Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY5081

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-07-2006
Datum publicatie
26-07-2006
Zaaknummer
200509622/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 december 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bernheze aan [vergunninghouder] (hierna: het college onderscheidenlijk [vergunninghouder]) bouwvergunning verleend voor het realiseren van een kelder op het perceel [locatie in [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200509622/1.

Datum uitspraak: 26 juli 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nos. AWB 05/2598 en 05/2905 van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 7 oktober 2005 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Bernheze.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 20 december 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bernheze aan [vergunninghouder] (hierna: het college onderscheidenlijk [vergunninghouder]) bouwvergunning verleend voor het realiseren van een kelder op het perceel [locatie in [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 7 juli 2005 heeft het college het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij mondelinge uitspraak van 7 oktober 2005, waarvan het proces-verbaal is verzonden op 11 oktober 2005, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Dit proces-verbaal is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 22 november 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 21 december 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 20 januari 2006 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 juli 2006, waar [een van de appellanten] in persoon, bijgestaan door mr. G.J.M. de Jager, advocaat te Tilburg, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.J.M. Ploegmakers, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Bij besluit van 31 maart 1999 heeft het college bouwvergunning verleend voor het realiseren van een woonboerderij met vrijstaande garage en carport. Het bouwplan voorziet in de oprichting op het perceel van een kelder onder de nog niet gerealiseerde garage en carport.

2.2.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Kom Vorstenbosch, Herziening Hondstraat 3" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Plaatselijk bedrijf".

   Ingevolge artikel 4.1 (doeleinden), eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart voor "plaatselijk bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor

a. een machinaal timmerbedrijf, dan wel;

b. een bedrijf als vermeld in categorie 1 of 2 in de staat van bedrijfsactiviteiten;

c. één bedrijfswoning;

met bijbehorende bouwwerken, erven en (parkeer- en groen-) voorzieningen en met dien verstande dat de op de plankaart als "tuin/erf" aangeduide gronden uitsluitend zijn bestemd voor tuin en (on)bebouwd erf behorende bij de bedrijfswoning.

   Ingevolge artikel 4.2 (bouwvoorschriften), aanhef en onder d, van de planvoorschriften bedraagt de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen maximaal:

- voor bovengrondse (gedeelten van) bedrijfsgebouwen 1980 m²;

- voor ondergrondse (gedeelten van) bedrijfsgebouwen 575 m²:

- voor bijgebouwen 100 m².

   Ingevolge artikel 4.2, aanhef en onder g, van de planvoorschriften bedraagt de diepte van (ondergrondse gedeelten van) bedrijfsgebouwen maximaal 4,75 m.

2.3.    Anders dan appellanten betogen, is de voorzieningenrechter — en het college — er terecht van uitgegaan dat ter plaatse waar het bouwplan is gesitueerd de nadere aanduiding "tuin/erf" geldt.

   Voorts betogen appellanten tevergeefs dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat op grond van het bestemmingsplan geen bijgebouwen bij de bedrijfswoning zijn toegelaten en dat het onderkelderen daarvan derhalve evenmin is toegestaan. Blijkens artikel 4.1, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de als "tuin/erf" aangeduide gronden, voor zover hier van belang, bestemd voor (on)bebouwd erf behorende bij de bedrijfswoning. Bebouwing op deze gronden is derhalve toegelaten. Artikel 4.2, aanhef en onder d, laat uitdrukkelijk 100 m² aan bijgebouwen toe. Uit deze bepalingen, in onderlinge samenhang bezien, volgt, naar de voorzieningenrechter terecht heeft overwogen, dat bijgebouwen bij de bedrijfswoning zijn toegelaten.

2.4.    Appellanten betogen voorts dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college het aanbrengen van een kelder onder de garage en carport ten onrechte in overeenstemming met het bestemmingsplan heeft geacht. Daartoe voeren zij aan dat ondergrondse ruimten, gelet op het bepaalde in artikel 4.2 van de planvoorschriften, slechts zijn toegestaan bij bedrijfsgebouwen.

2.4.1.    Dit betoog faalt evenzeer. De voorzieningenrechter heeft terecht overwogen dat de omstandigheid dat in artikel 4.2 van de planvoorschriften bouwvoorschriften zijn gegeven voor ondergrondse gedeelten van uitsluitend bedrijfsgebouwen niet tot het oordeel kan leiden dat het bestemmingsplan in de weg zou staan aan het realiseren van een ondergrondse ruimte onder een gebouw dat niet als bedrijfsgebouw kan worden aangemerkt. Deze voorschriften hebben geen andere strekking dan het beperken van de oppervlakte en diepte van ondergrondse gedeelten van bedrijfsgebouwen.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Bijloos    w.g. Lodder

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2006

17-423.