht in aanmerking genomen dat de wijziging van de verordening in 1997, waarbij de meldingsplicht is geïntroduceerd, in overleg met de Centrale Vereniging voor de Ambulante Handel tot stand is gekomen, zodat ook de belangen van de ondernemers voldoende gewaarborgd zijn. De omstandigheid dat appellant als gevolg van de eis om eenmaal in de drie weken in persoon bij de marktmeester te verschijnen zijn vaste standplaats op een andere markt in Amsterdam voor die dag moet opgeven, leidt niet tot een ander oordeel, omdat appellant dit risico door zich op de wachtlijst voor de onderhavige markt te laten plaatsen welbewust heeft genomen.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, dient te worden bevestigd.

2.7.     Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Haverkamp, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Altena    w.g. Haverkamp

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2006

306-497.